Whitooweek heeft nog iets heel verrassends, iets dat eigenlijk
geen gewoonte genoemd kan worden, maar waarschijnlijk een zeldzame
ontdekking is van een of twee dieren hier of daar, die vindingrijker
zijn dan hun makkers. Evenals de eider-eenden [11] en de beer en
de bever, past Whitooweek soms een ruw soort van heelkunst toe om
zijn wonden te verbinden. Toen ik twintig jaren geleden rustig bij
een beek aan den zoom der bosschen in Bridgewater zat, fladderde er
plotseling een houtsnip 't open terrein op naar een plek op den oever,
waar duidelijk, vanwaar ik zat te kijken, een lichte strook dikke
modder en klei te zien was. Het was in 't begin van den jachttijd,
de jagers waren op 't pad in de streek, en mijn eerste indruk was,
dat dit een gewonde vogel was, die, nadat hij was aangeschoten,
ver gevlogen had en nu uit de struiken naar 't water was gekomen
om te drinken of zijn wond te baden. Of dit al dan niet zoo was,
ik kan er slechts naar gissen; maar de vogel deed wonderlijk in 't
volle daglicht, en ik kroop naderbij, tot ik hem duidelijk kon zien
aan den anderen kant van de beek, ofschoon hij me nog te ver weg was
om er volkomen zeker van te zijn, wat al zijn bewegingen beteekenden.
Eerst nam hij zachte klei van den rand van het water in zijn snavel
en scheen het op zijn eenen poot bij de knie te smeren. Toen fladderde
hij weg en was het of hij worteltjes en grassprieten uittrok en in de
klei werkte, die hij al op zijn poot gesmeerd had. Weer nam hij wat
klei en pleisterde het over de vezels, deed er hoe langer hoe meer
op, tot ik duidelijk zien kon hoe het grooter werd en zoo werkte hij
met een eigenaardige, zwijgende aandachtigheid wel een vol kwartier
voort, terwijl ik toekeek en me verbaasde en nauwelijks mijn oogen
kon gelooven. Toen stond hij langer dan een uur doodstil onder een
overhangenden graspol, waar mijn oog hem met moeite vinden kon,
terwijl zijn eenige beweging onder de bedrijven bestond in af en
toe het kleiverband eens te wrijven en glad te strijken met zijn
snavel, tot het hem hard genoeg naar den zin was geworden, waarop
hij wegfladderde van de beek en in het dichte bosch verdween.
Ik had mijn eigen verklaring van de ongelooflijke handelwijze,
namelijk, dat de houtsnip een gebroken poot had en hem met wijs overleg
in een spalk van klei had gezet om de gebroken botjes op hun plaats te
houden, tot ze weer samen zouden zijn gegroeid; maar natuurlijk hield
ik dit voor me, wel wetend dat niemand aan die veronderstelling geloof
zou slaan. Jarenlang deed ik nauwkeurig navraag bij jagers en ik vond
er twee, die zeiden dat ze houtsnippen hadden geschoten, waar eens
de poot van gebroken was geweest en weer genezen. Voor zoover ze zich
herinneren konden, was de poot in beide gevallen mooi recht genezen in
plaats van aan den eenen kant naar buiten te steken, zooals de poot van
een kuiken doet, als hij gebroken is geweest en ze hem vanzelf weer
hebben laten aaneengroeien. Ik onderzocht honderden houtsnippen aan
de markt in verschillende oorden en vond er een, wier poot eens door
een kogel gebroken was en toen prachtig genezen. Er waren duidelijke
sporen van gedroogde modder aan de breuk; maar deze zag ik ook aan
den anderen poot bij de teenen, en het toonde slechts dat zij op
weeke plaatsen voedsel had gezocht. Dit bewees alles nog niets voor
een buitenstaander, en wat ik gezien had hield ik voor me tot den
vorigen winter, twintig jaren later, toen de bevestiging onverwachts
kwam. Ik had over dieren gesproken voor een vereeniging te Bridgeport,
toen een heer, een advocaat overal in 't land goed bekend, naar me
toekwam en me vol vuur van een eigenaardige vondst vertelde, die hij
den vorigen herfst gedaan had. Toen hij eens met een vriend op jacht
was, schoten ze een houtsnip, die, door den hond geapporteerd, een
stuk harde klei aan een van haar pooten bleek te hebben. Nieuwsgierig
wat dat beteekende, klopte hij de klei er met zijn pennemesje af, en
ontdekte een gebroken poot, die toen bijna genezen was en zoo recht
als ooit. Een paar weken later zou de vogel, wanneer hij geleefd had,
stellig zelf de spalk hebben weggenomen en zou er niets zijn geweest
om iets ongewoons aan hem te verraden. En zoo geef ik dan eindelijk
mijn waarneming, daar er nu een bewijs voorhanden is, niet voor een
nieuwe of oude gewoonte van Whitooweek--want hoe ver deze vreemde
wetenschap onder de houtsnippen en de steltloopers verbreid is, kan
geen mensch zeggen--maar eenvoudig om te toonen, hoe weinig wij van
het innerlijke leven van den kluizenaar afweten, en eigenlijk van alle
wilde vogels, en hoeveel er nog te ontdekken is, wanneer we 't geweer
voor den kijker op zij zullen leggen en het wonderlijke leven leeren
begrijpen, dat overal om ons heen onzichtbaar zijn gang gaat [12].