ALS UPWEEKIS AAN 'T JAGEN IS.

Laat op een wintermiddag, toen de zon de dennen op de westelijke

helling verguldde en de lange, kille schaduwen zich uitstrekten door de

met sneeuw beladen bosschen, brak er een reusachtige mannetjeseland

uit de sombere sparren en ging zwaaiend de lange, door de zon

beschenen vlakte op, met schreden zoo lang en geweldig, dat zelfs

een wolf de lust zou zijn vergaan hem te volgen. Vijf minuten later

kwam ik uit dezelfde gang onder de sparren, net toen de franje van

groen aan den overkant van de vlakte terugzwiepte om de flanken te

dekken van den eland, die er zich in gestort had,--en daarna knikte,

en knikte alle kanten uit: _Dezen kant! dien kant! hier! ginds!_--om

ieder te misleiden, die hem naspeuren kon. Want bijwijlen is 't,

of zelfs de sparren en de elzen en 't water en de bladeren en de

krakende takken en de dansende schaduwen, alle samenspannen om het

onschuldige boschvolkje te beschermen voor de vijandige oogen en

handen van hun achtervolgers. En dit is een van de oorzaken, waardoor

men zoo moeilijk wild in 't bosch te zien krijgt.

De groote eland had me dien keer verschalkt. Toen hij wist dat 'k hem

volgde, draafde hij een heel eind vooruit en ging toen snel in een

kring terug om roerloos in een boschje op de heuvelhelling te gaan

staan, geen twintig meter van het spoor, dat hij nauwlijks een uur

geleden gemaakt had. Daar kon hij zonder gezien te worden prachtig

kijken wat er toch achter hem aankwam. Toen ik voorbijging, snel

en zwijgend over de diepe prenten in de sneeuw, liet hij me onder

zich langs gaan, terwijl hij me eens goed opnam en flink snoof;

daarop gleed hij als een schim in de tegenovergestelde richting

weg. Ongelukkig brak er een doode tak in de sneeuw met een doffen

knap onder zijn voorzichtigen hoef, ik verliet even het spoor om

te kijken--en bespaarde me zoo het lange geloop langs de listige

prenten op en neer. Toen hij zag dat zijn list ontdekt was, stormde

hij naar de open vlakte; al zijn wonderbaarlijke gaven van oog en oor

en onvermoeide pooten stelde hij in 't werk om zich voor den man te

beveiligen, dien hij verkeerdelijk voor zijn doodsvijand hield.

Het zou weinig baten hem nog verder te volgen; dus ging ik op een

omgevallen gelen berk zitten uitrusten om een poosje naar de wijde

stilte te luisteren en al wat er door het koude, witte bosch voorbij

mocht komen te bespieden.

Onder den zoom van sparren dansten plotseling de zachte, violette

schaduwen en er sprong een haas zoo wit als de sneeuw te voorschijn. In

lange, zenuwachtige sprongen, alsof 't op spiraalveeren ging, vloog hij

voor mijn oogen over een smallen arm van de vlakte, om dekking in een

uitlooper van 't bosch voor me. De zachte armen van de dwergsparren en

de nog zachter schaduwen daaronder schenen zich vanzelf te openen om

hem binnen te laten. Onmiddellijk hield al 't gewiegel van takken en

't vallen van plakken sneeuw en 't dansen van schaduwen op, en langs

den heelen zoom van sparren zeiden stille stemmen: hier is niets,

we hebben hem niet gezien, hier is niets.

Waarom stoof hij dien kant toch uit, dacht ik. Want Moktaques is

een gekke, grillige baas en doet de dingen nooit op een praktische

manier, tenzij hij wel moet. Terwijl ik me nog verbaasde, zag ik

een gelen gloed onder de violette schaduwen glimmen, waar Moktaques

vandaan was gekomen, en de wreede, ronde kop van een Canadeeschen

lynx werd uit den tunnel gestoken, dien de haas nog maar even te voren

gemaakt had. Nauwelijks was zijn groote, grijze lichaam te voorschijn

gedrongen, of een eind verder bewogen de schaduwen zich in den zoom

van naaldhout; nog een lynx en nog een gleden er uit; en ik hield

mijn adem in, toen vijf van die bloeddorstige dieren den smallen arm

van de vlakte oversnelden, elk met uitgerekten hals, terwijl zijn

felle oogen de duisternis vóór zich peilden als gouden schichten,

en hij zijn plaats bewaarde in de indrukwekkende, schrikaanjagende

rij van wreedheid en macht, zoo stil als de schaduw van den dood. Er

overviel me een rilling bij de gedachte aan wat er gebeuren zou met

Moktaques, als er een uit de rij hem zou ontdekken en opjagen. Ik

was eigenlijk op dat oogenblik blij (want ik had geen geweer) dat

'k zelf heel stilletjes kon zitten en de woeste beesten voorbij me

heen kon laten gaan zonder dat ze me merkten.

