Whitooweek, de houtsnip, de wonderlijkste kluizenaar die er maar in
de bosschen bestaat, is een geheimzinnige vogel. Slechts de jagers
weten iets van hem af en ze kennen hem voornamelijk als een prachtigen
vogel, die met een verrast gekwetter naar de elzetoppen schiet voor
hun honden, daar even op gonzende wieken zweeft om zijn richting te
bepalen en dan van zijn gunstige uitkijkpunt op het oogenblik van zijn
zegepraal òf dood valt bij 't knallen van hun geweren en 't ritselen
van den hagel door het bladerscherm, òf anders snel wegzeilt in schuine
lijn naar een andere schuilplaats tusschen de elzen. Voor de jagers,
die feitelijk zijn eenige menschelijke bekenden zijn, is hij niets
dan louter wild en hun belangstelling richt zich voornamelijk op zijn
dood. Hij verbergt voor hen, en voor ieder ander, de bijzonderheden van
zijn dagelijksche leven, in de donkere bosschen waar hij alle zonnige
uren doorbrengt, en in de zachte schemering wanneer hij als een uil
buiten rondvliegt na zijn lange dagrust. Van de honderd boeren, op
wier land ik Whitooweek heb aangetroffen, of de sporen dat hij er pas
had gegeten, weten er amper vijf uit eigen aanschouwing dat er zoo'n
vogel bestaat; zoo goed speelt hij voor kluizenaar vlak voor hun neus.
De oorzaken hiervan zijn verschillend. Overdag rust hij op den grond
in een donker hoekje met dicht struikgewas, bij een bruine boomstomp
die precies met zijn veeren overeenkomt, of in een wildernis van dorre
blaren en varens, waar 't bijna onmogelijk is hem te zien. Op zulke
tijden helpt zijn wonderlijke onbevreesdheid voor den mensch hem om
zich te verbergen, want hij zal ons op een afstand van nog geen paar
voet voorbij laten gaan zonder zich te verroeren. Dit komt gedeeltelijk
doordat hij overdag slecht ziet en misschien niet beseft hoe vlakbij
ge zijt, en gedeeltelijk doordat hij weet dat zijn zachte kleuren
hem zoo goed te midden van zijn omgeving dekken dat ge hem niet zien
kunt, hoe na ge ook komt. Dit vertrouwen is niet misplaatst, want eens
zag ik een man over een houtsnip die op haar nest in de wortels van
een oude boomstomp zat te broeden stappen, zonder dat hij haar zag,
en ze verroerde zelfs het tipje van haar langen snavel niet toen
hij voorbijging. In de late schemering, wanneer de houtsnippen voor
't eerst naar buiten komen, ziet ge niets dan een schaduw haastig over
een stukje helderen hemel glijden, als Whitooweek aan de beek in de wei
gaat eten, of hoort ge geritsel in de elzen, als zij de dorre bladen
omwerpt, en een zwak _pieunk_, als 't geluid van een nachtzwaluw in
de verte; en dan vangt ge nog net even een schaduw op die langs den
grond glipt, of een spinnend, vleermuisachtig wiekgeflapper, wanneer
ge nader komt om het te onderzoeken. Geen wonder dat Whitooweek
onder zulke omstandigheden al haar zomers doorbrengt in het bosch
van een boer en er broedsel voor, broedsel na opkweekt van donzige,
onzichtbare kuikentjes, zonder dat zij ooit gesnapt of herkend wordt.
Mijn eigen kennismaking met Whitooweek begon toen 'k een kind was,
toen ik geen naam had om aan den vreemden vogel te geven dien ik dag
in dag uit gadegeslagen had, en zij, wie ik om inlichtingen vroeg,
me uitlachten om mijn beschrijving en zeiden dat zoo'n vogel niet
bestond. Het was vlak achter de weiden, tegen de helling waar de oude
beukenpatrijs woonde. Op de noordelijke hellingen waren wat donkere,
vochtige eschdoornboschjes en daarachter glooide de grond onder
struikgewas en elzen naar een wild weitje waar sleutelbloemen langs
de beek groeiden. Toen ik op een Aprildag door de eschdoornboschjes
sloop, stond ik plotseling stil, omdat ik iets als een diamant aan
mijn voeten zag schitteren. Het was een oog, 't oog van een vogel;
maar het duurde een oogenblik, eer ik tot het besef kwam dat er daar
wezenlijk een vogel op zijn nest zat, tusschen de afgebroken stukken
van een oude boomstomp die er jaren geleden afgevallen waren.
Ik ging voorzichtig achteruit en knielde neer om mijn wonderlijke
vondst te bekijken. Zijn snavel was geweldig lang en recht, en
zijn oogen zaten ergens achter aan zijn kop--dat was wat 'k het
eerst opmerkte. Een ronddwalend paard had zijn hoef in het droge,
vermolmde hout van de omgevallen boomstomp gezet en er een holte
in gemaakt. In deze holte waren wat bladen en dorre grassprieten
verzameld,--een slordig soort van nest, dat toch prachtig aan zijn doel
beantwoordde, want het verborg de broedende moeder zoo mooi, dat men
er op had kunnen trappen zonder ooit te weten dat vogel of nest zoo
in de buurt zaten. Dit was de tweede waarneming die ik verrast deed,
toen ik de zachte omtrekken onderscheidde van den vogel die daar zat,
zonder een zweem van angst blijkbaar, geen tien voet van mijn gezicht.
