WHITOOWEEK, DE KLUIZENAAR.

Whitooweek, de houtsnip, de wonderlijkste kluizenaar die er maar in

de bosschen bestaat, is een geheimzinnige vogel. Slechts de jagers

weten iets van hem af en ze kennen hem voornamelijk als een prachtigen

vogel, die met een verrast gekwetter naar de elzetoppen schiet voor

hun honden, daar even op gonzende wieken zweeft om zijn richting te

bepalen en dan van zijn gunstige uitkijkpunt op het oogenblik van zijn

zegepraal òf dood valt bij 't knallen van hun geweren en 't ritselen

van den hagel door het bladerscherm, òf anders snel wegzeilt in schuine

lijn naar een andere schuilplaats tusschen de elzen. Voor de jagers,

die feitelijk zijn eenige menschelijke bekenden zijn, is hij niets

dan louter wild en hun belangstelling richt zich voornamelijk op zijn

dood. Hij verbergt voor hen, en voor ieder ander, de bijzonderheden van

zijn dagelijksche leven, in de donkere bosschen waar hij alle zonnige

uren doorbrengt, en in de zachte schemering wanneer hij als een uil

buiten rondvliegt na zijn lange dagrust. Van de honderd boeren, op

wier land ik Whitooweek heb aangetroffen, of de sporen dat hij er pas

had gegeten, weten er amper vijf uit eigen aanschouwing dat er zoo'n

vogel bestaat; zoo goed speelt hij voor kluizenaar vlak voor hun neus.

De oorzaken hiervan zijn verschillend. Overdag rust hij op den grond

in een donker hoekje met dicht struikgewas, bij een bruine boomstomp

die precies met zijn veeren overeenkomt, of in een wildernis van dorre

blaren en varens, waar 't bijna onmogelijk is hem te zien. Op zulke

tijden helpt zijn wonderlijke onbevreesdheid voor den mensch hem om

zich te verbergen, want hij zal ons op een afstand van nog geen paar

voet voorbij laten gaan zonder zich te verroeren. Dit komt gedeeltelijk

doordat hij overdag slecht ziet en misschien niet beseft hoe vlakbij

ge zijt, en gedeeltelijk doordat hij weet dat zijn zachte kleuren

hem zoo goed te midden van zijn omgeving dekken dat ge hem niet zien

kunt, hoe na ge ook komt. Dit vertrouwen is niet misplaatst, want eens

zag ik een man over een houtsnip die op haar nest in de wortels van

een oude boomstomp zat te broeden stappen, zonder dat hij haar zag,

en ze verroerde zelfs het tipje van haar langen snavel niet toen

hij voorbijging. In de late schemering, wanneer de houtsnippen voor

't eerst naar buiten komen, ziet ge niets dan een schaduw haastig over

een stukje helderen hemel glijden, als Whitooweek aan de beek in de wei

gaat eten, of hoort ge geritsel in de elzen, als zij de dorre bladen

omwerpt, en een zwak _pieunk_, als 't geluid van een nachtzwaluw in

de verte; en dan vangt ge nog net even een schaduw op die langs den

grond glipt, of een spinnend, vleermuisachtig wiekgeflapper, wanneer

ge nader komt om het te onderzoeken. Geen wonder dat Whitooweek

onder zulke omstandigheden al haar zomers doorbrengt in het bosch

van een boer en er broedsel voor, broedsel na opkweekt van donzige,

onzichtbare kuikentjes, zonder dat zij ooit gesnapt of herkend wordt.

Mijn eigen kennismaking met Whitooweek begon toen 'k een kind was,

toen ik geen naam had om aan den vreemden vogel te geven dien ik dag

in dag uit gadegeslagen had, en zij, wie ik om inlichtingen vroeg,

me uitlachten om mijn beschrijving en zeiden dat zoo'n vogel niet

bestond. Het was vlak achter de weiden, tegen de helling waar de oude

beukenpatrijs woonde. Op de noordelijke hellingen waren wat donkere,

vochtige eschdoornboschjes en daarachter glooide de grond onder

struikgewas en elzen naar een wild weitje waar sleutelbloemen langs

de beek groeiden. Toen ik op een Aprildag door de eschdoornboschjes

sloop, stond ik plotseling stil, omdat ik iets als een diamant aan

mijn voeten zag schitteren. Het was een oog, 't oog van een vogel;

maar het duurde een oogenblik, eer ik tot het besef kwam dat er daar

wezenlijk een vogel op zijn nest zat, tusschen de afgebroken stukken

van een oude boomstomp die er jaren geleden afgevallen waren.

Ik ging voorzichtig achteruit en knielde neer om mijn wonderlijke

vondst te bekijken. Zijn snavel was geweldig lang en recht, en

zijn oogen zaten ergens achter aan zijn kop--dat was wat 'k het

eerst opmerkte. Een ronddwalend paard had zijn hoef in het droge,

vermolmde hout van de omgevallen boomstomp gezet en er een holte

in gemaakt. In deze holte waren wat bladen en dorre grassprieten

verzameld,--een slordig soort van nest, dat toch prachtig aan zijn doel

beantwoordde, want het verborg de broedende moeder zoo mooi, dat men

er op had kunnen trappen zonder ooit te weten dat vogel of nest zoo

in de buurt zaten. Dit was de tweede waarneming die ik verrast deed,

toen ik de zachte omtrekken onderscheidde van den vogel die daar zat,

zonder een zweem van angst blijkbaar, geen tien voet van mijn gezicht.