De middelste lynx, een fel, oud wijfje, volgde 't spoor van den haas;

en onmiddellijk flitste het door me heen, wie ze was en wat ze alle

uitvoerden. Hier was eindelijk het geheim van de benden lynxen, die

men soms in de winterbosschen aantreft, en die een mensch somtijds

bedreigen of angst aanjagen door een woestheid, welke de dieren

afzonderlijk niet laten blijken. Want Upweekis, ofschoon groot

en kwaadaardig, is in zijn hart een gluiperig, laf, verraderlijk

beest--evenals alle katten--en vindt het dus maar 't prettigste

alleen te zijn. Daar hij weet dat de overige van zijn verwanten zijn

als hijzelf, verdenkt hij ze allemaal en is hij beducht dat bij een

verdeeling van den gezamenlijken buit iemand anders het leeuwendeel

zal krijgen. Onder katten heb ik dan ook nooit eenig spoor ontdekt van

de vaste regels, die onder bijna alle andere dieren schijnen te gelden.

's Winters is het echter anders. Dan is Upweekis gedwongen wat van

zijn katachtige zelfzucht te laten varen en in woeste horden te gaan

jagen. Elke zeven jaar vooral, als de konijnen schaarsch in de bosschen

zijn ten gevolge der ziekte waaraan ze op gezette tijden sterven,

kan het zijn dat men toevallig een van die rooversbenden aantreft,

die de hertenperken onveilig maken of de rendierkudden volgen. Maar

pas toen de woeste rij daar voor mijn eigen oogen uit de violette

schaduwen stoof, besefte ik eenigszins dat deze troepen--bijna zonder

uitzondering, zooals ik sedertdien geleerd heb--familiegroepen zijn,

die zich gedurende den winter bij elkaar houden, net als hertekalfjes

de oude hinde volgen, tot 't lente wordt, opdat haar wijsheid voedsel

voor hen vinde en haar grooter kracht hun een weg bane, wanneer de

sneeuw dik ligt en de vijanden hun op de hielen zitten.

De groote lynx middenin was de moeder; de vier andere lynxen waren haar

jongen; en ze bleven nu bij elkaar, gedeeltelijk om hun onvoltooide

opvoeding onder haar eigen oogen te voltooien, maar voornamelijk om

gedurende den winter in de dagen van honger hun krachten te kunnen

vereenigen en met grooter overleg jagen, en als 't noodig was de

grootere dieren klein krijgen, die hen mogelijk in hun eentje tarten

zouden.

Toen ze het versche spoor van den mannetjeseland kruiste, duwde de oude

moederlynx er haar grooten kop in om eens lang te snuiven. Onmiddellijk

sloot de reeks zich en stond elke lynx als een standbeeld met zijn

stompen neus in een geur uitstralende hoefprent, om er met zijn botte

zintuigen achter te komen, wat daar juist langs was gegaan. De kop

van de oude lynx ging de rij van haar onbeweeglijke jongen langs

en weer terug; toen schoot ze weer verder, terwijl een kwaadaardige

grauw haar snuit onder haar snorren vertrok. Een troep uitgehongerde

lynxen bij elkaar zou toch niet licht een mannetjeseland, met zulke

groote passen en zoo sterk, achtervolgen. Slechts de geur van bloed

zou ze onwillig zoo'n spoor opdrijven; en zelfs dan nog, wanneer

ze er de oorzaak van opgespeurd hadden, zouden ze slechts in een

bloeddorstigen, plechtigen kring om hem heenhurken, en onder hongerig

gegaap op zijn dood wachten. Nu was er ergens vlak vóór hen gemakkelijk

wild verscholen. Het was, alsof er een bevel zonder woorden langs de

rij wachtende jongen gegeven werd. Ze staken allemaal op 't zelfde

oogenblik hun kop naar voren en de zwijgende tocht werd weer vervolgd.