Ik ging dien dag stilletjes heen en liet hem ongemoeid; en ik herinner
me nog best dat ik iets van de verwondering en iets van den angst ook
met me meedroeg, waar een kind uiteraard voor het eerst de wezens die
in 't wild leven mee tegemoetkomt. Dat hij daar zoo stil en onbevreesd
vóor me zat, was een voldoende reden voor een kind, om aan te nemen dat
hij het een of andere verborgen verdedigingsmiddel had--misschien den
langen snavel, of een verscholen angel--waar je maar liever niet mee
moest spotten. Dat lijkt me nu allemaal zoo heel wonderlijk en ver weg;
maar het was toen echt genoeg voor een heel klein jongetje, alleen in
de donkere bosschen, dat voor den eersten keer een grooten vogel vond
met een geweldig langen snavel en oogen ergens achter aan zijn kop,
waar ze, dat was duidelijk, niet hoorden; een vogel, die daarenboven
niet bang was en heel goed in staat leek om voor zichzelf te zorgen. Ik
ging dus stilletjes heen, een en al verbazing. Den volgenden dag
kwam ik weer terug. De vreemde vogel zat als te voren op zijn nest,
terwijl zijn lange snavel op den rand van de holte rustte en er op 't
eerste gezicht als een takje uitzag. Hij toonde niet de minste vrees,
en aangemoedigd door zijn kalmte en vertrouwen, kroop ik al nader en
naderbij, tot ik zijn snavel met mijn vinger aanroerde en voorzichtig
op zij schoof. Hierop schudde hij dien ongeduldig heen en weer en
mijn eerste kinderlijke waarneming was er een, die pas onlangs door
de natuuronderzoekers gedaan is, namelijk, dat het tipje van den
bovensten snavel buigzaam is en heen en weer bewogen kan worden,
bijna als een vingerlid, om het voedsel te zoeken, dat diep in de
modder steekt, het te grijpen en uit zijn schuilplaats voor den dag
te trekken. Tegelijkertijd uitte hij een eigenaardig sissend geluid,
dat me weer schrik aanjoeg en me aan slangen en verborgen angels deed
denken; dus ik deinsde achteruit en sloeg hem op een veiligen afstand
gade. Hij zat bijna den heelen tijd roerloos; de eenige beweging was,
dat hij zoo nu en dan met den langen snavel draaide; en eens, toen
hij een heele poos stil geweest was, keerde ik zijn kop weer op zij
en tot mijn verbazing en blijdschap stribbelde hij niet tegen, maar
liet zijn kop zooals ik dien gewend had en liet hem me na een tijdje
weer terugdraaien. Na zijn eerste waarschuwing scheen hij den toestand
volkomen te begrijpen, en was hij niet bang voor het kind, dat hem
verwonderd gadesloeg en er volstrekt geen plan op had om hem of zijn
nest kwaad te doen. Anderen hadden gelachen om mijn beschrijving van
een bruinen vogel met een langen snavel en oogen achter op zijn kop,
die toeliet dat je hem op zijn nest aanraakte; dus ik sprak er tegen
hen niet meer over; maar bij de eerste gelegenheid de beste spoorde
ik Natty Dingle op en vertelde er hem alles van. Natty was een goedig
mannetje, een zieltje zonder zorg, dat geen kwaad kon doen en voor
geen geld hard zou werken,--daar kreeg hij 't zoo van in zijn rug,
zei hij--maar dat zich met alle plezier halfdood zou sloven om door
't ijs te gaan visschen of om een buurman te believen. Voor zoover hij
in zijn onderhoud voorzag, deed hij het met jagen en visschen en vallen
zetten en wilde vruchten verzamelen in de verschillende jaargetijden,
en door in 't voorjaar paardebloemen en sleutelbloemen te plukken
en ze met een vriendelijk gezicht van deur tot deur te venten. Het
grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij bij mooi weer door met in de
bosschen rond te dwalen of op zijn rug aan den oever van het meertje,
waar de bosschen het dichtst waren, lui te liggen visschen, en wat te
vangen waar het niemand anders ooit gelukte, of het hol van een otter
te bespieden, waar niemand anders in wel veertig jaar een otter gezien
had. Hij wist alles van de bosschen af, kende elken vogel, elk dier,
elke plant, en voor zoover ik weet was er tenminste één jongen, die
liever een dag met hem ging visschen dan naar den President en zijn
stoet te gaan kijken of naar een paardenspel te gaan.
Anders dan de anderen lachte Natty niet bij mijn beschrijving,
maar luisterde geduldig en vertelde me, dat ik 't nest van een
houtsnip gevonden had--iets zeldzaams, zei hij, want ofschoon hij
zooveel door de bosschen gezworven en in 't seizoen honderden van
die vogels geschoten had, was het hem nog nooit gelukt een nest te
vinden. Den volgenden dag ging hij met me mee om de eieren te zien,
zooals hij zei, maar, als ik er achteraf over denk, geloof ik, dat het
waarschijnlijk met de bedoeling was om nauwkeurig de plaats van het
broedsel te bepalen tegen den jachttijd in Augustus. Toen we om het
eind van den gevallen boomtronk kwamen, werd de houtsnip door haar
vertrouwen in den steek gelaten bij 't gezicht van den vreemdeling
en ze glipte geruischloos in het dichte loover weg. Daarna zagen we
haar vier eieren, heel breed aan het eene eind, heel smal aan het
andere, en prachtig gekleurd en gespikkeld. Natty, die verstandig
was in zijn soort, gluurde maar amper even naar het nest en trok me
toen weg om ons te verstoppen, en eer 'k het wist of ook maar iets
van haar komst gemerkt had, daar zat moeder houtsnip weer op haar
eieren te broeden. Daarop fluisterde Natty, die een gedeelte van mijn
verhaal gewantrouwd had, me toe er weer uit te kruipen; en de vogel
verroerde zich niet, toen ik op handen en voeten naderkroop en hem
als den vorigen keer aanraakte. Even later kropen we stilletjes weg
en nam Natty me mee naar 't moeras om me de boorgaten te laten zien,
terwijl hij me onderweg over de gewoonten van de houtsnip vertelde,
zooals hij die onder 't jagen in den herfst gezien had. We vonden
overal boorgaten, waar de grond maar zacht was--ontelbare gaten,
alsof ze met een potlood gemaakt waren, waar de houtsnip de aarde
met haar langen snavel onderzocht had. Ze aasde op wormen, vertelde
Natty me--een zonderlinge vergissing van hem, en evenzeer van alle
vogelboeken, want in de oude elzenboschjes en moerassen, waar de
boorgaten zoo dikwijls worden waargenomen, zijn geen regenwormen,
slechts slakken en zachte torren en weeke, witte larven. De houtsnip
jaagt op 't gevoel en door den reuk en ook door te luisteren naar
de zwakke geluiden, die de wormen onder den grond maken, vertelde
hij mij, en daarom staan haar oogen zoo ver achter aan den kop,
om niet in den weg te zitten, en ook om op 't gevaar boven en
achter zich te letten, terwijl de snavel van den vogel diep in de
modder steekt. En dit verklaart ook, waarom het topje van den snavel
buigzaam is, zoodat de gevoelige tip, als de vogel in den grond boort
en het hem niet gelukt de juiste plaats van zijn prooi te bepalen op
't gehoor, rondvoelt als een vinger, tot ze de lekkernij ontdekt en
beetgrijpt. Al deze dingen en nog veel meer vertelde hij me, terwijl
we het moeras afzochten naar teekenen van moeder houtsnips jachten
en samen in de schemering naar huis togen. Sommige dingen waren waar,
andere onjuist; en nog andere waren een eigenaardig mengelmoes van
nauwkeurige overleveringen en folkloristische bedenksels uit een
onbekende bron, zooals nog overal buiten voor kennis van vogels en
andere dieren gelden; en deze waren de merkwaardigste van allemaal
voor een kind. En de jongen luisterde, zooals een dweper naar een
groot gewijd concert luistert, en herinnerde zich later al die dingen
en zifte ze en onderzocht zelf, wat er waars aan was.