Ik ging dien dag stilletjes heen en liet hem ongemoeid; en ik herinner

me nog best dat ik iets van de verwondering en iets van den angst ook

met me meedroeg, waar een kind uiteraard voor het eerst de wezens die

in 't wild leven mee tegemoetkomt. Dat hij daar zoo stil en onbevreesd

vóor me zat, was een voldoende reden voor een kind, om aan te nemen dat

hij het een of andere verborgen verdedigingsmiddel had--misschien den

langen snavel, of een verscholen angel--waar je maar liever niet mee

moest spotten. Dat lijkt me nu allemaal zoo heel wonderlijk en ver weg;

maar het was toen echt genoeg voor een heel klein jongetje, alleen in

de donkere bosschen, dat voor den eersten keer een grooten vogel vond

met een geweldig langen snavel en oogen ergens achter aan zijn kop,

waar ze, dat was duidelijk, niet hoorden; een vogel, die daarenboven

niet bang was en heel goed in staat leek om voor zichzelf te zorgen. Ik

ging dus stilletjes heen, een en al verbazing. Den volgenden dag

kwam ik weer terug. De vreemde vogel zat als te voren op zijn nest,

terwijl zijn lange snavel op den rand van de holte rustte en er op 't

eerste gezicht als een takje uitzag. Hij toonde niet de minste vrees,

en aangemoedigd door zijn kalmte en vertrouwen, kroop ik al nader en

naderbij, tot ik zijn snavel met mijn vinger aanroerde en voorzichtig

op zij schoof. Hierop schudde hij dien ongeduldig heen en weer en

mijn eerste kinderlijke waarneming was er een, die pas onlangs door

de natuuronderzoekers gedaan is, namelijk, dat het tipje van den

bovensten snavel buigzaam is en heen en weer bewogen kan worden,

bijna als een vingerlid, om het voedsel te zoeken, dat diep in de

modder steekt, het te grijpen en uit zijn schuilplaats voor den dag

te trekken. Tegelijkertijd uitte hij een eigenaardig sissend geluid,

dat me weer schrik aanjoeg en me aan slangen en verborgen angels deed

denken; dus ik deinsde achteruit en sloeg hem op een veiligen afstand

gade. Hij zat bijna den heelen tijd roerloos; de eenige beweging was,

dat hij zoo nu en dan met den langen snavel draaide; en eens, toen

hij een heele poos stil geweest was, keerde ik zijn kop weer op zij

en tot mijn verbazing en blijdschap stribbelde hij niet tegen, maar

liet zijn kop zooals ik dien gewend had en liet hem me na een tijdje

weer terugdraaien. Na zijn eerste waarschuwing scheen hij den toestand

volkomen te begrijpen, en was hij niet bang voor het kind, dat hem

verwonderd gadesloeg en er volstrekt geen plan op had om hem of zijn

nest kwaad te doen. Anderen hadden gelachen om mijn beschrijving van

een bruinen vogel met een langen snavel en oogen achter op zijn kop,

die toeliet dat je hem op zijn nest aanraakte; dus ik sprak er tegen

hen niet meer over; maar bij de eerste gelegenheid de beste spoorde

ik Natty Dingle op en vertelde er hem alles van. Natty was een goedig

mannetje, een zieltje zonder zorg, dat geen kwaad kon doen en voor

geen geld hard zou werken,--daar kreeg hij 't zoo van in zijn rug,

zei hij--maar dat zich met alle plezier halfdood zou sloven om door

't ijs te gaan visschen of om een buurman te believen. Voor zoover hij

in zijn onderhoud voorzag, deed hij het met jagen en visschen en vallen

zetten en wilde vruchten verzamelen in de verschillende jaargetijden,

en door in 't voorjaar paardebloemen en sleutelbloemen te plukken

en ze met een vriendelijk gezicht van deur tot deur te venten. Het

grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij bij mooi weer door met in de

bosschen rond te dwalen of op zijn rug aan den oever van het meertje,

waar de bosschen het dichtst waren, lui te liggen visschen, en wat te

vangen waar het niemand anders ooit gelukte, of het hol van een otter

te bespieden, waar niemand anders in wel veertig jaar een otter gezien

had. Hij wist alles van de bosschen af, kende elken vogel, elk dier,

elke plant, en voor zoover ik weet was er tenminste één jongen, die

liever een dag met hem ging visschen dan naar den President en zijn

stoet te gaan kijken of naar een paardenspel te gaan.

Anders dan de anderen lachte Natty niet bij mijn beschrijving,

maar luisterde geduldig en vertelde me, dat ik 't nest van een

houtsnip gevonden had--iets zeldzaams, zei hij, want ofschoon hij

zooveel door de bosschen gezworven en in 't seizoen honderden van

die vogels geschoten had, was het hem nog nooit gelukt een nest te

vinden. Den volgenden dag ging hij met me mee om de eieren te zien,

zooals hij zei, maar, als ik er achteraf over denk, geloof ik, dat het

waarschijnlijk met de bedoeling was om nauwkeurig de plaats van het

broedsel te bepalen tegen den jachttijd in Augustus. Toen we om het

eind van den gevallen boomtronk kwamen, werd de houtsnip door haar

vertrouwen in den steek gelaten bij 't gezicht van den vreemdeling

en ze glipte geruischloos in het dichte loover weg. Daarna zagen we

haar vier eieren, heel breed aan het eene eind, heel smal aan het

andere, en prachtig gekleurd en gespikkeld. Natty, die verstandig

was in zijn soort, gluurde maar amper even naar het nest en trok me

toen weg om ons te verstoppen, en eer 'k het wist of ook maar iets

van haar komst gemerkt had, daar zat moeder houtsnip weer op haar

eieren te broeden. Daarop fluisterde Natty, die een gedeelte van mijn

verhaal gewantrouwd had, me toe er weer uit te kruipen; en de vogel

verroerde zich niet, toen ik op handen en voeten naderkroop en hem

als den vorigen keer aanraakte. Even later kropen we stilletjes weg

en nam Natty me mee naar 't moeras om me de boorgaten te laten zien,

terwijl hij me onderweg over de gewoonten van de houtsnip vertelde,

zooals hij die onder 't jagen in den herfst gezien had. We vonden

overal boorgaten, waar de grond maar zacht was--ontelbare gaten,

alsof ze met een potlood gemaakt waren, waar de houtsnip de aarde

met haar langen snavel onderzocht had. Ze aasde op wormen, vertelde

Natty me--een zonderlinge vergissing van hem, en evenzeer van alle

vogelboeken, want in de oude elzenboschjes en moerassen, waar de

boorgaten zoo dikwijls worden waargenomen, zijn geen regenwormen,

slechts slakken en zachte torren en weeke, witte larven. De houtsnip

jaagt op 't gevoel en door den reuk en ook door te luisteren naar

de zwakke geluiden, die de wormen onder den grond maken, vertelde

hij mij, en daarom staan haar oogen zoo ver achter aan den kop,

om niet in den weg te zitten, en ook om op 't gevaar boven en

achter zich te letten, terwijl de snavel van den vogel diep in de

modder steekt. En dit verklaart ook, waarom het topje van den snavel

buigzaam is, zoodat de gevoelige tip, als de vogel in den grond boort

en het hem niet gelukt de juiste plaats van zijn prooi te bepalen op

't gehoor, rondvoelt als een vinger, tot ze de lekkernij ontdekt en

beetgrijpt. Al deze dingen en nog veel meer vertelde hij me, terwijl

we het moeras afzochten naar teekenen van moeder houtsnips jachten

en samen in de schemering naar huis togen. Sommige dingen waren waar,

andere onjuist; en nog andere waren een eigenaardig mengelmoes van

nauwkeurige overleveringen en folkloristische bedenksels uit een

onbekende bron, zooals nog overal buiten voor kennis van vogels en

andere dieren gelden; en deze waren de merkwaardigste van allemaal

voor een kind. En de jongen luisterde, zooals een dweper naar een

groot gewijd concert luistert, en herinnerde zich later al die dingen

en zifte ze en onderzocht zelf, wat er waars aan was.

