Weinigen kennen den weg naar het huisje in de rotsen, waar het Broertje
van den Beer woonde. Het was mijlen ver van eenig ander huis op één na,
in het hartje van de groote, stille bosschen. Je moest den grooten
weg verlaten, waar deze een koele, donkere vallei indook tusschen
de dennen, en een verlaten ouden weg volgen, dien de houthakkers 's
winters gebruikten, en deze leidde je, als je hem ver genoeg volgde,
naar een ouden, vervallen watermolen aan nog weer een zijweg, waar de
beek den heelen, langen dag babbelde en lachte tegen het vergane rad,
en de phoebe [2] ongehinderd onder de doorgezakte balken bouwde, en
je soms in de schemering een forel kon hooren springen tusschen de
schuimbellen. Maar zoo ver ging je niet, als je er achter wou komen
waar het Broertje van den Beer woonde.
Wanneer je den boschweg volgde, kwam je plotseling aan een kleine
open plek met een beek en een wild weitje en een overhangende rots,
geheel met varens bedekt. De weg kronkelde hier, zooals een weg
altijd doet wanneer hij langs een mooi plekje komt, alsof hij nog
eens omkeek. Er stond een oud huisje onder de overhangende rots,
waar een paar schuwe, stille kinderen woonden; en dit was de eenige
menschelijke woning aan den weg, drie mijlen ver. Vlak er achter, op
een punt waar het kreupelhout het dichtst groeide, sloop onopgemerkt
een karrepad van den boschweg af en bracht je naar een meertje in
de groote bosschen, op een plaats waar eeuwen geleden de bevers
een dam hadden gemaakt en een kolk om hun hout 's winters weg te
bergen. Wanneer je een langen stok nam en hier diep in de modder
wroette, kon je soms een afgeknaagd stuk vinden van het hout, dat den
bever tot voedsel diende, waarvan de kegelvormige uiteinden duidelijk
de indrukken van de sterke tanden vertoonden en de bast nog versch
was, als wachtte ze om opgegeten te worden wanneer de kleine eigenaar
terug zou komen; want daarvoor knaagde hij 't af en borg hij 't op,
tallooze jaren geleden. Maar heel weinigen hebben daar echter ooit
aan gedacht; zij die op deze plek kwamen wijdden al hun aandacht aan
de katvisch [3] die krioelde in de oude voorraadschuur van den bever
en die goed beet op donkere dagen. Om den heelen, ouden dam heen en
aan weerskanten van de boschrijke vallei stroomaf liep een rotswand;
en tusschen de mossige met varens bedekte rotsen van dien wand wees
een van de schuwe kinderen, met wie ik vriendschap had gesloten,
me een boogvormigen doorgang, die gevormd werd door twee groote,
tegen elkaar leunende steenen.
"Daar woont een beest. Ik hem zien. Ik ingekijkt, en toen zien ik
hem met z'n oogen knippen; en, en--en--toen ik weggeloopt," zei hij
met zijn oogen wijd opengesperd over het boschwonder.
We maakten geen leven, maar gingen samen onder een struik liggen en
bespiedden den merkwaardigen ouden ingang, tot het tijd was voor het
schuwe kind om naar huis te gaan; maar er kwam niets naar buiten,
zelfs was er geen glimmend, nieuwsgierig oog in het deurgat achter
het scherm van neerhangende varens te zien. Toch wisten we dat er wat
inzat, want ik toonde mijn boschvriendje, tot zijn groote verbazing en
verrukking, een kort grijs haar met een zwarte punt dat aan de rotsen
kleefde. Toen gingen we nog omzichtiger heen dan we gekomen waren.
"Misschien is 't een waschbeer," vertelde ik het schuwe kind, "want
dat zijn slaapkoppen, die den heelen dag dutten. Geslepen zijn ze ook
nog; ze komen vóór donker niet buiten en gaan vóór 't daglicht weer
naar binnen, zoodat de jongens niet kunnen ontdekken waar ze wonen."