Toen ik een paar dagen later naar de plek terugkeerde, was het nest
verlaten. Een paar verstrooide stukjes eierbast vertelden me de
geschiedenis, en dat ik nu zoeken moest naar de jonge houtsnippen,
die bijna onmogelijk te vinden zijn, als de moeder zelf je niet wijst
waar ze zitten. Een week later, terwijl ik langs den zoom van het
moeras sloop, leek het alsof een kleine, bruine warrelwind plotseling
de bladen aan mijn voeten opjoeg. Er middenin onderscheidde ik de
houtsnip, die wegfladderde, al klokkend en nu met een vleugel, dan
met een poot slepend, alsof ze vreeselijk gekwetst was. Natuurlijk
volgde ik haar om te zien, wat er aan de hand was, en dacht niet aan
de patrijs, die me eens op dezelfde aardige manier beet had gehad om me
listig van haar kuikens weg te lokken. Toen ze me veilig op een afstand
gebracht had, verdwenen al haar kwetsuren als bij tooverslag. Ze steeg
op met forsche wieken, zwierde het moeras over en kringde snel terug
naar waar 'k haar 't eerst had opgeschrikt. Maar ik vond niet een
van de jonge houtsnippen, ofschoon 'k er een half uur naar zocht en
er waarschijnlijk vier tusschen de bladeren en gras- sprieten vlak
voor mijn oogen verscholen zaten.
De wonderbaarlijke kennis, uit Natty Dingle's voorraad opgedaan
en van de boorgaten in 't moeras, bracht me eenige weken later
in moeite en strijd. Niet ver van me af woonde een buurjongen, een
natuuronderzoeker in den dop, die een grooten, gelen kater thuis had,
Blink genaamd. Blink was een zonderlinge oude kater, en de grootste
jager, dien 'k ooit gezien heb. Hij wist bijvoorbeeld waar een mol
in zijn lange gang gesnapt kon worden en--dat is iets wat me nog een
raadsel is--ving ze bij massa's; maar, als de meeste katten, hij kon
er nooit toe gebracht worden er een op te eten. Wanneer hij een mol
ving, als hij honger had, begroef hij hem en ging weg om een muis of
een vogel te vangen; en deze at hij op, terwijl hij den mol bewaarde
om hem als buit mee thuis te brengen. Hij jaagde urenlang in z'n
eentje en kwam miauwend thuis met alles wat hij gevangen had--ratten,
eekhoorns, konijnen, kwartels, patrijzen, en zelfs sprinkhanen, als
er geen grooter wild op pad was. Uit de verte kon je zijn jachtkreet
hooren, een eigenaardig _miauw-iauw_, dat hij slechts dan uitte,
wanneer hij iets gevangen had; en de jongen liep dan gauw naar buiten
hem tegemoet om hem zijn buit af te nemen, terwijl Blink snorde en zich
langs zijn beenen wreef om zijn trots en voldoening te toonen. Als hem
niemand tegenkwam, liep hij eens of tweemaal om het huis te miauwen
en legde zijn prooi dan onder de stoep, waar onze neuzen er al gauw
de aandacht op moesten vestigen, want Blink raakte ze nooit meer aan.
Eens vond de jongen een vreemden vogel onder het trapje, een mooi,
bruin diertje, zoo groot als een duif, met een langen, rechten snavel
en oogen boven op zijn kop. Hij bracht hem naar zijn vader, een pedant
heerschap, dat hem een zonderling mengelmoes van waarheid en onzin als
"natuurlijke historie" opdischte. Hij zei, dat het een blinde snip was
(en daar stak wat waars in), die niet zien kon, doordat zijn oogen niet
op hun plaats zaten; het was een heel zeldzame vogel, die zoo nu en dan
in 't najaar voorkwam, en die zich 's winters in de modder begroef in
plaats van op den trek te gaan,--en dat alles was grootendeels onzin.
Toen de jongen me meenam om zijn zonderlinge vondst te kijken, noemde
ik het een houtsnip en begon er gretig van te vertellen, maar werd
tot zwijgen gebracht en een leugenaar genoemd voor mijn moeite. Er
volgde een woordenrijke twist, waarin tevergeefs een beroep gedaan
werd op Natty Dingle's gezag; en de jongen, die grooter was dan ik en
op zijn eigen erf, joeg me ten slotte weg, omdat ik het gewaagd had
hem van een vogel wat te vertellen, dien zijn eigen kat gevangen had
en dien zijn eigen vader een blinde snip genoemd had. Hij keilde me
nog een extra steen na, omdat 'k gezegd had, dat er massa's in de
buurt zaten, maar dat ze net als uilen 's nachts aten, en nog een
steen, omdat 'k teruggeroepen had, dat ze niet als schildpadden met
droog weer in de modder kropen, zooals zijn orakel verklaard had. En
hoogst waarschijnlijk zult ge over 't algemeen hetzelfde onbekookte
doorslaan ontmoeten, wanneer en waar ge ook tegen de vooroordeelen van
z.g. natuurkenners opkomt. Luister naar alles wat ze beweren--dat de
aarde vlak is, dat de zwaluwen den winter in de modder doorbrengen,
dat de dieren geheel door instinct beheerscht worden--maar haal vooral
geen feiten aan die ge zelf misschien gezien hebt, eer de wereld er
rijp voor is. Want het is beter om iets een blinde snip te noemen tegen
beter weten in, dan een familieveete te veroorzaken en een steen naar
't hoofd te krijgen, omdat ge 't een houtsnip hebt genoemd.