Toen ik een paar dagen later naar de plek terugkeerde, was het nest

verlaten. Een paar verstrooide stukjes eierbast vertelden me de

geschiedenis, en dat ik nu zoeken moest naar de jonge houtsnippen,

die bijna onmogelijk te vinden zijn, als de moeder zelf je niet wijst

waar ze zitten. Een week later, terwijl ik langs den zoom van het

moeras sloop, leek het alsof een kleine, bruine warrelwind plotseling

de bladen aan mijn voeten opjoeg. Er middenin onderscheidde ik de

houtsnip, die wegfladderde, al klokkend en nu met een vleugel, dan

met een poot slepend, alsof ze vreeselijk gekwetst was. Natuurlijk

volgde ik haar om te zien, wat er aan de hand was, en dacht niet aan

de patrijs, die me eens op dezelfde aardige manier beet had gehad om me

listig van haar kuikens weg te lokken. Toen ze me veilig op een afstand

gebracht had, verdwenen al haar kwetsuren als bij tooverslag. Ze steeg

op met forsche wieken, zwierde het moeras over en kringde snel terug

naar waar 'k haar 't eerst had opgeschrikt. Maar ik vond niet een

van de jonge houtsnippen, ofschoon 'k er een half uur naar zocht en

er waarschijnlijk vier tusschen de bladeren en gras- sprieten vlak

voor mijn oogen verscholen zaten.

De wonderbaarlijke kennis, uit Natty Dingle's voorraad opgedaan

en van de boorgaten in 't moeras, bracht me eenige weken later

in moeite en strijd. Niet ver van me af woonde een buurjongen, een

natuuronderzoeker in den dop, die een grooten, gelen kater thuis had,

Blink genaamd. Blink was een zonderlinge oude kater, en de grootste

jager, dien 'k ooit gezien heb. Hij wist bijvoorbeeld waar een mol

in zijn lange gang gesnapt kon worden en--dat is iets wat me nog een

raadsel is--ving ze bij massa's; maar, als de meeste katten, hij kon

er nooit toe gebracht worden er een op te eten. Wanneer hij een mol

ving, als hij honger had, begroef hij hem en ging weg om een muis of

een vogel te vangen; en deze at hij op, terwijl hij den mol bewaarde

om hem als buit mee thuis te brengen. Hij jaagde urenlang in z'n

eentje en kwam miauwend thuis met alles wat hij gevangen had--ratten,

eekhoorns, konijnen, kwartels, patrijzen, en zelfs sprinkhanen, als

er geen grooter wild op pad was. Uit de verte kon je zijn jachtkreet

hooren, een eigenaardig _miauw-iauw_, dat hij slechts dan uitte,

wanneer hij iets gevangen had; en de jongen liep dan gauw naar buiten

hem tegemoet om hem zijn buit af te nemen, terwijl Blink snorde en zich

langs zijn beenen wreef om zijn trots en voldoening te toonen. Als hem

niemand tegenkwam, liep hij eens of tweemaal om het huis te miauwen

en legde zijn prooi dan onder de stoep, waar onze neuzen er al gauw

de aandacht op moesten vestigen, want Blink raakte ze nooit meer aan.

Eens vond de jongen een vreemden vogel onder het trapje, een mooi,

bruin diertje, zoo groot als een duif, met een langen, rechten snavel

en oogen boven op zijn kop. Hij bracht hem naar zijn vader, een pedant

heerschap, dat hem een zonderling mengelmoes van waarheid en onzin als

"natuurlijke historie" opdischte. Hij zei, dat het een blinde snip was

(en daar stak wat waars in), die niet zien kon, doordat zijn oogen niet

op hun plaats zaten; het was een heel zeldzame vogel, die zoo nu en dan

in 't najaar voorkwam, en die zich 's winters in de modder begroef in

plaats van op den trek te gaan,--en dat alles was grootendeels onzin.

Toen de jongen me meenam om zijn zonderlinge vondst te kijken, noemde

ik het een houtsnip en begon er gretig van te vertellen, maar werd

tot zwijgen gebracht en een leugenaar genoemd voor mijn moeite. Er

volgde een woordenrijke twist, waarin tevergeefs een beroep gedaan

werd op Natty Dingle's gezag; en de jongen, die grooter was dan ik en

op zijn eigen erf, joeg me ten slotte weg, omdat ik het gewaagd had

hem van een vogel wat te vertellen, dien zijn eigen kat gevangen had

en dien zijn eigen vader een blinde snip genoemd had. Hij keilde me

nog een extra steen na, omdat 'k gezegd had, dat er massa's in de

buurt zaten, maar dat ze net als uilen 's nachts aten, en nog een

steen, omdat 'k teruggeroepen had, dat ze niet als schildpadden met

droog weer in de modder kropen, zooals zijn orakel verklaard had. En

hoogst waarschijnlijk zult ge over 't algemeen hetzelfde onbekookte

doorslaan ontmoeten, wanneer en waar ge ook tegen de vooroordeelen van

z.g. natuurkenners opkomt. Luister naar alles wat ze beweren--dat de

aarde vlak is, dat de zwaluwen den winter in de modder doorbrengen,

dat de dieren geheel door instinct beheerscht worden--maar haal vooral

geen feiten aan die ge zelf misschien gezien hebt, eer de wereld er

rijp voor is. Want het is beter om iets een blinde snip te noemen tegen

beter weten in, dan een familieveete te veroorzaken en een steen naar

't hoofd te krijgen, omdat ge 't een houtsnip hebt genoemd.

