K'dunk, de dikkerd, zooals Simmo haar noemt, kwam haar winterkwartier
uit, den morgen nadat dominee James de aarde van zijn eerste bloembed
had omgewerkt. Het was in 't begin van April, en de eerste geur van
't voorjaar hing in de lucht--die bijna onmerkbare maning van Moeder
Aarde aan haar slaperige kinderen om wakker te worden en er uit
te komen en aan 't werk te gaan. Dominee James voelde de maning in
zijn neus en gedachtig aan zijn jonge jaren (waar we allemaal aan
denken, wanneer we de lente ruiken), besloot hij te gaan visschen,
als hij zijn ochtendblad gelezen had. Zijn vrouw voelde het ook,
ging naar de deur, haalde eens diep adem en riep: "Wat is het toch
heerlijk!" Toen greep ze een plantenschopje--want zooals een man
naar de beek getrokken wordt voor zijn eerste forel, zoo moet een
vrouw door denzelfden innerlijken drang wel in de aarde graven--en
toog naar het bloembed. Even later klonk haar opgewonden geroep door
het open raam naar binnen. "Ja-a-a-a-mes? James!"--het eerste roepen
met een langen haal naar boven, het tweede meer gebiedend--"wat ter
wereld heb je toch in dit bloembed gezaaid?"
"Nou," zei dominee James, terwijl hij grappig over den rand van zijn
bril naar 't open venster gluurde, "nou, ik dacht, dat 'k er portulaca
gezaaid had."
"Kom dan eens hier en kijk eens wat er opgekomen is." beval zijn vrouw;
en de verraste oude heer kwam haastig naar de deur om vol verbazing
te knipoogen tegen drie dikke padden, die ook zaten te knipoogen
in den warmen zonneschijn, en een reusachtige modderschildpad, die
verontwaardigd lag te spartelen en te sissen in een groot gat midden
in zijn bloembed.
Er blonk een listig, oolijk lichtje onder de brilleglazen van den
ouden dominee, toen hij het wonderlijke gewas bekeek, dat 's nachts
was opgekomen.
"Want zoo wat de mensch zaait, want zoo wat de mensch zaait." haalde
hij zacht bij zichzelf aan, terwijl hij met een schuinen blik naar de
drie padden keek en eens onderzoekend in de groote schildpad prikte,
maar zijn hand haastig terugtrok bij 't gezicht en 't geluid van den
krommen bek en het kwaadaardige gesis. Daar er in zijn bibliotheek
geen tekstverklarend boek was, voor deze gelegenheid passend, ving
hij een jongetje op, dat op weg naar school voorbijkwam en zond hem
vliegensvlug naar mijn kamers om er achter te komen, wat dat alles
te beduiden had.
Nu hadden de drie dikke padden ook het voorjaar geroken op hun
zachte plekje onder het gras, waar ze zich den vorigen herfst voor
hun winterslaap begraven hadden. Toen dominee James de zoden omspitte,
had de warme zon haar ontdooid en haar de lenteboodschap gebracht en ze
kropen onmiddellijk naar de oppervlakte, zoo van nieuw leven vervuld,
alsof ze het laatste halfjaar niet als klompen zonder gevoel bevroren
waren geweest. Wat de groote schildpad betreft, de geur van de versche
aarde had haar waarschijnlijk uit den naburigen vijver gelokt om zich
een nest te zoeken, waar ze haar eieren zou kunnen leggen. Zoodra
ze de warme, zachte aarde van het portulacabed ontdekte, was ze er
al wroetend ingekropen, terwijl de losse aarde boven op haar viel en
haar bedekte onder 't naar beneden gaan.
Toen de scherpe vrouwenoogen over het bloembed gingen, ontdekten ze
onmiddellijk den kuil middenin, die toonde dat er iemand slordig aan
den gang was geweest. "Die kuil moet dichtgemaakt." verklaarde mevrouw
James onmiddellijk; maar eerst stak ze er, als een echte vrouw, haar
plantenschop diep in. "Aha! een steen--slordige man." was haar vonnis,
en ze stak nog eens en trachtte het harde ding met beide handen op te
heffen, waarop de groote modderschildpad spartelend, sissend voor den
dag kwam en zich met bek en nagels te weer stelde, nu ze uit het beste
nest verdreven werd, zooals ze er nooit zoo vroeg in 't seizoen een
gevonden had. Dien nacht kwamen er eigenaardige geluiden uit het gras
en de dorre bladeren--geritsel en gerekkek en zacht, gedempt gegorgel,
als de padden haastig met z'n tweeën en drieën naar den vijver kwamen
hippen. Van alle kanten uit tuin en grasveld en bosch en ouden muur
kwamen ze kwakend en gorgelend aan door de rustige schemering, en
ze sprongen hoog van verrukking, zoodra ze 't water maar roken. De
oevers kwamen ze afglijden, rollen, halsoverkop afkeukelen--als ze
maar beneden waren--om eindelijk met vroolijk geplas en gekwaak in
het warme, ondiepe water terecht te komen, waar ze oogenblikkelijk
begonnen te krabben en te bijten en belachelijke worstelpartijtjes
aangingen; dat is zoo paddenmanier om oneenigheden te beslechten en
zich een eigen wijfje op den ander te veroveren.