Toen de laatste van de rij uit het oog geglipt was tusschen de struiken

van het uitstekende kreupelhout vóór me, snelde ik haastig door 't

bosch, zonder gerucht in de zachte sneeuw te maken, en dook roerloos

onder de sparren, waar het vooruitspringende hout wat lager was,

in de hoop de geslepen jagers weer te zien. Ik hoefde maar even te

wachten. Van onder een overbuigenden tak sprong Moktaques voor den

dag en vloog het open land over op de volgende boschtong af. Vlak

achter hem klonk een grauw en met een vreeselijke vaart stortte de

oude lynx zich te voorschijn, toen ze 't wild in 't oog kreeg, en

beduidde met woesten kreet haar jagersrij hem in te sluiten. Als

een wervelwind kwamen ze aan, liepen uit met geweldige sprongen

en sloten zich samen aan weerskanten om den snellen cirkelgang van

het vluchtende wild af te snijden. Bliksemsnel kwamen de uiteinden

van de rij samen en schoten ze plotseling naar binnen; nog even--en

Moktaques lag plat in de sneeuw gedoken midden in een wreeden kring,

die als een wervelwind zich om hem vernauwde. Toen de kleinste lynx

naar zijn prooi toesprong, was het alsof een electrische schok door

den roerloozen haas ging. Hij schoot vooruit, alsof hij gegalvaniseerd

werd, sprong hoog boven de neergedoken verschrikking vóór zich op en

trachtte uit den vreeselijken kring te geraken. Toen schoot de lynx,

over wiens kop hij sprong, steil overeind, greep het vluchtende dier

zoo in zijn groote klauwen, viel achterover en was in een ommezien

door de andere lynxen overdekt, die zich als furies op hem stortten,

terwijl ze kwaadaardig hapten en klauwden in het beetje, dat hij

vermeesterd had, op het oogenblik zelf dat het ontsnapte.

Een poosje was er een vreeselijk gevecht; toen, eer ik nog goed mijn

oogen kon uitwrijven, was de haas volkomen verdwenen, en was er een

woeste kring van lynxen hongerig aan 't likkebaarden, terwijl ze

elkaar aanloerden en toegrauwden om te weten wie den grootsten hap

gekregen had.

Toen ze eindelijk verdwenen, in een lange rij in den zoom van de

vlakte wegslonken, nam ik het spoor in tegenovergestelde richting op,

om te zien hoe ze gejaagd hadden. Langer dan een mijl, rechtstreeks

terug naar mijn kamp, volgde ik de prenten en ontdekte dat er

een drijfjacht had plaats gehad, zoo listig als er ooit een in de

bosschen gehouden was. Ze hadden dien heelen afstand in een bijna

volmaakte lijn doorgesneld, elk levend wezen opgeschrikt, dat hun in

den weg kwam. Hier was het een gekraagd hazelhoen, waar er een naar

gesprongen had en--gemist, toen de verschrikte vogel wegsnorde in

de duisternis. Daar was er een een boom ingeklommen en had er iets

uitgeschud in de sneeuw, waarvan de andere elk stukje zoo schoon

opgeslikt hadden, dat ik niet kon zeggen wie de ongelukkige was

geweest; maar er bleek een merkwaardig groote durf uit, want de lynx,

die zijn prooi den boom in achterna was gegaan, had zich naar beneden

gestort als uit een catapult geschoten, en een reusachtig gat in de

sneeuw achtergelaten, om bij de moordpartij te zijn, voordat zijn

wreede makkers, die met groote sprongen aan waren komen stuiven, alles

zouden hebben opgegeten en hem zelfs geen snufje tot zijn deel hebben

gelaten. En daar was ten slotte aan het uiterste eind van de rij nog

een haas opgejaagd, en terwijl hij in een kleinen kring rondvloog,

zooals hazen dikwijls doen, door de vier lynxen opgewacht en gegrepen

toen de lange rij snel naar binnen boog om hem den pas af te snijden.

Jaren later, en mijlen ver weg, zag ik op de Renous-vlakten nog

veel zeldzamer staaltje van dezelfde listige manier van jagen. Van

een heuvelkam boven een kleine vlakte af zag ik een kudde rendieren

vreemd doen en ik ging naar beneden om de zaak te onderzoeken. Toen ik

den boord van dichte struiken die de open vlakte omzoomde bereikte,

zag ik de elanden opgewonden in een groepje bijeen om den voet

van een groote rots aan den anderen kant der vlakte, niet meer dan

honderd vijftig meters weg. Er was daar klaarblijkelijk iets, dat hun

nieuwsgierigheid opwekte,--en soms zijn rendieren de nieuwsgierigste

wezens van 't heele bosch--, maar ik moest de rots scherp door mijn

verrekijker bestudeeren, eer ik den ronden, wreeden kop van een grooten

lynx kon onderscheiden, stijf tegen den grijzen steen gedrukt. Eén

zijde van de rots was bijna loodrecht en rees een voet of vijftien,

twintig boven de vlakte uit; de andere zijde glooide minder steil

af naar het bosch; en de groote lynx, die er waarschijnlijk van het

bosch uit op geklauterd was om de rendieren te bespieden, hing nu

half over den rand van de rots, terwijl hij zijn woesten kop van

links naar rechts zwaaide en een voor een zijn uitgeslagen klauwen

naar de dieren daarbeneden uitstrekte.