De jonge houtsnippen, ofschoon nauwelijks grooter dan dikke hommels,

draven onvermoeid net als jonge patrijzen rond, zoodra ze de schaal

maar kapot gepikt hebben, en beginnen dadelijk van de moeder te

leeren waar ze naar eten moeten zoeken. In de vroege schemering, als

ze minder schuw zijn en de moeder niet zoo gauw gaat wegfladderen om

je mee te lokken, heb ik soms een broedsel verrast--kleine, donzige,

onzichtbare dingetjes, elk met een grappig langen snavel en een streep

over den rug, die 't kleine geval wel in tweeën lijkt te verdeelen, en

een helft van hem verbergt, zelfs als ge de andere al ontdekt hebt. De

moeder is er bij en gaat ze haastig voor tusschen de moeraspollen en

de varens en de elzestammen, waar ze rondscharrelen, de dorre blaren,

doode takjes, stukjes vochtigen bast met hun snavel omwippen om de

larven, die er zich onder verschuilen, net een troepje voddenrapers,

elk met een stokje om de dingen te wenden. Moeder en kuikens hebben

bij zoo'n gelegenheid een tevreden gekwetter, dat ik nooit in andere

omstandigheden gehoord heb, en dat waarschijnlijk de bedoeling heeft

om elkaar aan te moedigen en 't heele troepje binnen 't gehoor te

houden, als ze rondsnellen in de schemering.

Wanneer ze hun voer ver van het nest moeten zoeken, zooals dikwijls

het geval is, heeft Whitooweek twee gewoonten, die, meen ik, bij

andere vogels waarop gejaagd wordt niet voorkomen--behalve misschien

bij de plevier; en ik ben nooit in de gelegenheid geweest de jongen

van deze vogels te bespieden, ofschoon elke nieuwe waarneming van de

oude dient om er mij van te overtuigen, dat zij de merkwaardigste van

de vogels zijn die ons bezoeken, en het minst begrepen worden. Wanneer

het eten op een langen afstand gehaald moet worden, verstopt de moeder

haar broedsel en gaat het zelf halen. Bij haar terugkomst voert ze de

kuikens als een duivenmoeder, door haar snavel in hun hals te steken

en ze elk hun deel te geven; af en aan gaat het, tot ze genoeg hebben;

dan laat zij ze weer in hun schuilplaats en zoekt eten voor zichzelf

gedurende de rest van den nacht. Evenals de meeste andere jonge dieren,

die zoo door hun moeder worden achtergelaten, komen ze nooit van de

plek af, waar hun gezegd is, dat ze blijven moeten, en kunnen er haast

niet van verjaagd worden, eer de moeder terugkeert. En gewoonlijk,

wanneer ge een broedsel jonge houtsnippen zonder de moeder aantreft,

zullen ze het toelaten, dat ge ze opneemt, en als dood in uw hand

liggen; ze houden zich dan zoo, tot ge ze weer neerzet.

Wanneer er een goede voerplaats bij de hand is, maar toch te ver

voor de kleintjes om er heen te gaan, haalt de moeder ze er een voor

een en verstopt ze op een verborgen plekje, tot ze 't heele troepje

overgebracht heeft. Ik heb houtsnippen een paar keer met hun jongen

zien wegvliegen; en eens zag ik een moeder naar de plek terugkeeren,

waar ze even te voren vandaan was gevlogen met een kuiken, en een

ander onder een blad weghalen, waar 'k het niet gezien had. Deze

eigenaardige handelwijze wordt door de moeders niet alleen toegepast

om de jongen naar geliefkoosde voerplaatsen te brengen, maar ook

om ze gauw uit den weg te krijgen, als er plotseling gevaar dreigt,

zooals brand of overstrooming, waar geen wegschuilen voor helpt.

Voor zoover ik kan beoordeelen hoe 't gebeurt (maar het gaat altijd

heel snel, en 't is buitengewoon moeilijk te volgen), strijkt de

moeder vlak boven het kuiken neer, of ze loopt tot ze er boven is,

en houdt het onder 't vliegen tusschen haar knieën. Zoo komt het mij

voor dat het geschiedt, nu 'k het verscheiden keer heb gezien. Er zijn

er--en wel jagers en scherpe waarnemers--die beweren, dat de moeder ze

in haar bek draagt, zooals een kat een poesje; maar hoe dit mogelijk

is zonder de kleintjes te doen stikken, is mij onbegrijpelijk. De

snavel is aan het uiteinde niet stevig genoeg, dunkt mij, om ze bij

een vleugel te houden; en ze in den nek te pakken, als in een schaar,

en ze zoo te dragen, zou ze naar 't mij voorkomt op een eenigszins

lange vlucht stellig en zeker wurgen of wonden; en dat is de wijze

niet, waarop wilde moeders met hun jongen plegen om te springen.

Er is nog een manier denkbaar waarop Whitooweek haar jongen kan

dragen, ofschoon ik het nooit gezien heb. Een oude jager en scherp

opmerker van het natuurleven, met wien ik soms door de bosschen zwerf,

stond eens plotseling voor een houtsnip-moeder en haar broedsel bij

een beekje aan den voet van een ongerepte heuvelhelling. Een van de

kuikens rustte boven op den rug der moeder, zooals men dikwijls bij

tamme kuikens ziet. Bij de plotselinge nadering van mijn vriend rees

de moeder overeind met het kuiken op haar rug en verdween er mee

in de dichte bladeren. De rest van het broedsel, drie waren 't er,

verdween onmiddellijk; en toen de man er een gevonden had, ging hij

maar verder zonder af te wachten, of de moeder voor de andere ook

terugkwam. Ik geef deze gebeurtenis voor wat ze mogelijk waard is,

om aan de hand te doen op welke wijze 't zou kunnen zijn, dat jonge

houtsnippen verdragen worden; maar ik ben er heel zeker van, dat

die welke onder mijn eigen aandacht zijn gevallen, op een geheel

verschillende manier gedragen werden.

De jonge houtsnippen beginnen hun kleine vlerkjes te gebruiken, als

ze nog geen paar dagen uit het ei zijn, zelfs nog eerder dan jonge

kwartels, en ze vliegen in een opmerkelijk korten tijd. Ze groeien

verwonderlijk snel, zoodat het gezin dikwijls al vroeg in den zomer

uiteengaat en elk voor zichzelf gaat zorgen, terwijl de moeder in de

gelegenheid is om weer een broedsel groot te brengen. Ze trekken dan

ver op zoek naar voedsel waar ze van houden, en komen dikwijls op de

boerenerven, waar ze den halven nacht doorbrengen bij de afvoergoten

en de stallen als het huis stil is, en haastig verdwijnen op 't

eerste gerucht; zoodat Whitooweek dikwijls een geregeld bezoeker is

op plaatsen, waar men haar nooit ziet of vermoedt.