Ze bleven een paar dagen in den vijver, vervulden de lucht van
gorgelend gekwaak en vervulden het water van eindelooze snoeren
kikkerdril--genoeg om den heelen vijver tot aan 't randje met
donderpadden te vullen, indien Moeder Natuur niet tusschenbeide kwam
en barmhartig binnen een paar dagen na 't leggen er negen en negentig
percent van verdonkeremaande en zorgde, dat de rest elkaar ijverig
verslond als ze grooter werden, tot elke overgebleven donderpad naar
waarheid met den kannibaalschen matroos kon zingen:
O ik ben de kok en de kapitein,
En de stuurman, dat ben ik!
En de dronken matroos en de bootsmansmaat,
Alle hens van den commandant zijn brik.
Want elke donderpad vertegenwoordigde voor haar persoon een paar
honderd of meer van haar mede-donderpadden, die zij in den loop van
haar ontwikkeling had opgegeten. Maar lang vóór dien tijd hadden de
padden den vijver verlaten, hadden zich naar alle vier windrichtingen
verspreid, vanwaar ze gekomen waren, zonder dat 't haar weer iets
kon schelen wat er van haar kroost werd. Het was toen dat K'dunk de
dikkerd naar het portulacabed terugkeerde.
Daar vond mevrouw James haar den volgenden morgen--een groote,
wrattige, grijze pad met een breeden grijns en een dikken buik en
een oog als een edelsteen--slaperig knipoogen na haar nachtelijke
jacht. "Och gunst! daar heb je die afschuwelijke pad weer. Ik
hoop"--met een schichtigen blik om zich heen--"ik hoop dat ze de
schildpad niet mee heeft gebracht." Ze gaf haar een por en een klap
met de plantenschop om haar uit het bloembed te krijgen, waarna K'dunk
haar holletje onder een overhangenden graspol binnenkrabbelde en er
niet meer uit wilde komen, ondanks de pogingen en 't gepor van het
schopje, in een hand die veel te zacht was om haar pijn te doen. En
daar bleef zij zoo zwijgend weerstand bieden aan het schopje, tot
ik er gelukkig voorbijkwam en het goede mensch er van overtuigde,
dat ze daar de allerbeste vriendin trachtte te verjagen, die haar
bloemen maar konden hebben. Toen vestigde K'dunk er zich rustig en
we begonnen haar allemaal te bespieden.
Maar haar eerste zorg was om een paar schuilgaten hier en daar in den
tuin te maken. De meeste waren slechts kuiltjes in de zachte aarde,
waar K'dunk in wegdook met de oogen stijf dicht, wanneer haar vijanden
maar in de buurt waren. Zij veranderde spoedig van kleur, tot deze
de tint had aangenomen van haar gewone omgeving, zoodat het bijna
onmogelijk was haar te vinden wanneer zij rustig met gesloten oogen
in een van haar tallooze holletjes lag. Maar toen zij een paar keer
door den hond (die daar thuis hoorde) lastig was gevallen--een vet,
amechtig pukje, dat altijd in opwinding geraakte als K'dunk in de
schemering rond begon te hippen, maar dat zich toch nooit zooveel moed
kon inblaffen om dat kleverige ding met zijn neus aan te raken--groef
zij andere holletjes onder de grasranden of naast een steen, waar
Knor, de puk, haar niet lastig kon vallen zonder te zeer buiten adem
te raken.
In den beginne wonnen we haar vriendschap door haar met een stok
op den rug te krabbelen, bij welke aangename behandeling zij zich
opblies en knorde van voldoening. Maar 't was nooit te zeggen wanneer
zij er genoeg van zou krijgen, of op welk tijdstip zij zich in haar
waardigheid te kort gedaan zou voelen en diep verongelijkt den tuin
inspringen. Toen voerden we haar vliegen en zachte stukjes vleesch,
die we met een grashalm lieten bewegen, zoodat het leek alsof
ze leefden. Dan floten we er tegelijk een bepaald lokfluitje bij,
om haar te leeren wanneer haar avondmaal klaar was. Eindelijk werd
zij toen, na een zachte behandeling en veel aanhalen, heelemaal tam,
en op 't geluid van het fluitje scharrelde zij haastig onder het
trapje voor de deur uit, waar zij overdag huisde, en hipte levendig
naar ons toe om gevoerd te worden en met zich te laten spelen.