De jonge houtsnippen, ofschoon nauwelijks grooter dan dikke hommels,
draven onvermoeid net als jonge patrijzen rond, zoodra ze de schaal
maar kapot gepikt hebben, en beginnen dadelijk van de moeder te
leeren waar ze naar eten moeten zoeken. In de vroege schemering, als
ze minder schuw zijn en de moeder niet zoo gauw gaat wegfladderen om
je mee te lokken, heb ik soms een broedsel verrast--kleine, donzige,
onzichtbare dingetjes, elk met een grappig langen snavel en een streep
over den rug, die 't kleine geval wel in tweeën lijkt te verdeelen, en
een helft van hem verbergt, zelfs als ge de andere al ontdekt hebt. De
moeder is er bij en gaat ze haastig voor tusschen de moeraspollen en
de varens en de elzestammen, waar ze rondscharrelen, de dorre blaren,
doode takjes, stukjes vochtigen bast met hun snavel omwippen om de
larven, die er zich onder verschuilen, net een troepje voddenrapers,
elk met een stokje om de dingen te wenden. Moeder en kuikens hebben
bij zoo'n gelegenheid een tevreden gekwetter, dat ik nooit in andere
omstandigheden gehoord heb, en dat waarschijnlijk de bedoeling heeft
om elkaar aan te moedigen en 't heele troepje binnen 't gehoor te
houden, als ze rondsnellen in de schemering.
Wanneer ze hun voer ver van het nest moeten zoeken, zooals dikwijls
het geval is, heeft Whitooweek twee gewoonten, die, meen ik, bij
andere vogels waarop gejaagd wordt niet voorkomen--behalve misschien
bij de plevier; en ik ben nooit in de gelegenheid geweest de jongen
van deze vogels te bespieden, ofschoon elke nieuwe waarneming van de
oude dient om er mij van te overtuigen, dat zij de merkwaardigste van
de vogels zijn die ons bezoeken, en het minst begrepen worden. Wanneer
het eten op een langen afstand gehaald moet worden, verstopt de moeder
haar broedsel en gaat het zelf halen. Bij haar terugkomst voert ze de
kuikens als een duivenmoeder, door haar snavel in hun hals te steken
en ze elk hun deel te geven; af en aan gaat het, tot ze genoeg hebben;
dan laat zij ze weer in hun schuilplaats en zoekt eten voor zichzelf
gedurende de rest van den nacht. Evenals de meeste andere jonge dieren,
die zoo door hun moeder worden achtergelaten, komen ze nooit van de
plek af, waar hun gezegd is, dat ze blijven moeten, en kunnen er haast
niet van verjaagd worden, eer de moeder terugkeert. En gewoonlijk,
wanneer ge een broedsel jonge houtsnippen zonder de moeder aantreft,
zullen ze het toelaten, dat ge ze opneemt, en als dood in uw hand
liggen; ze houden zich dan zoo, tot ge ze weer neerzet.
Wanneer er een goede voerplaats bij de hand is, maar toch te ver
voor de kleintjes om er heen te gaan, haalt de moeder ze er een voor
een en verstopt ze op een verborgen plekje, tot ze 't heele troepje
overgebracht heeft. Ik heb houtsnippen een paar keer met hun jongen
zien wegvliegen; en eens zag ik een moeder naar de plek terugkeeren,
waar ze even te voren vandaan was gevlogen met een kuiken, en een
ander onder een blad weghalen, waar 'k het niet gezien had. Deze
eigenaardige handelwijze wordt door de moeders niet alleen toegepast
om de jongen naar geliefkoosde voerplaatsen te brengen, maar ook
om ze gauw uit den weg te krijgen, als er plotseling gevaar dreigt,
zooals brand of overstrooming, waar geen wegschuilen voor helpt.
Voor zoover ik kan beoordeelen hoe 't gebeurt (maar het gaat altijd
heel snel, en 't is buitengewoon moeilijk te volgen), strijkt de
moeder vlak boven het kuiken neer, of ze loopt tot ze er boven is,
en houdt het onder 't vliegen tusschen haar knieën. Zoo komt het mij
voor dat het geschiedt, nu 'k het verscheiden keer heb gezien. Er zijn
er--en wel jagers en scherpe waarnemers--die beweren, dat de moeder ze
in haar bek draagt, zooals een kat een poesje; maar hoe dit mogelijk
is zonder de kleintjes te doen stikken, is mij onbegrijpelijk. De
snavel is aan het uiteinde niet stevig genoeg, dunkt mij, om ze bij
een vleugel te houden; en ze in den nek te pakken, als in een schaar,
en ze zoo te dragen, zou ze naar 't mij voorkomt op een eenigszins
lange vlucht stellig en zeker wurgen of wonden; en dat is de wijze
niet, waarop wilde moeders met hun jongen plegen om te springen.
Er is nog een manier denkbaar waarop Whitooweek haar jongen kan
dragen, ofschoon ik het nooit gezien heb. Een oude jager en scherp
opmerker van het natuurleven, met wien ik soms door de bosschen zwerf,
stond eens plotseling voor een houtsnip-moeder en haar broedsel bij
een beekje aan den voet van een ongerepte heuvelhelling. Een van de
kuikens rustte boven op den rug der moeder, zooals men dikwijls bij
tamme kuikens ziet. Bij de plotselinge nadering van mijn vriend rees
de moeder overeind met het kuiken op haar rug en verdween er mee
in de dichte bladeren. De rest van het broedsel, drie waren 't er,
verdween onmiddellijk; en toen de man er een gevonden had, ging hij
maar verder zonder af te wachten, of de moeder voor de andere ook
terugkwam. Ik geef deze gebeurtenis voor wat ze mogelijk waard is,
om aan de hand te doen op welke wijze 't zou kunnen zijn, dat jonge
houtsnippen verdragen worden; maar ik ben er heel zeker van, dat
die welke onder mijn eigen aandacht zijn gevallen, op een geheel
verschillende manier gedragen werden.
De jonge houtsnippen beginnen hun kleine vlerkjes te gebruiken, als
ze nog geen paar dagen uit het ei zijn, zelfs nog eerder dan jonge
kwartels, en ze vliegen in een opmerkelijk korten tijd. Ze groeien
verwonderlijk snel, zoodat het gezin dikwijls al vroeg in den zomer
uiteengaat en elk voor zichzelf gaat zorgen, terwijl de moeder in de
gelegenheid is om weer een broedsel groot te brengen. Ze trekken dan
ver op zoek naar voedsel waar ze van houden, en komen dikwijls op de
boerenerven, waar ze den halven nacht doorbrengen bij de afvoergoten
en de stallen als het huis stil is, en haastig verdwijnen op 't
eerste gerucht; zoodat Whitooweek dikwijls een geregeld bezoeker is
op plaatsen, waar men haar nooit ziet of vermoedt.