Door haar verzotheid op aardwormen heeft Whitooweek lang geleden een

paar dingen geleerd, waar een mensch in zijn heele leven nog niet

achterkomt, namelijk, dat het veel gemakkelijker en eenvoudiger is

om wormen op te rapen dan er naar te graven. Als een jongen naar ze

moet graven voor aas, tot belooning waarvan hij met de ouderen uit

visschen mag, zal hij met droog weer vaak een halven dag zoekbrengen,

en hard werken met heel weinig resultaat; want de wormen zitten bij

zoon gelegenheid diep in den grond en kunnen alleen op heel gunstige

plaatsen gevonden worden. Ondertusschen zal de vader, die zijn jongen

uitgestuurd heeft om te graven, na 't avondeten een prettig uurtje

doorbrengen met zijn groene grasperk te besproeien. De wormen beginnen

zich naar boven te werken op het eerste getik van de water droppels,

en krioelen tegen middernacht bij honderden over 't gras, groote,

stevige dikkerds, net goed om forellen mee te vangen. Ze blijven 't

grootste gedeelte van den nacht aan de oppervlakte; en daarom vangt

de vroege vogel den worm in plaats van hem uit te graven, zooals

de slaperige menschen doen moeten. Middernacht is de beste tijd om

er met een lantaarn op uit te gaan en al het aas te bemachtigen dat

men noodig heeft, zonder moeite of gezeur. Dat is ook de tijd dat men

Whitooweek hoogstwaarschijnlijk aan dezelfde bezigheid zal vinden. Den

vorigen zomer joeg ik in den laten avond twee houtsnippen van mijn

buurmans grasveld op; en er gaat nauwelijks een zomer voorbij, dat we

niet met verbazing lezen hoe ze binnen de grenzen van een groote stad

als New-York worden aangetroffen, waar ze 's nachts van uit de verte

heen zijn getrokken om de kostelijke grasperken af te jagen. Voor

dienzelfden regenwormenkost komen ze ook in de tuinen; en vaak zal

men op een plaats, waar het heet dat geen houtsnippen voorkomen,

onder de koolblaren, of in de koele schaduw van het dichte korenveld,

de ronde gaten aantreffen, waar Whitooweek de zachte aarde op larven

en wormen onderzocht heeft, terwijl wij sliepen.

Tegen het midden van den zomer komt er een eigenaardige verandering

over Whitooweek; de broze gezinsbanden worden verbroken en de vogel

wordt een echte kluizenaar voor het overige jaar. Hij leeft geheel

in z'n eentje en zelfs in het seizoen van den trek vereenigt hij

zich niet met zijn makkers tot groote troepen, zooals de meeste

andere vogels; en niemand heeft, voor zoover ik weet, ooit iets

gezien, dat ook maar in de verte een zwerm houtsnippen genoemd

kon worden. De eenige uitzondering die ik op dezen regel ken, zijn

de zeldzame gelegenheden, dat we een mannetjeshoutsnip verrassen,

hoe hij als een hazelhoen op een boomstam paradeert, terwijl hij

vlerken en staart uitbreidt en wonderlijk sist en sputtert onder

't op- en neergaan. Wie dan naderkruipt, zal nog twee of drie vogels

opjagen, die naast den boomtronk of in 't kreupelhout vlakbij staan te

kijken. Onlangs vertelde een jager me dat zijn setter eens voor een

vogel op een omgevallen boom "gestaan" had, die met zijn geparadeer

ophield, zoodra hij ontdekt was, en neerglipte in de varens. Toen de

hond naderbij kwam, werden er vijf houtsnippen op 't zelfde oogenblik

opgejaagd, het grootste aantal dat, voor zoover ik weet, ooit samen

is aangetroffen.

Toen ik den ongeleerden jager--maar hij was wijs waar het de

bosschen betrof--naar de reden vroeg van Whitooweeks geparadeer in

dit jaargetijde, nadat de gezinnen uiteen zijn gegaan, had hij geen

meening of verklaring. "Och, zoo'n gekke manier van doen, net als

van de meeste vogels, maar nog gekker" zei hij en daar liet hij 't

bij. Ik heb die gewoonte maar ééns gezien, en toen maar half, want

ik liep onbesuisd op twee of drie vogels in en joeg ze op, eer ik de

vertooning kon waarnemen. Het is zeker niet om zijn wijfje te winnen,

want het seizoen daarvoor is lang voorbij; en als het niet wijst op de

gewoonte der hazelhoenders om zich in kleine groepjes te verzamelen

tot een soort van rustieken dans, ben ik niet bij machte om er een

opheldering van te geven. Mogelijk is spelen even verleidelijk voor

Whitooweek, als het voor alle andere vogels is; en het spel alleen

kan hem doen vergeten, dat hij een kluizenaar is.