Ofschoon K'dunk veel merkwaardige trekjes had, die we met verbazing
ontdekten, toen de zomer vorderde en we elkaar beter leerden kennen,
geloof ik toch, dat haar manier, haar listen om aan voedsel te
komen ons het meest en bij voortduring in verrukking en verbazing
bracht. Gewoon maar te zien hoe ze een vlieg besloop, vervulde ons
met iets van de gespannen opwinding van een hertenjacht. Terwijl zij
in 't wegstervende licht bij een boomstomp of kluit zat, ging er een
vlieg die zich verlaat had of een vroeg nachtinsect vóor haar op den
grond zitten. Onmiddellijk begon dan de edelsteen in K'dunks kop te
flonkeren en te sparkelen. Zij hurkte neer en kroop naderbij als een
eend, met de teenen naar binnen, al langzamer en langzamer, terwijl het
eene grappige pootje behoedzaam langs het andere streek, even heimelijk
en omzichtig als een kat die een aardeekhoorn op den muur besluipt. En
als zij haar prooi naderde, flitste de edelsteen, er schoot iets roods
door de lucht, zoo snel dat ons oog het niet kon volgen, en de vlieg
was verdwenen. Daarop slikte K'dunk iets in, terwijl zij onder de hand
plechtstatig haar oogen sloot, alsof zij dankte, of dat het hapje,
wanneer zij haar oogen sloot voor alle uiterlijke dingen, op de een
of andere manier er lekkerder door smaakte.
Dat roode was natuurlijk K'dunks tong, waar 't geheim van haar
jacht in ligt. Ze is aan den rand van haar bek vastgehecht en ligt
teruggevouwen in haar keel. Het binnenste eind is breed en zacht en
kleverig en zij slaat het als een vliegensvlugge hagedis naar buiten
en weer terug. Wat voor ongelukkig insect ook door de tong wordt
aangeraakt, het is bevrijd van alle beslommeringen die ons menschen
nog plagen. De kleverige tong rukt het K'dunks wijden bek in, voordat
het tijd heeft om een vleugel uit te slaan, of er zelfs maar over te
denken wat er met hem gebeurt.
Eens zag ik hoe zij een sprinkhaan besloop, een grooten, levendigen
groenen, die met een bijzonder langen sprong uit het veilige gras
was gekomen en belandde op den bruinen grond vlak voor de plek, waar
K'dunk vliegen aan 't vangen was, die onafgebroken toestroomden op
een lokaas af, dat ik voor ze neergelegd had. Onmiddellijk richtte
K'dunk's aandacht zich van de vliegen op het grootere wild. Net toen
haar tong naar buiten schoot, sprong de sprinkhaan, achterdochtig
geworden, weg om zich te bergen. De zachte tong ging rakelings
langs hem heen, maar kwam even tegen een van zijn slepende pooten
en sloeg hem op zij. In een ommezien was K'dunk er weer achteraan;
zij scharrelde wanhopig op haar beenen, met gloeiende oogen, terwijl
haar tong in- en uitschoot als een vlammetje. Net toen de sprinkhaan
een grooten sprong nam, raakte de tong hem en ik zag niets meer. Maar
K'dunk had meer te slikken en zij hield haar oogen langer gesloten dan
gewoonlijk, en in haar keel klonk een hevig tegenstribbelend geritsel,
als de lange pooten van den sprinkhaan spartelend den weg afgingen,
vanwaar geen weerkeer mogelijk is.
Een groote rups, die ik eens vond en aan K'dunk bracht, verschafte ons
allen nog een gelegenheid om zeldzame waarnemingen te doen. De rups was
harig, met stijve borstels aan alle kanten overeind, en ik twijfelde
er aan of de tong genoeg kleefstof had om er aan te plakken. Maar
K'dunk twijfelde niet. Haar tong flapte naar buiten en haar oogen
sloten zich plechtstatig. Op hetzelfde oogenblik zag ik hoe de rups
ineenkromp en haar borstels opzette stijver dan ooit. Toen bleek
er iets eigenaardigs, en wel, dat K'dunk's bek zoo groot is en haar
prooi gewoonlijk zoo klein, dat zij haar lekkernij niet proeven kan;
zij slikt ze eenvoudig werktuiglijk op, alsof zij er zoo aan gewend
is haar prooi te pakken te krijgen, dat het nooit bij haar opkomt,
hoe zij wel eens zou kunnen missen. Toen zij haar oogen opende en de
rups op dezelfde plaats zag, meende zij klaarblijkelijk dat het er nog
een was, die op een geheimzinnige manier op vleugels was neergestreken,
zooals de vliegen naar mijn lokaas kwamen. Weer sloeg haar tong naar
buiten en sloten haar oogen zich onder een zalig geslik. Maar daar
vóór haar was, toen haar oogen zich openden, nog een rups. Zoo'n
volmaakte overeenstemming van vraag en aanbod had nog nooit tevoren
een pad gekend.
Weer en nog eens schoot de tong naar buiten, en elken keer werd het
gevolgd door de oogen dicht en een slok. Al den tijd dat zij zoo
snel bleef toeslaan, meende zij steeds nieuwe rupsen te krijgen, en
al dien tijd kromp het harige ding hoe langer hoe meer ineen en stak
zijn borstels uit als een stekelvarken. Maar bij elken hap kreeg het
meer kleefstof op zich. "Die rups wordt veel te kleverig om te kunnen
blijven leven." zei Jantje al gauw, die 't spelletje met mij aanzag;
en bij dat woord vloog er een harige bal den wijden bek in die zich
voor hem opensperde, en ging K'dunk weer aan 't vliegenvangen.