Door haar verzotheid op aardwormen heeft Whitooweek lang geleden een
paar dingen geleerd, waar een mensch in zijn heele leven nog niet
achterkomt, namelijk, dat het veel gemakkelijker en eenvoudiger is
om wormen op te rapen dan er naar te graven. Als een jongen naar ze
moet graven voor aas, tot belooning waarvan hij met de ouderen uit
visschen mag, zal hij met droog weer vaak een halven dag zoekbrengen,
en hard werken met heel weinig resultaat; want de wormen zitten bij
zoon gelegenheid diep in den grond en kunnen alleen op heel gunstige
plaatsen gevonden worden. Ondertusschen zal de vader, die zijn jongen
uitgestuurd heeft om te graven, na 't avondeten een prettig uurtje
doorbrengen met zijn groene grasperk te besproeien. De wormen beginnen
zich naar boven te werken op het eerste getik van de water droppels,
en krioelen tegen middernacht bij honderden over 't gras, groote,
stevige dikkerds, net goed om forellen mee te vangen. Ze blijven 't
grootste gedeelte van den nacht aan de oppervlakte; en daarom vangt
de vroege vogel den worm in plaats van hem uit te graven, zooals
de slaperige menschen doen moeten. Middernacht is de beste tijd om
er met een lantaarn op uit te gaan en al het aas te bemachtigen dat
men noodig heeft, zonder moeite of gezeur. Dat is ook de tijd dat men
Whitooweek hoogstwaarschijnlijk aan dezelfde bezigheid zal vinden. Den
vorigen zomer joeg ik in den laten avond twee houtsnippen van mijn
buurmans grasveld op; en er gaat nauwelijks een zomer voorbij, dat we
niet met verbazing lezen hoe ze binnen de grenzen van een groote stad
als New-York worden aangetroffen, waar ze 's nachts van uit de verte
heen zijn getrokken om de kostelijke grasperken af te jagen. Voor
dienzelfden regenwormenkost komen ze ook in de tuinen; en vaak zal
men op een plaats, waar het heet dat geen houtsnippen voorkomen,
onder de koolblaren, of in de koele schaduw van het dichte korenveld,
de ronde gaten aantreffen, waar Whitooweek de zachte aarde op larven
en wormen onderzocht heeft, terwijl wij sliepen.
Tegen het midden van den zomer komt er een eigenaardige verandering
over Whitooweek; de broze gezinsbanden worden verbroken en de vogel
wordt een echte kluizenaar voor het overige jaar. Hij leeft geheel
in z'n eentje en zelfs in het seizoen van den trek vereenigt hij
zich niet met zijn makkers tot groote troepen, zooals de meeste
andere vogels; en niemand heeft, voor zoover ik weet, ooit iets
gezien, dat ook maar in de verte een zwerm houtsnippen genoemd
kon worden. De eenige uitzondering die ik op dezen regel ken, zijn
de zeldzame gelegenheden, dat we een mannetjeshoutsnip verrassen,
hoe hij als een hazelhoen op een boomstam paradeert, terwijl hij
vlerken en staart uitbreidt en wonderlijk sist en sputtert onder
't op- en neergaan. Wie dan naderkruipt, zal nog twee of drie vogels
opjagen, die naast den boomtronk of in 't kreupelhout vlakbij staan te
kijken. Onlangs vertelde een jager me dat zijn setter eens voor een
vogel op een omgevallen boom "gestaan" had, die met zijn geparadeer
ophield, zoodra hij ontdekt was, en neerglipte in de varens. Toen de
hond naderbij kwam, werden er vijf houtsnippen op 't zelfde oogenblik
opgejaagd, het grootste aantal dat, voor zoover ik weet, ooit samen
is aangetroffen.
Toen ik den ongeleerden jager--maar hij was wijs waar het de
bosschen betrof--naar de reden vroeg van Whitooweeks geparadeer in
dit jaargetijde, nadat de gezinnen uiteen zijn gegaan, had hij geen
meening of verklaring. "Och, zoo'n gekke manier van doen, net als
van de meeste vogels, maar nog gekker" zei hij en daar liet hij 't
bij. Ik heb die gewoonte maar ééns gezien, en toen maar half, want
ik liep onbesuisd op twee of drie vogels in en joeg ze op, eer ik de
vertooning kon waarnemen. Het is zeker niet om zijn wijfje te winnen,
want het seizoen daarvoor is lang voorbij; en als het niet wijst op de
gewoonte der hazelhoenders om zich in kleine groepjes te verzamelen
tot een soort van rustieken dans, ben ik niet bij machte om er een
opheldering van te geven. Mogelijk is spelen even verleidelijk voor
Whitooweek, als het voor alle andere vogels is; en het spel alleen
kan hem doen vergeten, dat hij een kluizenaar is.
Zoodra de dooi invalt, verlaten de vogels de bosschen en moerassen,
waar ze grootgebracht werden, en verdwijnen totaal. Waar ze gedurende
dezen tijd heengaan, is een diep geheim. Op plaatsen waar er gisteren
nog een dozijn van deze vogels waren, is er vandaag niet éen; en als
men er toevallig een aantreft, is het gewoonlijk op een plek, waar
men er nog nooit eerder een gevonden heeft, ofschoon men al jaren lang
geregeld op die plaats komt. Dit is des te merkwaardiger als we denken
aan het feit dat de houtsnip, evenals de meeste andere vogels, bepaalde
geliefkoosde plekjes heeft, waar zij jaar in, jaar uit terugkeert
om er te nestelen of te eten of te slapen. Af en toe kunt ge in dit
jaargetij een eenzamen vogel op een droge, zuidelijke heuvelhelling,
of aan den zonnigen zoom van de groote bosschen aantreffen. Hij levert
nu een treurig gezicht op, want hij heeft bijna geen veeren meer over
om hem te dekken en hij kan slechts wegfladderen of -draven bij uw
nadering. Als ge het zeldzame geluk hebt hem nu te verrassen, terwijl
hij u niet ziet, zult ge iets eigenaardigs opmerken. Hij staat naast
een boomstomp of wat varens, waar de zon lekker op zijn kalen rug kan
schijnen, alsof hij zich stond te warmen aan den haard der natuur. Zijn
lange snavel rust met den tip op den grond, alsof hij een stut was,
die zijn kop ondersteunde. Hij slaapt; maar als ge nader kruipt en
uw kijker op hem richt, zult ge merken, dat hij met half geloken
oog slaapt. Het lijkt, alsof het onderste lid is opgetrokken tot
het slechts 't halve oog bedekt; maar de bovenste helft is helder,
zoodat hij onder 't slapen boven en achter zich op zijn vijanden
kan letten. Bij zulke gelegenheden geeft hij heel weinig geur af,
en uw hond met zijn scherpen neus, die in 't najaar op een steenworp
afstand lucht van hem zou krijgen, zal er nu vlak langs gaan zonder
hem op te merken en moet bijna over den vogel heenloopen, eer hij
"staat" of eenig teeken geeft, dat er wild in de buurt zit.