De rendieren werden elk oogenblik opgewondener en

nieuwsgieriger. Rendieren zijn net kalkoenen; als ze iets nieuws

zien, moeten ze met alle geweld weten wat het is, al kost het hun het

leven. Nu verbraken en sloten ze hun gelederen, liepen aarzelend heen

en weer, richtten ooren en neus op het wonderlijke ding op de rots,

maar kwamen met elke verandering dichterbij.

Plotseling sprong de lynx, niet naar de rendieren, want die waren

nog te ver weg, maar hoog in de lucht met uitgespreide pooten. Hij

kwam neer in een wolk van sneeuw, tolde steeds maar in de rondte als

bezeten en verdween dan stil met twee groote sprongen in de beschutting

van de naaste sparren.

De rendieren stoven er wild van door bij dat wonderlijk gezicht, maar

keerden zich om na een paar verschrikte sprongen, om te zien wat hen

bang gemaakt had. Er was niets te zien, en als een kudde domme schapen

kwamen ze schuchter terug, terwijl ze de sneeuw besnuffelden en hun

ooren weer naar de rots toestaken; want daar op den top had je den

grooten lynx, die net als straks met zijn grooten kop heen en weer

zwaaide en zijn klauwen den een na den ander naar de kudde uitstak,

als om ze te toonen hoe breed en flink ze waren.

Langzaam naderde de kleine kudde de rots en de lynx trok zich terug,

als om ze verder te lokken. Ze brandden van nieuwsgierigheid, maar ze

hadden één sprong op zijn minst gezien en er de kracht van gemeten en

bleven dus op een eerbiedigen afstand. Toen verliet een jong rendier de

andere en ging langs den zoom van het bosch snuffelen om het vreemde

ding op 't spoor te komen, of in de luwte van de rots te geraken

en zoo door den reuk--den eenigen betrouwbaren zin dien een rendier

bezit--uit te maken wat dat alles toch te beteekenen had. Het was,

alsof een windje een dor bosje gras op den top van de groote rots

bewoog. Ik richtte er onmiddellijk mijn kijker op, en toen stokte mij

van ingehouden opwinding de adem in de keel, want ik onderscheidde

de gepluimde ooren van nog twee of drie andere lynxen, die plat op

hun hoogen toren lagen neergedoken, onzichtbaar voor de domme kudde,

ofschoon ze elke beweging met felle, gele, starende oogen gadesloegen.

Het jonge rendier vond de prent, stak er zijn neus in, ging toen

weer behoedzaam naar de rots om het andere gat in de sneeuw te

besnuffelen en zich er van te overtuigen, dat het net zoo rook als het

eerste. Boven op de rots trok de groote lynx zich nog verder terug;

de kudde verdrong zich om er bij te komen, met hoog opgeheven koppen,

om te zien wat hij uitvoerde; en het jonge rendier sloop naderbij

en stak zijn neus weer in het spoor. Toen schoten drie levende

catapulten over den hoogen rand van de rots en stortten op hem

neer. Met bliksemsnelheid was de groote lynx op de been, richtte zich

in zijn volle lengte op en slingerde de vluchtende kudde een kreet

van wilde zegepraal achterna. Daarop schoot hij ook de rots over,

viel het worstelende jonge rendier midden op den rug en hielp mee

het neer te drukken in de sneeuw.

Upweekis is een dom beest. Hij zal zijn grooten kop even onnoozel

in een strik van ijzerdraad steken als een konijn, en dan zal hij

kwaadaardig met den paal aan den anderen kant van den strik vechten,

tot hij zichzelf wurgt. Maar niemand kon dat prachtige spoor in

de sneeuw volgen of trillend van opwinding onder de sparren zitten

kijken naar dat katjesspel in de wildernis, zonder een groeienden

eerbied voor het spookachtige beest met de groote, ronde prenten,

die dwalen, overal dwalen door de wintersche bosschen, en zonder zich

met verbazing af te vragen in wat voor barbaarsch soort school moeder

Upweekis haar jongen africht.

Een Broertje van den Beer · 第 8 / 13 题