Waarschijnlijk is het dit gebrek aan smaak, dat de verbazingwekkende
verscheidenheid van K'dunk's voedsel verklaart. Het was of alles dat
maar op een insect leek in haar kraam te pas kwam. Vliegen, wespen,
krekels, rupsen, larven van den mierenleeuw, en alle mogelijke
soorten van torren werden allemaal op dezelfde manier behandeld,
wat het klappen van haar roode tong en het slikken met de oogen toe
betreft. Een stuk of zes jongens en meisjes, die het zonderlinge tamme
dier met me bespiedden, raakten ten einde raad iets te vinden dat het
niet wou eten. Een jongen, die aan 't boschbessenplukken geweest was,
bracht drie of vier van die nare kevertjes mee, zonder naam bij elk
buitenkind bekend, die dezelfde gewoonte als de bunsing hebben, een
ondraaglijken stank te verspreiden, wanneer ze lastig gevallen worden,
in de meening dat hij iets had gevonden waar ons beestje geen raad mee
zou weten; maar K'dunk slokte ze op, alsof 't een versnapering was om
haar eetlust op te wekken. Nog eenander bracht colorado-kevers mee;
maar deze waren K'dunk ook welkom. Toen verdween een derde jongen,
die de zorg voor een moestuin had, hoofdschuddend, en zei dat hij
net iets gevangen had wat geen dier ter wereld zou willen eten. Bij
zijn terugkomst had hij een flesch propvol met meloenkevers, [13] wel
twintig of dertig van die vies ruikende dieren, die hij er uitschudde
op den grond en met een stokje aanporde.
Er draafde iemand weg om K'dunk uit een van haar schuilplaatsen te
halen, en zette haar op den grond voor de wriemelende massa. Een
oogenblik was het, alsof zij dat aanbod met verbazing bekeek. Toen
hurkte zij neer en begon het snelle spel met de roode tong. Volgens
mijn horloge was in vier minuten elke meloenkever die zich bewoog
verdwenen, en K'dunk slokte de andere op zoo gauw als wij ze met
een strootje konden doen bewegen om het te laten voorkomen alsof
ze leefden.
Daarna gaven we onze pogingen op om haar op het punt van
verscheidenheid te overtroeven, en besloten ons te bepalen bij de
schijnbaar zoo eenvoudige taak, er achter te komen hoeveel insecten
zij eten kon eer zij "ho" zei. Maar zelfs in dit opzicht konden
we niet tegen K'dunk op; we zijn er nooit, alleen of gezamenlijk,
achter kunnen komen hoe ver haar eetlust reikte. Eens hebben we haar
achter elkaar negentig rozenkevers gevoerd. Op een anderen middag,
toen er drie jongens op hetzelfde uur verschenen, hebben we onze
vangst bijeengedaan, een groote verscheidenheid van vliegen, kevers en
kruipend gedierte, alles en alles bij elkaar honderd-vier-en-zestig
stuks. Vóór donker had K'dunk alles opgegeten en hipte zij naar den
tuin voor haar nachtelijke jacht,--alsof zij al niet genoeg gedaan
had voor den heelen zomer om te bewijzen dat zij onze vriendin was.
Later bedachten we een ander plannetje en lieten het wild op eigen
vleugels naar K'dunk toekomen, in plaats van zelf de halve wereld af te
draven om het voor haar te vangen. Bij de schuur was een verwaarloosde
goot, waar vliegen genoeg waren om ons te manen wat beter voor onze
gezondheid te zorgen. Hier maakte ik een kooitje van ijzergaas, waar
ik een doode rat in legde en wat tafelafval. Toen de middagzon die
ontdekte en liet geuren, begonnen er groote vliegen toe te stroomen
onder luid gezoem, wat een sein voor hun makkers schijnt te wezen;
want als ze gewoon vliegen, maakt deze soort bijna geen leven. Zoodra
ze echter maar aas geschikt voor hun eieren vinden, vliegen ze elk
oogenblik hard zoemend rond en hooren andere vliegen hen, waarvan
de kalme vlucht dan ook in een hevig gegons verandert. Zoo verbreidt
het nieuws zich--tenminste dit schijnt er voor te helpen--en van alle
kanten komen er vliegen toestroomen.
Om drie uur wekte ik K'dunk uit haar overpeinzingen onder 't trapje
voor de deur op en zette haar in de kooi, terwijl 'k haar met een
groot rabarberblad beschermde, dat de zon haar de oogen niet te veel
verblinden zou. Toen haalde ik mijn horloge voor den dag en ging op
een steen zitten tellen.