Zoodra de dooi invalt, verlaten de vogels de bosschen en moerassen,

waar ze grootgebracht werden, en verdwijnen totaal. Waar ze gedurende

dezen tijd heengaan, is een diep geheim. Op plaatsen waar er gisteren

nog een dozijn van deze vogels waren, is er vandaag niet éen; en als

men er toevallig een aantreft, is het gewoonlijk op een plek, waar

men er nog nooit eerder een gevonden heeft, ofschoon men al jaren lang

geregeld op die plaats komt. Dit is des te merkwaardiger als we denken

aan het feit dat de houtsnip, evenals de meeste andere vogels, bepaalde

geliefkoosde plekjes heeft, waar zij jaar in, jaar uit terugkeert

om er te nestelen of te eten of te slapen. Af en toe kunt ge in dit

jaargetij een eenzamen vogel op een droge, zuidelijke heuvelhelling,

of aan den zonnigen zoom van de groote bosschen aantreffen. Hij levert

nu een treurig gezicht op, want hij heeft bijna geen veeren meer over

om hem te dekken en hij kan slechts wegfladderen of -draven bij uw

nadering. Als ge het zeldzame geluk hebt hem nu te verrassen, terwijl

hij u niet ziet, zult ge iets eigenaardigs opmerken. Hij staat naast

een boomstomp of wat varens, waar de zon lekker op zijn kalen rug kan

schijnen, alsof hij zich stond te warmen aan den haard der natuur. Zijn

lange snavel rust met den tip op den grond, alsof hij een stut was,

die zijn kop ondersteunde. Hij slaapt; maar als ge nader kruipt en

uw kijker op hem richt, zult ge merken, dat hij met half geloken

oog slaapt. Het lijkt, alsof het onderste lid is opgetrokken tot

het slechts 't halve oog bedekt; maar de bovenste helft is helder,

zoodat hij onder 't slapen boven en achter zich op zijn vijanden

kan letten. Bij zulke gelegenheden geeft hij heel weinig geur af,

en uw hond met zijn scherpen neus, die in 't najaar op een steenworp

afstand lucht van hem zou krijgen, zal er nu vlak langs gaan zonder

hem op te merken en moet bijna over den vogel heenloopen, eer hij

"staat" of eenig teeken geeft, dat er wild in de buurt zit.

Jagers zeggen, dat die verspreide vogels de dieren zijn, die de meeste

veeren verloren hebben en dat ze op de zonnige open plekken blijven

om warm te worden. Misschien hebben ze gelijk; maar we moeten dan toch

nog dit vragen: wat doen deze zelfde vogels dan 's nachts, als de lucht

kouder is dan overdag? En, als om de opvatting te weerleggen: wanneer

men één vogel op een zonnige, open heuvelhelling heeft aangetroffen,

zal men er den volgenden dag een op een mijl afstand in 't hartje

van een groot korenveld vinden slapen, waar de zon hem den heelen

dag nauwelijks aanraakt.

Wat ook de reden voor hun handelwijze is, deze vogels, die men in

Juli aantreft, zijn zeldzame, onbegrijpelijke wezens. Het meerendeel

verdwijnt en ge kunt ze niet vinden. Of ze ver in 't rond zich

verspreiden naar dichte schuilplaatsen en door doodstil neer te duiken

aan een ontdekking ontsnappen, of dat ze, als sommige snippen, in den

dooitijd een korten trek naar het Noorden doen om de eenzaamheid te

zoeken voor verandering van voedsel, moet nog ontdekt worden. Want

het is verbazingwekkend hoe bitter weinig wij van een vogel weten,

die in onze koeienweiden nestelt en die 's nachts dikwijls onze erven

en grasperken bezoekt, maar met wien we slechts kennis maken wanneer

hij dood is en als een heerlijk hapje, warm op geroosterd brood,

op onzen disch wordt opgediend.

In 't voorjaar, als hij een wijfje zoekt, heeft Whitooweek een

gewoonte, aan den zoom van het elzenhout waargenomen, genomen, die

ons onmiddellijk herinnert aan de grasplevieren [9] van de open venen

en hooglanden, en aan hun nog schuwer naamgenooten van de eindelooze

vlakten op Labrador. Inderdaad, in zijn voorliefde voor afgebrande,

eindelooze stukken land, waar hij zich in 't volle gezicht verbergen

kan en ontelbare sprinkhanen en krekels kan vangen, zonder dat hij zich

om verandering van voedsel hoeft te bekommeren, en in een weergalooze

ongedurigheid en onbevreesdheid voor den mensch, heeft Whitooweek

vele punten van overeenkomst met de bijna onbekende plevieren.

Wie in de avondschemering langs den boschzoom sluipt, zal een flauw

_pienk_, _pienk_, vlak bij zich hooren, en als hij zich omkeert om te

luisteren waar het geluid vandaan komt, zwiert er snel in schuine lijn

een houtsnip boven zijn hoofd en begint spiraalsgewijze naar den hemel

te kringen, terwijl hij in de grootste opwinding klokt en twettert. Het

is maar een armzalig soort liedje, niet te vergelijken met dat van den

ovenvogel [10], of de grasplevier, die in de schemering net zoo doen,

en Whitooweek moet zijn stem te hulp komen met 't geklep van zijn

vleugels en de lucht die er door gonst, zoodat 't doet denken aan

de schrille stem van een riethalm bij winderig weer; maar het klinkt

ongetwijfeld lieflijk genoeg voor het bruine wijfje, dat roerloos vlak

bij ons staat te gluren en te luisteren naar de voorstelling. Op een

voor hem geweldige hoogte tolt Whitooweek een poosje als bezeten rond

en dan herhaalt hij zijn spiraal naar beneden, al dien tijd klokkend en

twetterend, tot hij de boomtoppen bereikt, waar hij recht boven zijn

wijfje zijn vleugels opvouwt en als een schietlood neervalt. Maar

ze verroert zich nog niet, want ze weet best wat er komt, en nog

geen paar voet van den grond spreidt Whitooweek zijn vleugels wijd

uit om zijn val te breken en komt rustig vlak naast haar neer. Daar

blijft hij even heel stil, alsof hij uitgeput was; maar het volgende

oogenblik stapt hij met uitgespreide vleugels en staart als een wilde

kalkoensche haan om haar heen, laat al zijn goede eigenschappen op zijn

voordeeligst uitkomen, en is op zijn vertooningen zoo ijdel als een

pauw in de lentezon. Weer is hij rustig; er klinkt een zwak _pienk_,

_pienk_, alsof het wel een mijl weg was; en weer zwiert Whitooweek op

snelle wieken schuin omhoog om zijn extatische bewegingen te herhalen.

Beide vogels zijn bij zulke gelegenheden verwonderlijk weinig bang

voor menschen, en als iemand zich niet beweegt, of wanneer hij het

doet heel voorzichtig, dan schenken ze er niet meer aandacht aan, dan

alsof hij een van de koeien was, die de eerste grassprietjes vlakbij

afgrazen. Evenals de gouden plevier, die haar leven grootendeels in

de uitgestrekte eenzaamheid van Labrador en Patagonië doorbrengt, en

wier natuur een eigenaardige mengeling is van uiterste schuwheid en

verregaande domheid, schijnen ze geen instinctieve vrees voor eenig

groot dier te hebben; en de vrees, die Whitooweek heeft aangeleerd,

is het gevolg van 't feit dat er voortdurend op hem wordt jacht

gemaakt. Zelfs hierin leert hij langzamer dan eenig ander gevleugeld

wild, en als hij eens een poosje aan zichzelf wordt overgelaten,

keert hij ook al spoedig tot zijn natuurlijke vertrouwelijkheid terug.