Jagers zeggen, dat die verspreide vogels de dieren zijn, die de meeste
veeren verloren hebben en dat ze op de zonnige open plekken blijven
om warm te worden. Misschien hebben ze gelijk; maar we moeten dan toch
nog dit vragen: wat doen deze zelfde vogels dan 's nachts, als de lucht
kouder is dan overdag? En, als om de opvatting te weerleggen: wanneer
men één vogel op een zonnige, open heuvelhelling heeft aangetroffen,
zal men er den volgenden dag een op een mijl afstand in 't hartje
van een groot korenveld vinden slapen, waar de zon hem den heelen
dag nauwelijks aanraakt.
Wat ook de reden voor hun handelwijze is, deze vogels, die men in
Juli aantreft, zijn zeldzame, onbegrijpelijke wezens. Het meerendeel
verdwijnt en ge kunt ze niet vinden. Of ze ver in 't rond zich
verspreiden naar dichte schuilplaatsen en door doodstil neer te duiken
aan een ontdekking ontsnappen, of dat ze, als sommige snippen, in den
dooitijd een korten trek naar het Noorden doen om de eenzaamheid te
zoeken voor verandering van voedsel, moet nog ontdekt worden. Want
het is verbazingwekkend hoe bitter weinig wij van een vogel weten,
die in onze koeienweiden nestelt en die 's nachts dikwijls onze erven
en grasperken bezoekt, maar met wien we slechts kennis maken wanneer
hij dood is en als een heerlijk hapje, warm op geroosterd brood,
op onzen disch wordt opgediend.
In 't voorjaar, als hij een wijfje zoekt, heeft Whitooweek een
gewoonte, aan den zoom van het elzenhout waargenomen, genomen, die
ons onmiddellijk herinnert aan de grasplevieren [9] van de open venen
en hooglanden, en aan hun nog schuwer naamgenooten van de eindelooze
vlakten op Labrador. Inderdaad, in zijn voorliefde voor afgebrande,
eindelooze stukken land, waar hij zich in 't volle gezicht verbergen
kan en ontelbare sprinkhanen en krekels kan vangen, zonder dat hij zich
om verandering van voedsel hoeft te bekommeren, en in een weergalooze
ongedurigheid en onbevreesdheid voor den mensch, heeft Whitooweek
vele punten van overeenkomst met de bijna onbekende plevieren.
Wie in de avondschemering langs den boschzoom sluipt, zal een flauw
_pienk_, _pienk_, vlak bij zich hooren, en als hij zich omkeert om te
luisteren waar het geluid vandaan komt, zwiert er snel in schuine lijn
een houtsnip boven zijn hoofd en begint spiraalsgewijze naar den hemel
te kringen, terwijl hij in de grootste opwinding klokt en twettert. Het
is maar een armzalig soort liedje, niet te vergelijken met dat van den
ovenvogel [10], of de grasplevier, die in de schemering net zoo doen,
en Whitooweek moet zijn stem te hulp komen met 't geklep van zijn
vleugels en de lucht die er door gonst, zoodat 't doet denken aan
de schrille stem van een riethalm bij winderig weer; maar het klinkt
ongetwijfeld lieflijk genoeg voor het bruine wijfje, dat roerloos vlak
bij ons staat te gluren en te luisteren naar de voorstelling. Op een
voor hem geweldige hoogte tolt Whitooweek een poosje als bezeten rond
en dan herhaalt hij zijn spiraal naar beneden, al dien tijd klokkend en
twetterend, tot hij de boomtoppen bereikt, waar hij recht boven zijn
wijfje zijn vleugels opvouwt en als een schietlood neervalt. Maar
ze verroert zich nog niet, want ze weet best wat er komt, en nog
geen paar voet van den grond spreidt Whitooweek zijn vleugels wijd
uit om zijn val te breken en komt rustig vlak naast haar neer. Daar
blijft hij even heel stil, alsof hij uitgeput was; maar het volgende
oogenblik stapt hij met uitgespreide vleugels en staart als een wilde
kalkoensche haan om haar heen, laat al zijn goede eigenschappen op zijn
voordeeligst uitkomen, en is op zijn vertooningen zoo ijdel als een
pauw in de lentezon. Weer is hij rustig; er klinkt een zwak _pienk_,
_pienk_, alsof het wel een mijl weg was; en weer zwiert Whitooweek op
snelle wieken schuin omhoog om zijn extatische bewegingen te herhalen.
Beide vogels zijn bij zulke gelegenheden verwonderlijk weinig bang
voor menschen, en als iemand zich niet beweegt, of wanneer hij het
doet heel voorzichtig, dan schenken ze er niet meer aandacht aan, dan
alsof hij een van de koeien was, die de eerste grassprietjes vlakbij
afgrazen. Evenals de gouden plevier, die haar leven grootendeels in
de uitgestrekte eenzaamheid van Labrador en Patagonië doorbrengt, en
wier natuur een eigenaardige mengeling is van uiterste schuwheid en
verregaande domheid, schijnen ze geen instinctieve vrees voor eenig
groot dier te hebben; en de vrees, die Whitooweek heeft aangeleerd,
is het gevolg van 't feit dat er voortdurend op hem wordt jacht
gemaakt. Zelfs hierin leert hij langzamer dan eenig ander gevleugeld
wild, en als hij eens een poosje aan zichzelf wordt overgelaten,
keert hij ook al spoedig tot zijn natuurlijke vertrouwelijkheid terug.