In de eerste tien minuten ving K'dunk amper twaalf vliegen. Ze waren
in het volle licht voor haar op hun hoede, en zij was nog niet
wakker genoeg voor de gelegenheid. Toen hurkte zij neer tusschen
de rat en het afval, wurmde zich een holletje, waar zij zich keeren
kon zonder in 't oog te loopen, en begon het spelletje met de roode
tong in ernst. Het volgende halfuur kreeg zij zes en zestig vliegen,
gemiddeld meer dan twee per minuut. In een uur was het hoogste wat zij
haalde honderdtien; en eer ik haar verliet, had zij nog twee dozijn
toegevoegd aan 't getal onzer vijanden. Toen het koel in de lucht
werd, kwamen er geen vliegen meer, en bracht ik haar terug naar het
trapje. Maar dien avond toog zij, later dan anders, weer naar den
tuin om door te gaan met haar prachtige werk.
Toen de zomer-glimwormen kwamen (lichtkevers noemden de jongens ze)
zagen we nog een grappig en aardig staaltje van haar jagen. Terwijl
we op een avond in de zachte schemering op de veranda zaten, zag ik
den eersten glimworm in het gras gloeien, en ging hem vangen als een
juweel voor 't haar van een dame. Op 't oogenblik dat ik mijn hand
onder een struik stak verdween de glans plotseling en raakte ik in
plaats daarvan met mijn vinger K'dunk aan. Zij had den glans ook
gezien en had onmiddellijk de methode van met-licht-te-jagen toegepast.
Later ving ik een lichtkever en deed dien in een fleschje, en liet
dit voor K'dunk vallen, toen zij in den laten schemeravond het
grasveld over ging steken. Zij zag den glans door het glas en hapte
onmiddellijk toe. Evenals met de harige rups sloot zij haar oogen
toen zij 't denkbeeldige hapje doorslikte en als zij ze weer opende,
gloeide er nog een lichtkever in het gras, juist waar de eerste geweest
was. Zoo liet zij 't fleschje maar over 't grasveld springen door
't herhaalde gelik van haar tong, terwijl zij ondertusschen de oogen
sloot en slikte, tot de gloeiworm, misschien duizelig geworden door
dat keukelspelletje van zijn wonderlijke kooi, zijn vleugels toevouwde
en zijn lichtje verstopte. Hierop sprong K'dunk weg, op haar manier
stellig denkend, dat al waren er ongewoon veel lichtkevers dien avond
en al leverden ze een alleraardigsten jachtbuit op, ze toch maar
bedroefd weinig gaven voor een hongerige maag--niet te vergelijken
met wat zij krijgen kon met op te springen naar de insecten, die aan
den onderkant der bladeren van elke plant in den tuin verscholen zaten.
Thans waren er geen woorden meer noodig om er de goede mevrouw James
van te overtuigen dat K'dunk haar vriendin was. Ja, ze gaf een kleinen
jongen zelfs een kwartje per stuk voor een pad of zes om op 't erf los
te laten en K'dunk bij zijn voortreffelijke werk te helpen. En de tuin
gedijde als nog nooit tevoren, dank zij de nederige kleine helpers.
Maar K'dunks verdiensten bestonden niet alleen in haar nuttigen
arbeid; zij stak vol verrassingen die ons allen voortdurend in
verrukking en spanning hielden, wat er nu weer gebeuren zou. Zooals
ik zei, ze leerde spoedig op het fluitje af komen; maar nog meer,
ze hield veel van muziek. Als ik zachtjes een deuntje floot, bleef ze
doodstil tot ik klaar was, eer ze weer aftrok voor haar nachtelijke
jachtpartij. En als ik dan van deuntje veranderde of valsch floot,
hipte ze weg, alsof ze verder niets meer met me te maken wou hebben.
Soms kwamen er op de veranda wat jongelui bij elkaar en zongen wel
samen--wat K'dunk dikwijls van onder het trapje uitlokte en haar
bij één gelegenheid haastig uit den tuin terug deed hippen, waar ze
een uur te voren heen was gegaan om haar avondmaal te vangen. Het
scheen dat ze van statige gezangen hield, want ze hield zich altijd
zoo stil alsof ze in de kerk was--wat dominee James geweldig veel
genoegen deed--maar van "deuntjes" had zij een afschuw, wanneer men op
haar handelwijze kon afgaan, op de onmiskenbare manier, die ze had,
om den rug toe te keeren aan wat haar niet beviel, of niet in haar
wonderlijken smaak viel.
Op een avond stond een jong meisje met een alleraardigst, natuurlijk
geluid bij een open raam op de veranda te zingen. Ze zong dien avond om
de oudjes plezier te doen een paar oude, eenvoudige liederen, waar ze
't meest van hielden. Vlak bij het raam stond de piano, waarop een
zachte begeleiding gespeeld werd. Een geritsel in het gras trok mijn
aandacht, en daar had je K'dunk, die tevergeefs de trap poogde op
te klimmen. Ik maakte mevrouw James zachtjes op de zonderlinge gast
opmerkzaam, en beurde K'dunk toen voorzichtig op de veranda. Daar ging
zij langs de balustrade tot vlak naast de zangeres, waar zij doodstil,
aandachtig zat te luisteren, zoo lang het duurde. En dien avond was
het meisje zich niet bewust van deze minste onder haar hoorders.