Tegen den tijd van volle maan ging ik op een middag naar het huisje
tusschen de overhangende rotsen terug en verborg me onder denzelfden
struik, om te loeren tot er iets voor den dag zou komen. Maar eerst
keek ik eens overal rond en vond er in de buurt een reusachtigen,
hollen kastanjeboom, dien de houthakkers jaren geleden overgeslagen
hadden als niet de moeite van 't kappen waard. Er waren overal krabbels
en indrukken van klauwen op den ruwen bast, en net onder de laagste
takken was een groot donker kwastgat, dat wel eens de toegang tot
een hol zou kunnen zijn. Ik ging dus zoo op de loer liggen, dat ik
door mijn hoofd maar om te draaien èn den boom èn den ingang met het
scherm van varens tusschen de rotsen in 't oog kon houden.
Tegen de schemering ontstond er plotseling gekrabbel in den hollen
boom, dat hoe langer hoe hooger klom; toen onderdrukt gegrom en
gejammer en vermaningen, alsof stemmetjes binnen in den boom zeiden:
"_Ik het eerst. Nee, ik! Ie-ie-ie-ie-a!_" Het gejammer werd plotseling
afgebroken en er verscheen een snuitje in het donkere gat--een slim,
puntig snuitje met gespitste ooren en heldere oogen, die scherp over
het stille bosch uitkeken, waar niets dan schaduwen rondslopen, en
slechts een wilde eend, die zachtjes tegen haar jongen kwaakte in
het meertje, de stilte verstoorde. Toen begon het gejammer weer in
den hollen boom en duwden nog vier snuitjes hun spitsen neus het gat
uit, dat ze geheel vulden, terwijl ze alle keken en luisterden en met
hun kin op den kop van hun makkers wurmden om een beter uitzicht te
krijgen, en toch zoo begeerig als kinderen, om naar buiten te kunnen
gaan spelen na hun langen slaap.
Een ongeduldig kereltje krabbelde boven op zijn moeders rug en duwde
zijn snuit tusschen haar ooren door, en ik had toen gelegenheid het
beter te bekijken--een merkwaardig snuitje, vol guiterij en grappen,
met een witten ring om zijn spitsen neus, en een donkere streep, die
van den top van zijn neus afliep en zich in zwarte ringen om beide
oogen uitbreidde, alsof hij een grappigen, berookten bril ophad,
waarachter zijn oogen fonkelden en glommen, of heel bezadigd en
ernstig gingen staan als hij de eend hoorde kwaken. Een slim snuitje
en toch heel onschuldig, een heerlijk mengelmoes van hondenverstand
en vosachtige geslepenheid en de snaakschheid van den beer; een
uitdrukking die heel verrassend was, me deed glimlachen en aan 't
nadenken bracht tegelijk; een onderzoekend, bekoorlijk snuitje, het
liefste en tegenstrijdigste van het heele boschvolkje,--het snuitje
van Mooweesuk den waschbeer, het Broertje van den Beer, zooals Indiaan
en bioloog hem beiden noemen.
De moeder kwam er het eerst uit en liet zich achterwaarts langs den
boom naar omlaag glijden, terwijl ze haar kop heen en weer wendde
om onder zich te kijken en te zien hoe ver 't nog was, op echte
berenmanier. De vier kleintjes volgden haar met veel gekrabbel en
gejammer naar beneden--op één na, die toen hij halverwege was zich
omkeerde en om zich moeite te sparen sprong, zoodat hij op zijn
moeders zachten rug neerkwam. Toen ging ze hen vóór naar de opening
tusschen de rotsen en de jongen volgden een voor een achter elkaar de
kronkelingen van haar spoor, stonden stil en snuffelden als zij het
deed, en bootsten elke beweging van haar na; net als jonge beren doen,
wanneer ze door de bosschen zwerven.
Bij den ingang van het hol ging ze op zij en de jongen verdwenen een
voor een naar binnen. De moeder keek en luisterde nog even, en toen
een helder, trillend geluid door de schemering aan kwam drijven, liep
ze haastig door het bosch weg. Een oogenblik later zag ik haar aan
den oever van het meertje met een grooten waschbeer, haar mannetje
waarschijnlijk, dat in z'n eentje in een anderen hollen boom had
geslapen; en met z'n beiden trokken ze langs den oever weg om te
visschen en kikkers te vangen.