Wanneer het herfst wordt, zult ge nog op een andere wijze in Whitooweek
aan de onbekende plevier herinnerd worden. Evenals ge vol vertrouwen de
komst van de plevier tegemoet ziet in den eersten zwaren Noordooster na
twintig Augustus, zoo zal de eerste herfstmaan, die door dichten mist
verduisterd is, stellig de houtsnip naar haar gewone verblijfplaatsen
terugvoeren. Maar waarom zij op volle maan wacht en dan op een killen
mist om die te bedekken, eer zij haar vlucht naar het Zuiden begint,
is weer een mysterie. Anders dan de plevieren, die bij honderden
aankomen en wier bovenaardsche kreet, snerpend boven het gebulder van
den storm en 't neergutsen van den regen uit, ons tegen middernacht
uit bed roept en doet beven van opwinding, en luisteren, en nog eens
beven, komt Whitooweek zwijgend en eenzaam aanglippen; en 's morgens
gaan we uit, alsof 't afgesproken werk was, en vinden we hem rustig
slapen, precies waar we hem verwachtten.
Met den eersten najaarstrek komt er nog een eigenaardigheid uit,
namelijk, dat Whitooweek een voorliefde heeft voor sommige plaatsen,
niet om voedsel of beschutting die hij daar vindt, maar klaarblijkelijk
omdat hij er aan gehecht is; zooals een kind van bepaalde ruige
hoekjes van een wei tegen de helling meer houdt dan van zooveel
andere mooier plekjes, waarvan men verwachten zou, dat ze hem liever
waren. Daarenboven schijnt het, dat de verspreide vogels op de een
of andere onbekende manier rekening met die plaats houden, alsof het
een herberg was, en zoo lang ze in de buurt blijven, zullen ze deze
bepaalde plek dikwijls bezet houden al den tijd dat ze er zijn.
Een mijl of drie noordelijk van de plaats waar ik schrijf, is een
kleine uitgestrektheid hoogopgaand open bosch, waar een paar jagers
jarenlang van hebben geweten en dat ze in 't oog hielden, terwijl
andere er achteloos aan voorbijgingen, want het zou in de heele streek
wel de laatste plek lijken om wild te vinden. Toch, als er ook maar
één houtsnip is in de heele Fairfieldstreek in deze dagen van vele
jagers en weinig vogels, bestaat er kans dat zij daar zal zitten; en
wie er daar geen vindt den eersten morgen na een tijd van veelbelovend
weer, kan er wel bijna zeker van zijn, dat de trek nog niet begonnen
is, of reeds ongemerkt voorbij is gegaan. Verscheiden keeren, nadat
ik een eenzame houtsnip op deze plaats had opgeschrikt, heb 'k er
overal een onderzoek ingesteld naar een oorzaak voor Whitooweek's
wonderlijke voorliefde, maar alles tevergeefs. De grond is kaal
en steenig, met amper een varen, of wortel, of graspol, om zelfs
een houtsnip dekking te geven; en tuur maar zoo zorgvuldig als ge
wilt, ge kunt geen boorgat of bewijs ontdekken, dat Whitooweek er
voedsel gezocht heeft. Naar allen uiterlijken schijn is het de
laatste plaats waar men verwachten zou zoo'n vogel aan te treffen,
en er zijn uitstekende schuilplaatsen vlakbij; toch is dit de plek,
waar Whitooweek overdag graag ligt, en hier zal hij naar terugkeeren,
zoo lang er ook maar één houtsnip overblijft. Jagers mogen de plek
vandaag onveilig maken, en de enkele zeldzame vogels die er nog komen
doodschieten, maar morgen, als er in de heele buurt slechts enkele
vogels zijn, zal precies hetzelfde aantal zich op precies dezelfde
plaats ophouden als waar de eerste geschoten werden.
Ik heb oude jagers gevraagd naar deze plek--die ik ontdekte door twee
houtsnippen tegelijk op te jagen in een tijd, dat er geen enkele
te vinden was, ofschoon er door een heelen troep jonge jagers en
honden naar gespeurd werd--en vernam dat het altijd zoo geweest is,
zoolang zij zich herinneren kunnen. Jaren geleden, toen er volop
waren van die vogels en men ze nog weinig kende, kon men er hier
altijd vijf of zes op een halven bunder, op elk tijdstip van den trek,
aantreffen. Als deze geschoten waren, namen andere hun plaats in en
de voorraad scheen haast niet uitgeput te raken, zoolang er genoeg
vogels in de omringende ruigte waren om er aanvulling uit te krijgen;
maar waarom ze zich meer op deze plek ophouden dan elders, en waarom
de leege plaatsen zoo gauw weer ingenomen worden, dit zijn twee vragen,
die geen mensch beantwoorden kan.
Een jager oppert weifelend dat dit misschien de reden is: dat de
vogels, die gedurende den trek naar 't Zuiden vliegen, op de beste
onbezette plaatsen neerstrijken; en dezelfde verklaring zal bij anderen
opkomen. Er valt tegen in te brengen dat de vogels 's nachts trekken,
en 's nachts is die plaats altijd onbezet. De houtsnippen gebruiken
haar alleen overdag als rustplaats, en 's nachts verspreiden ze
zich ver in 't rond om voedsel te zoeken op vaste plaatsen, waar
ook de trekkende vogels het eerst heengaan; want Whitooweek moet
dikwijls eten, omdat zijn voedsel gemakkelijk verteert, en kan
waarschijnlijk geen vlucht van langen duur uithouden. Hij schijnt
dood op zijn gemak zuidelijk te trekken, en onderweg te eten; zoodat
de nieuw-aangekomenen de vogels op de plaats waar ze eten zouden
aantreffen, àls ze hen eigenlijk wel aantreffen, en bij daglicht van
daaruit met hen mee zouden gaan naar de rustplaatsen, die ze hadden
uitgezocht. Maar hoe vernemen de nieuwelingen, die 's nachts komen
aanvliegen, dat de geliefkoosde plaatsen overdag al zijn ingenomen,
of dat sommige van de vogels, die er zich gisteren bevonden, nu dood
zijn en hun plaatsen leeg? De eenig mogelijke verklaring zou zijn
te zeggen dat het toeval is--wat in 't geheel geen verklaring is,
maar wel een dwaasheid; want toeval, wanneer er werkelijk zoo'n
blind, onredelijk iets in een redelijke wereld bestond, herhaalt
zich niet geregeld--, òf boudweg aan te nemen dat er een bepaalde
verstandhouding bestaat tusschen de vogels, als ze 's nachts af-
en aanfladderen; wat waarschijnlijk zoo is, maar klaarblijkelijk
onmogelijk te bewijzen met onze tegenwoordige beperkte kennis.