Dat gebeurde een paar keer in den loop van den zomer. Het was, alsof
die stem een aantrekkingskracht had voor ons gezellige vriendinnetje,
want bij de eerste lieflijke tonen krabbelde zij haastig haar
schuilplaats uit en trachtte de trap op te klimmen. Als ik haar de
veranda opbeurde, hipte zij net zoo lang tot zij vlak naast de zangeres
was, waar zij dan, een en al rustige waardeering, zitten bleef zoo
lang als deze zong. Toen werd op een avond, dat zij bescheiden en
aandachtig gedurende twee liederen aan haar voeten gezeten had, een
tenor, die in New-York studeerde en soms concerten gaf, uitgenoodigd
om te zingen. Hij voldeed er onmiddellijk aan met het afschuwelijke
"O, lieve deugd!"
Zoo heette het ding niet; dat hadden de studenten maar gemaakt van een
eertijds geliefd minnelied. Was K'dunk een Duitsch dirigent geweest,
dan had zij niet zóó onmiddellijk en zóó echt haar meening kunnen
te kennen geven over dat ellendige gejammer. De malle woorden waren
het niet; die kon zij gelukkig niet begrijpen; en ook de ongelukkige
tingeltangel-muziek nog niet zoozeer, die werkelijk de moeite van
't verzoek niet waard was, maar eigenlijk de stem zelf, dat gemaakte,
onnatuurlijke geluid, waar tenoren zich zoo dikwijls toe dwingen. Bij
de eerste schelle tonen werd K'dunk onrustig. Toen scharrelde zij
haastig naar den rand van de veranda en viel halsoverkop naar beneden
in haar haast om weg te komen van dat door merg en been dringende
gezang.
Die plotselinge vlucht veroorzaakte bijna een opschudding en een
vreeselijke zonde tegen de gastvrijheid onder de paar menschen, die
haar kalmpjes bespiedden. Om een onweerstaanbare lachbui te verbergen
glipte ik K'dunk achterna, die zich regelrecht naar de rabarberplanten
haastte, eer zij ophield met hippen. En toen ik dat deed, hoorde ik
de vriendelijke mevrouw James, die de goedheid en gastvrijheid in
persoon is, hevig in haar zakdoek hoesten, alsof de leelijke tocht
haar gevoelige keel had aangedaan; maar het klonk mij meer als
't snikkeren van een eekhoorn, dien ik eens in een hollen pompoen
hoorde gichelen. Hoe 't ook zij, de tenor zong verder, en alles liep
goed af. Ondertusschen was K'dunk bezig aan de belangrijker taak den
tuin te zuiveren van schadelijke insecten, terwijl zij zich af en toe
op haar grappige manier overeind zette en zich op de plaats krabde,
waar haar oor moest zitten.
Het was niet lang hierna, toen wij allen meer dan ooit van K'dunk
hielden, dat het merkwaardigste staaltje van haar wonderlijke leven aan
den dag kwam. Anders dan de hoogere diersoorten krijgt K'dunk niet het
minste onderricht van haar ouders. De lagere diersoorten leven zoo'n
eenvoudig leven, dat ze genoeg hebben aan hun instinct; en daarom
plaagt de natuur, die soms zoo zorgzaam, soms zoo verkwistend is,
ze niet met overbodig onderwijs. Maar ze heeft menig ding voor onze
oogen gedaan, dat door instinct niet te verklaren was, en er rezen
veel moeilijkheden, waar aangeboren kennis niet toereikend voor was;
en dan zagen we haar ongelukkige beetje verstand opwerken tegen de
onverwachte vraagstukken van het heelal. Toen de zomer hoe langer hoe
warmer werd, liet K'dunk de trap in den steek en maakte zich een beter
hol. Alle padden doen dat op snikheete dagen--hollen een schuilplaats
uit onder een zode of wortel of vermolmde boomstomp en dutten daar in
de koele, vochtige schaduw, terwijl de zon daarboven schroeit. Vlak
voor het trapje liepen wat breede, platte steenen over het gras naar
het trottoir. De vorst van vele winters had ze gescheiden, sommige
meer, andere minder, en nu vertoonde zich een lint van groen gras
tusschen verscheiden steenen.
K'dunk ontdekte op de een of andere manier, dat, waar het lint het
breedst was, de dunne zode een holte er onder bedekte, en hier toog zij
aan 't werk, tot het gras meegaf en zij een ruim hol binnentuimelde
onder een van de platte steenen. Hier was het altijd koel, en op
staanden voet liet zij de trap in den steek om de loome Augustusdagen
door te slapen op het betere plekje, dat zij zoo listig was geweest
te ontdekken.
Nu werd K'dunk, doordat zij altijd een goede jacht had in den tuin en
bovendien veel te eten kreeg van ons, hoe langer hoe dikker. Soms,
als zij 's morgens naar huis kwam wippen, geweldig uitgezet door de
ontelbare insecten die zij gegeten had, vond zij de opening tusschen de
steenen onaangenaam nauw. Andere padden hebben dezelfde moeilijkheid,
en om daaraan te ontkomen krabben ze eenvoudig den ingang van hun hol
een beetje wijder; maar al krabbelde en duwde K'dunk ook nog zoo hard,
zij kon de steenen niet verwrikken.