Wanneer het herfst wordt, zult ge nog op een andere wijze in Whitooweek

aan de onbekende plevier herinnerd worden. Evenals ge vol vertrouwen de

komst van de plevier tegemoet ziet in den eersten zwaren Noordooster na

twintig Augustus, zoo zal de eerste herfstmaan, die door dichten mist

verduisterd is, stellig de houtsnip naar haar gewone verblijfplaatsen

terugvoeren. Maar waarom zij op volle maan wacht en dan op een killen

mist om die te bedekken, eer zij haar vlucht naar het Zuiden begint,

is weer een mysterie. Anders dan de plevieren, die bij honderden

aankomen en wier bovenaardsche kreet, snerpend boven het gebulder van

den storm en 't neergutsen van den regen uit, ons tegen middernacht

uit bed roept en doet beven van opwinding, en luisteren, en nog eens

beven, komt Whitooweek zwijgend en eenzaam aanglippen; en 's morgens

gaan we uit, alsof 't afgesproken werk was, en vinden we hem rustig

slapen, precies waar we hem verwachtten.

Met den eersten najaarstrek komt er nog een eigenaardigheid uit,

namelijk, dat Whitooweek een voorliefde heeft voor sommige plaatsen,

niet om voedsel of beschutting die hij daar vindt, maar klaarblijkelijk

omdat hij er aan gehecht is; zooals een kind van bepaalde ruige

hoekjes van een wei tegen de helling meer houdt dan van zooveel

andere mooier plekjes, waarvan men verwachten zou, dat ze hem liever

waren. Daarenboven schijnt het, dat de verspreide vogels op de een

of andere onbekende manier rekening met die plaats houden, alsof het

een herberg was, en zoo lang ze in de buurt blijven, zullen ze deze

bepaalde plek dikwijls bezet houden al den tijd dat ze er zijn.

Een mijl of drie noordelijk van de plaats waar ik schrijf, is een

kleine uitgestrektheid hoogopgaand open bosch, waar een paar jagers

jarenlang van hebben geweten en dat ze in 't oog hielden, terwijl

andere er achteloos aan voorbijgingen, want het zou in de heele streek

wel de laatste plek lijken om wild te vinden. Toch, als er ook maar

één houtsnip is in de heele Fairfieldstreek in deze dagen van vele

jagers en weinig vogels, bestaat er kans dat zij daar zal zitten; en

wie er daar geen vindt den eersten morgen na een tijd van veelbelovend

weer, kan er wel bijna zeker van zijn, dat de trek nog niet begonnen

is, of reeds ongemerkt voorbij is gegaan. Verscheiden keeren, nadat

ik een eenzame houtsnip op deze plaats had opgeschrikt, heb 'k er

overal een onderzoek ingesteld naar een oorzaak voor Whitooweek's

wonderlijke voorliefde, maar alles tevergeefs. De grond is kaal

en steenig, met amper een varen, of wortel, of graspol, om zelfs

een houtsnip dekking te geven; en tuur maar zoo zorgvuldig als ge

wilt, ge kunt geen boorgat of bewijs ontdekken, dat Whitooweek er

voedsel gezocht heeft. Naar allen uiterlijken schijn is het de

laatste plaats waar men verwachten zou zoo'n vogel aan te treffen,

en er zijn uitstekende schuilplaatsen vlakbij; toch is dit de plek,

waar Whitooweek overdag graag ligt, en hier zal hij naar terugkeeren,

zoo lang er ook maar één houtsnip overblijft. Jagers mogen de plek

vandaag onveilig maken, en de enkele zeldzame vogels die er nog komen

doodschieten, maar morgen, als er in de heele buurt slechts enkele

vogels zijn, zal precies hetzelfde aantal zich op precies dezelfde

plaats ophouden als waar de eerste geschoten werden.

Ik heb oude jagers gevraagd naar deze plek--die ik ontdekte door twee

houtsnippen tegelijk op te jagen in een tijd, dat er geen enkele

te vinden was, ofschoon er door een heelen troep jonge jagers en

honden naar gespeurd werd--en vernam dat het altijd zoo geweest is,

zoolang zij zich herinneren kunnen. Jaren geleden, toen er volop

waren van die vogels en men ze nog weinig kende, kon men er hier

altijd vijf of zes op een halven bunder, op elk tijdstip van den trek,

aantreffen. Als deze geschoten waren, namen andere hun plaats in en

de voorraad scheen haast niet uitgeput te raken, zoolang er genoeg

vogels in de omringende ruigte waren om er aanvulling uit te krijgen;

maar waarom ze zich meer op deze plek ophouden dan elders, en waarom

de leege plaatsen zoo gauw weer ingenomen worden, dit zijn twee vragen,

die geen mensch beantwoorden kan.

Een jager oppert weifelend dat dit misschien de reden is: dat de

vogels, die gedurende den trek naar 't Zuiden vliegen, op de beste

onbezette plaatsen neerstrijken; en dezelfde verklaring zal bij anderen

opkomen. Er valt tegen in te brengen dat de vogels 's nachts trekken,

en 's nachts is die plaats altijd onbezet. De houtsnippen gebruiken

haar alleen overdag als rustplaats, en 's nachts verspreiden ze

zich ver in 't rond om voedsel te zoeken op vaste plaatsen, waar

ook de trekkende vogels het eerst heengaan; want Whitooweek moet

dikwijls eten, omdat zijn voedsel gemakkelijk verteert, en kan

waarschijnlijk geen vlucht van langen duur uithouden. Hij schijnt

dood op zijn gemak zuidelijk te trekken, en onderweg te eten; zoodat

de nieuw-aangekomenen de vogels op de plaats waar ze eten zouden

aantreffen, àls ze hen eigenlijk wel aantreffen, en bij daglicht van

daaruit met hen mee zouden gaan naar de rustplaatsen, die ze hadden

uitgezocht. Maar hoe vernemen de nieuwelingen, die 's nachts komen

aanvliegen, dat de geliefkoosde plaatsen overdag al zijn ingenomen,

of dat sommige van de vogels, die er zich gisteren bevonden, nu dood

zijn en hun plaatsen leeg? De eenig mogelijke verklaring zou zijn

te zeggen dat het toeval is--wat in 't geheel geen verklaring is,

maar wel een dwaasheid; want toeval, wanneer er werkelijk zoo'n

blind, onredelijk iets in een redelijke wereld bestond, herhaalt

zich niet geregeld--, òf boudweg aan te nemen dat er een bepaalde

verstandhouding bestaat tusschen de vogels, als ze 's nachts af-

en aanfladderen; wat waarschijnlijk zoo is, maar klaarblijkelijk

onmogelijk te bewijzen met onze tegenwoordige beperkte kennis.