Deze voorkeur voor bepaalde plaatsen uit zich nog op een andere wijze,
wanneer ge den kluizenaar op 't spoor zijt. Als hij uit een geliefkoosd
rustoord wordt opgejaagd en niet beschoten, vliegt hij maar een klein
eindje weg, naar de toppen van 't struikgewas en weer terug, en dan
gaat hij kalmpjes weer naar de plaats waar hij opsteeg, zoodra ge
weg zijt. Hij kent ook de krijgslist van den haas, om in een kring
weer tot zijn uitgangspunt terug te keeren; en af en toe, wanneer ge
een vogel opjaagt en scherp toekijkt, kan 't gebeuren dat ge hem op
geruischlooze wieken achter u neer ziet glijden en bijna achter uw
hielen neerstrijken. Eens joeg mijn oude hond Don een houtsnip op
en bleef maar trouw "staan" voor de plek, waar hij gezeten had. Ik
bleef waar ik was, een meter of wat achteruit, en in een oogwenk kwam
Whitooweek aanzwieren achter me, en streek stilletjes neer in wat
varens tusschen mij en den hond en geen tien voet van den staart van
den ouden setter. De list gelukte volkomen, want toen de geur voor
Don's neus vervloog, ging hij naar voren en miste zoo den vogel, die
vlak achter hem aandachtig zat te kijken. Deze eigenaardige gewoonte
kan eenvoudig 't gevolg zijn van Whitooweek's voorliefde voor bepaalde
plaatsen; of misschien zoekt hij 's nachts zorgvuldig de plek uit,
waar hij overdag kan uitrusten en zich verbergen, en keert hij er
terug, omdat hij niet goed een andere kan vinden, als de zon zijn oogen
verblindt; of mogelijk is het doodeenvoudig slechts een list, om het
dier dat hem stoort te misleiden, door er vlak achter neer te strijken,
waar hond noch man er ooit over denken zullen naar hem te zoeken.
's Nachts, wanneer hij uitnemend ziet en zich snel van de eene plek
waar voedsel te vinden is naar de andere beweegt, wordt Whitooweek
gemakkelijk door een licht, van welken aard ook, verblind, en hij is
een van de vele dieren, die komen en gaan binnen den lichtkring van
uw lantaarn. Omdat hij bij zoo'n gelegenheid stil is en snel vliegt,
heeft hij gewoonlijk geen naam--maar zoo'n nachtvogel, meent ge, en
ge laat hem gaan zonder er verder bij te denken. Verscheiden keer,
als ik er met een licht op uittrok, om eens te zien wat voor dieren ik
's nachts wel zou kunnen verrassen en bespieden, heb ik Whitooweek
herkend, die wild rondzwierde om mijn lichtkring. Eens, diep in de
Nieuw-Brunswijksche wildernis, heb ik tegen middernacht twee stroopers
betrapt die zalm spiesten met behulp van een vlammend vuur, op een
rooster over den boeg van hun kano gehangen. Niettegenstaande den
kwaden reuk waarin het staat, is 't een prachtig werk, waar handigheid
en een weergalooze moed bij te pas komen; dus in plaats van ze weg te
jagen, vroeg ik om een plaats in hun lange boomkano, om te zien hoe 't
in zijn werk ging. Toen we de gevaarlijke rivier op- en afzwalkten,
terwijl het harsige dennenhout vlamde en knetterde en de zwarte
schaduwen om ons heensprongen, schoten er twee houtsnippen aan den
oever op en zwierden als dollen om de kano. Eén streek er met haar
vlerken langs mijn gezicht en werd pas verjaagd, toen Sandy in den
boeg een geweldigen stoot met zijn vork gaf en met een zegevierend
gehuil een spartelenden zalm van wel twintig pond achter zich en
mij in den schoot wierp. Maar dien nacht zag ik verscheiden keer
hun wieken even, of hoorde 'k hun zacht, verbaasd gekwetter boven
't gekraak van 't vuur en 't daverend gedonder van de watervallen uit.
Wanneer Whitooweek op zijn trek naar het Zuiden een goed terrein voor
voedsel aantreft, zal hij bij ons blijven als hij niet gestoord wordt,
tot een felle vorst zijn voorraadschuur verzegelt, en den grond te
hard maakt om er met zijn gevoeligen snavel in te kunnen dringen. Dan
glipt hij weg naar 't Zuiden, naar de naastbijzijnde open wel of
beek in de elzen. Niet ver weg, op kaap Shippan, is een kleine bron,
die zelden bevriest en wier water onuitputtelijk is en zelfs midden
in den winter een plek groen geeft.
De landtong is nu dicht met huizen bedekt maar vroeger was 't een goede
plaats voor houtsnippen, en de kleine bron verwelkomde steeds een paar
van die vogels, met het welkom dat alleen een bron geven kan. Het
vorige jaar vond ik tegen Kerstmis een houtsnip, die zich daar best
thuis voelde, geen steenworp van een paar huizen af, en terwijl de
sneeuw overal dik om haar heen lag. Zij was daar achtergebleven weken
nadat alle andere vogels verdwenen waren, óf vastgehouden door oude
gehechtheid en herinneringen aan een tijd, toen slechts de houtsnip
de plek kende, óf anders had zij, gewond en niet in staat te vliegen,
het eenige plekje in de heele streek uitgezocht, waar zij kon blijven
leven en eten vinden, tot haar vleugel genezen zou zijn. De Natuur,
die de menschen wreed noemen, heeft teer voor haar gezorgd, heeft de
wonden geheeld, door den mensch toegebracht, en haar voedsel verschaft
en een veilige schuilplaats, in een tijd dat alle andere plaatsen,
waar eten was te vinden, in den greep van den winter geklonken lagen;
maar de menschen, die zoo goed en verstandig kunnen zijn, zagen geen
dieper beteekenis in dit alles. Den dag, nadat ik haar ontdekt had,
kwam er een jager dien kant uit en was er trotsch op, dat hij de
allerlaatste houtsnip van 't seizoen geschoten had.