Zij krabde den ingang breeder, den eersten keer nadat zij hard geduwd
had, maar dat hielp niet; de toegang bleef nog ongemakkelijk nauw,
en zij deed me dikwijls denken, wanneer zij haar woning binnenging,
aan een heel dik, deftig persoon, die zich door een draaikruis tracht
te persen, er eindelijk met een steunenden zucht al trekkend en
duwend doortuimelt en zich omkeert om die uitvinding verontwaardigd
te bekijken. Haar hol uitkomen was gemakkelijk, want gedurende den
langen dag had zij haar maaltijd verteerd en was weer geslonken;
maar het was de vraag hoe er 's morgens met een volle maag weer
gemakkelijk in te komen.
Op een morgen zag ik haar uit den tuin komen, en ik wist onmiddellijk
dat haar nog grooter moeite te wachten stond. Zij had dien nacht
een paar rijke insectennesten ontdekt en geweldig gegeten; haar
"fraai rond lijfje" sleepte over 't gras, toen zij meer kruipend dan
hippend naar haar ingang ging, en haar eenige wensch scheen te zijn
suf haar hol binnen te tuimelen en te gaan slapen. Maar helaas! zij
kon er niet in. Ze had eindelijk de grens overschreden. Eerst stak
zij kop en schouders naar binnen, en trachtte met aanmoedigende
zetjes, door aan den onderkant van de steenen te trekken, er in
te komen. Alles tevergeefs! Haar dikke lichaam bleef tusschen de
halsstarrige steenen steken en kwam er slechts hoe langer hoe vaster te
zitten. Het opgezette gedeelte aan den buitenkant was zooveel grooter
dan het gedeelte binnen, dat zij het bij den eersten blik al zou hebben
opgegeven, als zij zichzelf maar eens had kunnen zien. Maar zij werkte
voort met wonderbaar geduld, tot zij wist dat 't nergens toe diende,
en zij er zich weer uittrok en voor haar ongastvrije deur ging zitten
kijken, knipoogend en verfomfaaid, en heelemaal bedekt met stof en
gras wortels. Terwijl zij daar zoo zat, krabde zij zich telkens op
de plaats, waar haar oor moest zitten, alsof zij nadacht.
Na een poosje draaide zij zich om, alsof zij het vraagstuk had
opgelost, en stak haar achterpooten in het hol. Zij ging 't
achterste voren, maar voorzichtig, onhandig, alsof zij er niet
aan gewend was. Dit was echter nog erger dan het andere, want haar
onhandelbare buik bleef slechts hoe langer hoe vaster steken, en,
met een poot aan weerskanten, elke duw lichtte haar op in plaats
van haar naar beneden te brengen. Zij gaf het gauwer op dan eerst,
omdat haar kop nu aan den buitenkant was en zij beter zien kon hoe
zij opschoot. Eindelijk ging zij liggen, alsof zij het vraagstuk had
opgelost, en trachtte zich in de lengte door haar langen doorgang te
wurmen. Dat ging beter. Zij kon er òf haar achterpooten, òf haar kop
en schouders doorkrijgen; maar, als met de emmers in den put, zoodra
't eene eind neerging, ging 't andere op, en nog weigerde haar dikke,
onhandelbare lichaam er met de rest door te gaan. Toch leek het,
alsof zij vorderde, want telkens als zij met kop of pooten wipte,
werd haar ongemakkelijke maaltijd in een beter vorm gebracht. In 't
laatst raakte zij te zeer beklemd en moest zij veel harder krabbelen
om er uit te komen, dan zij had hoeven te doen om binnen te raken. Met
een wanhopigen ruk en een schop bevrijdde zij zich ten leste en zat,
weer heelemaal verfomfaaid, peinzend voor haar deuropening te kijken.
Plotseling keerde zij zich om en liet haar achterpooten in het gat
zakken. Zij ging dezen keer behoedzamer te werk, bang dat zij er
in zou loopen. Toen zij er zoover als zij kon door was, zat zij
een poosje doodstil, terwijl zij zich aan weerskanten met een poot
ophield. Langzaam gingen haar kaken open--en heel nieuwsgierig naar
een eigenaardige hikkende beweging die zij maakte, kroop ik op handen
en knieën nader en keek haar in haar wijdopen bek. Daar had je haar
maaltijd, allerlei soorten van vliegen en nachtinsecten, die stukje
voor stukje naar boven kwamen en in haar grooten bek als in een mandje
werden gehouden, terwijl haar maag beneden werkte en nieuwen aanvoer
naar boven stuurde om den druk te verlichten.