Deze voorkeur voor bepaalde plaatsen uit zich nog op een andere wijze,

wanneer ge den kluizenaar op 't spoor zijt. Als hij uit een geliefkoosd

rustoord wordt opgejaagd en niet beschoten, vliegt hij maar een klein

eindje weg, naar de toppen van 't struikgewas en weer terug, en dan

gaat hij kalmpjes weer naar de plaats waar hij opsteeg, zoodra ge

weg zijt. Hij kent ook de krijgslist van den haas, om in een kring

weer tot zijn uitgangspunt terug te keeren; en af en toe, wanneer ge

een vogel opjaagt en scherp toekijkt, kan 't gebeuren dat ge hem op

geruischlooze wieken achter u neer ziet glijden en bijna achter uw

hielen neerstrijken. Eens joeg mijn oude hond Don een houtsnip op

en bleef maar trouw "staan" voor de plek, waar hij gezeten had. Ik

bleef waar ik was, een meter of wat achteruit, en in een oogwenk kwam

Whitooweek aanzwieren achter me, en streek stilletjes neer in wat

varens tusschen mij en den hond en geen tien voet van den staart van

den ouden setter. De list gelukte volkomen, want toen de geur voor

Don's neus vervloog, ging hij naar voren en miste zoo den vogel, die

vlak achter hem aandachtig zat te kijken. Deze eigenaardige gewoonte

kan eenvoudig 't gevolg zijn van Whitooweek's voorliefde voor bepaalde

plaatsen; of misschien zoekt hij 's nachts zorgvuldig de plek uit,

waar hij overdag kan uitrusten en zich verbergen, en keert hij er

terug, omdat hij niet goed een andere kan vinden, als de zon zijn oogen

verblindt; of mogelijk is het doodeenvoudig slechts een list, om het

dier dat hem stoort te misleiden, door er vlak achter neer te strijken,

waar hond noch man er ooit over denken zullen naar hem te zoeken.

's Nachts, wanneer hij uitnemend ziet en zich snel van de eene plek

waar voedsel te vinden is naar de andere beweegt, wordt Whitooweek

gemakkelijk door een licht, van welken aard ook, verblind, en hij is

een van de vele dieren, die komen en gaan binnen den lichtkring van

uw lantaarn. Omdat hij bij zoo'n gelegenheid stil is en snel vliegt,

heeft hij gewoonlijk geen naam--maar zoo'n nachtvogel, meent ge, en

ge laat hem gaan zonder er verder bij te denken. Verscheiden keer,

als ik er met een licht op uittrok, om eens te zien wat voor dieren ik

's nachts wel zou kunnen verrassen en bespieden, heb ik Whitooweek

herkend, die wild rondzwierde om mijn lichtkring. Eens, diep in de

Nieuw-Brunswijksche wildernis, heb ik tegen middernacht twee stroopers

betrapt die zalm spiesten met behulp van een vlammend vuur, op een

rooster over den boeg van hun kano gehangen. Niettegenstaande den

kwaden reuk waarin het staat, is 't een prachtig werk, waar handigheid

en een weergalooze moed bij te pas komen; dus in plaats van ze weg te

jagen, vroeg ik om een plaats in hun lange boomkano, om te zien hoe 't

in zijn werk ging. Toen we de gevaarlijke rivier op- en afzwalkten,

terwijl het harsige dennenhout vlamde en knetterde en de zwarte

schaduwen om ons heensprongen, schoten er twee houtsnippen aan den

oever op en zwierden als dollen om de kano. Eén streek er met haar

vlerken langs mijn gezicht en werd pas verjaagd, toen Sandy in den

boeg een geweldigen stoot met zijn vork gaf en met een zegevierend

gehuil een spartelenden zalm van wel twintig pond achter zich en

mij in den schoot wierp. Maar dien nacht zag ik verscheiden keer

hun wieken even, of hoorde 'k hun zacht, verbaasd gekwetter boven

't gekraak van 't vuur en 't daverend gedonder van de watervallen uit.

Wanneer Whitooweek op zijn trek naar het Zuiden een goed terrein voor

voedsel aantreft, zal hij bij ons blijven als hij niet gestoord wordt,

tot een felle vorst zijn voorraadschuur verzegelt, en den grond te

hard maakt om er met zijn gevoeligen snavel in te kunnen dringen. Dan

glipt hij weg naar 't Zuiden, naar de naastbijzijnde open wel of

beek in de elzen. Niet ver weg, op kaap Shippan, is een kleine bron,

die zelden bevriest en wier water onuitputtelijk is en zelfs midden

in den winter een plek groen geeft.

De landtong is nu dicht met huizen bedekt maar vroeger was 't een goede

plaats voor houtsnippen, en de kleine bron verwelkomde steeds een paar

van die vogels, met het welkom dat alleen een bron geven kan. Het

vorige jaar vond ik tegen Kerstmis een houtsnip, die zich daar best

thuis voelde, geen steenworp van een paar huizen af, en terwijl de

sneeuw overal dik om haar heen lag. Zij was daar achtergebleven weken

nadat alle andere vogels verdwenen waren, óf vastgehouden door oude

gehechtheid en herinneringen aan een tijd, toen slechts de houtsnip

de plek kende, óf anders had zij, gewond en niet in staat te vliegen,

het eenige plekje in de heele streek uitgezocht, waar zij kon blijven

leven en eten vinden, tot haar vleugel genezen zou zijn. De Natuur,

die de menschen wreed noemen, heeft teer voor haar gezorgd, heeft de

wonden geheeld, door den mensch toegebracht, en haar voedsel verschaft

en een veilige schuilplaats, in een tijd dat alle andere plaatsen,

waar eten was te vinden, in den greep van den winter geklonken lagen;

maar de menschen, die zoo goed en verstandig kunnen zijn, zagen geen

dieper beteekenis in dit alles. Den dag, nadat ik haar ontdekt had,

kwam er een jager dien kant uit en was er trotsch op, dat hij de

allerlaatste houtsnip van 't seizoen geschoten had.

Een Broertje van den Beer · 第 6 / 13 题