Langzaam gleed zij omlaag, naar gelang de steenen hun harden greep
verslapten. Een gewurm, een gekronkel, een behaaglijke draai met haar
maag, een plotselinge schok--en 't was geschied. K'dunk rustte op
iederen steen met een poot, haar lichaam veilig er onder, en haar mond
nog wijd open er boven hield haar kostbaren inhoud als een ouderwetsch
valies, dat opengesprongen was. Toen slikte zij met groote slokken
haar verstoorde maal weer in en verdween met een laatste gekrabbel
in haar koele hol.
Dien avond kwam zij er niet uit, maar den volgenden avond was zij
als gewoonlijk in den tuin bezig. Tot onze groote spijt verliet zij
èn de verandatrap èn het hol met zijn nauwe opening onder de platte
steenen. Misschien had zij op haar manier de vraag overwogen, wat
er van haar geworden zou zijn, als de uil haar gesnapt had bij haar
thuiskomst dien morgen, want toen ik haar weer aantrof, zat zij veilig
in de holte onder de wortels van een ouden appelboom, waarvan de ingang
wijd genoeg was om er haastig in te duikelen, hoeveel zij ook gegeten
zou hebben. En daar bleef zij overdag, zoolang ik haar bespiedde.
Er bleef nog een merkwaardig trekje over, dat ik in de laatste
dagen van den zomer ontdekte; en dat was haar scherpzinnigheid om
het beste terrein voor haar jacht uit te zoeken. Vlak achter haar
hol in den ouden appelboom was een muur, waaronder 't vol zat van
allerlei insecten. K'dunks hol was aan den oostkant, zoodat de zon
bij 't ondergaan de koele schaduw van den muur over de plek wierp
en ons vriendinnetje vroeger dan gewoonlijk voor den dag bracht. Zij
had op de een of andere manier ontdekt dat de westkant van den muur
de laatste stralen van de zon opving en bewaarde, en dat er laat op
den middag vliegen en allerhande insecten op de warme steenen kwamen
neerstrijken of rondkruipen om warm te worden. Zij maakte zich een
gang onder den muur, vlak achter haar hol, en ging dan aan den westkant
dicht tegen een zekeren grijzen steen liggen, zoodat haar grauwe kleur
haar volkomen dekte, om de vliegen op te pikken als ze neerstreken,
even snel en zeker als een hagedis. Als kevers en andere insecten uit
hun holen kropen om zich een poosje op een warmen steen te zonnen,
lag K'dunk, wier blik over haar jachtgebied heen en weer gleed, stil,
tot ze goed en wel zaten, en kroop dan omzichtig, tot zij ze binnen
haar bereik had en sloeg ze naar binnen met een floep van haar tong,
dien 't oog nauwelijks volgen kon. De twaalf middagen ongeveer dat ik
haar daar gadesloeg heb ik haar nooit een keer zien missen, terwijl
het aantal vliegen en insecten dat zij verdelgde tot in de honderden
moet hebben geloopen.
In dezelfde wei graasden vier of vijf koeien, en met mooie dagen
werden ze buitenshuis gemolken in plaats van naar stal gedreven te
worden. Nu hebben zij, die koeien onder 't melken hebben gadegeslagen,
waarschijnlijk wel opgemerkt, hoe de vliegenzwermen om hun pooten in
dikke kluiten boven de hoeven zitten, waar het zenuwachtige zwiepen
van den staart ze niet verstoren kan. K'dunk had dat ook gezien,
en vaak gedurende den melktijd, als de koeien stilstonden, ging zij
naar een bepaald dier uit de kudde toe, kroop boven op den eenen
hoef na den anderen en hapte elke vlieg er af, die onder haar bereik
kwam. Dan sprong zij op naar de hoogste, die zij bijna altijd raakte,
en tuimelde op haar rug na een gelukten hap. Maar in een wip was zij
weer boven op den hoef geklauterd en zat zij af te wachten, tot de
volgende vlieg binnen haar bereik zou neerstrijken. Het opmerkelijkst
van alles was dat zij zich aan één koe hechtte, en deze van de kudde
uitzocht, wàar ze ook gemolken werd. Voor zoover ik heb kunnen nagaan,
kwam zij nooit in de buurt van de andere; en het was alsof de koe na
een poosje de pad als vriendin herkende, en dikwijls nadat ze gemolken
was stilstond, zoolang K'dunk op een van haar hoeven bleef zitten.
Toen de zomer ten einde liep en het groen in den tuin verdween, verliet
zij dien ook en trok al verder en verder de wei in op haar nachtelijke
jacht. Zij werd ook minder tam, zooals 't met alle dieren gaat in
den herfst, tot ten leste geen fluitje, hoe hard ook, haar terug kon
lokken. Of de uil haar ving, of dat haar nog het lange leven te wachten
staat, dat de Natuur aan de padden schenkt, weet ik niet; maar onder
den rand van het portulacabed is, terwijl ik zit te schrijven, een
verdachte holte, die vorst en sneeuw niet geheel verborgen hebben. Ik
zal deze in de lente met meer dan gewone belangstelling gadeslaan, om
te weten of K'dunk, de dikkerd, zich haar oude vrienden nog herinnert.