Nauwelijks was de moeder verdwenen, of de jongen kwamen hun hol uit
en begonnen samen te spelen, terwijl ze als een nest jonge vossen over
elkaar rolden en duikelden. Ze deden het wel alleen voor hun genoegen,
maar toch oefenden ze elken klauw en spier voor 't harde werken, dat
een waschbeer doen moet als hij voor zichzelf heeft te zorgen. Na
een poosje liet een van de jongen zijn spelende broertjes in den
steek en ging naar den kastanjeboom terug langs denzelfden weg dien
hij gekomen was, terwijl hij elken draai, elke wending van het spoor
volgde, alsof er een pad was--en dat was er waarschijnlijk wel voor
zijn oogen en neus, ofschoon de mijne er geen konden ontdekken. Hij
klom den boom in, alsof hij ergens op uitwas en verdween in het gat,
waar ik het kleine ding al krabbelend en piepend binnen in den boom
naar beneden kon hooren scharrelen. In een oogwenk verscheen hij
weer met iets in zijn bek. In het halfdonker kon 'k niet uitmaken wat
het was, maar toen hij terugkwam en op geen tien voet afstand langs
de plaats heenging, waar ik me verstopt had, richtte ik mijn kijker
op hem en zag het duidelijk--een kleinen, krommen houtknoest, het
eenige stuk speelgoed, dat men in bijna elke woning zal aantreffen,
waar het Broertje van den Beer gewoond heeft.
Hij bracht het naar de plek, waar de jonge waschberen aan 't ravotten
waren, ging tusschen hen in liggen en begon in zijn eentje te spelen,
door het speelgoed heen en weer te laten glijden in zijn merkwaardige
voorpooten; hij wierp het op en ving het weer en rolde het om zijn
hals en onder zijn lichaam door, zooals een kind met maar één stukje
speelgoed doet. Een paar van de andere waschberen gingen meedoen en
het kromme knoestje rolde tusschen hen heen en weer, werd rondgedraaid
en opgevangen en verstopt en teruggevonden,--alles vol zwijgende
aandacht en met een pret, die zelfs in de schemering onmiskenbaar was.
Midden onder dit rustige spelletje klonk er een flauw geklater
en watergeplas; de waschbeertjes lieten hun speelgoed vallen en
stonden met oogen, die glinsterden achter hun donkere brillen, met
trekkende neuzen en gespitste ooren naar het plassen op den oever
van het meertje te luisteren. De moeder was daar druk met iets bezig,
dat ze gevangen had; en weldra kwam ze voor den dag en de kleintjes
vergaten hun spel in de vreugd van het eten. Maar het was te ver weg
en de schaduwen waren nu te donker om te zien wat het was dat ze mee
naar huis gebracht had, en hoe ze het onder hen verdeelde. Toen ze
weer heenging, was het donker genoeg geworden om veilig te zijn en de
jongen volgden haar alle achter elkaar naar den oever van het meertje,
waar ik ze weldra tusschen de koele schaduwen uit het oog verloor.
Dat was het begin van een langdurige kennis, die soms overdag, maar
vaker 's nachts onderhouden werd; soms alleen, als ik een lid van de
familie op visschen of het zoeken van mossels betrapte, of op het
uitgraven van wortels, of het plunderen van nestjes; soms met een
jongen die er twee van de familie in zijn vallen ving; of wel met de
jagers in September in den maneschijn, als een listige, oude waschbeer
een vrijbuitersbende om zich heen verzameld had en ze aanvoerde voor
een strooptocht naar de korenvelden. Daar ontpopte zich elke waschbeer
onmiddellijk als een vernielal, en brassend in den ongekenden overvloed
rukte en vernietigde hij als een jonge wildeman en proefde van wel
twintig melkachtige korenaren, eer hij er één vond die hem geheel
aanstond; en dan, te verzadigd om te spelen, of rond te zwerven om
alle holle boomen in 't bosch te zoeken, trok hij naar het eerste het
beste goede hol, waar hij sliep, tot hij weer honger had en het zachte
gehinnik van den ouden leider hem riep voor een nieuwen strooptocht.
Als we ons troepje dien eersten avond van hun rondzwerven, voordat de
strooptochten begonnen en de honden ze uiteenjoegen, hadden kunnen
volgen, dan zouden we begrepen hebben waarom Mooweesuk een broertje
van den beer genoemd wordt. Wanneer hij draaft, loopt hij net als een
hond op zijn teenen, en bij ontleding doet hij denken, vooral in de
ontwikkeling van schedel en oorbeenderen, aan den voorwereldlijken
stamvader van hond en wolf beide; maar overigens is hij in al zijn
gewoonten een zakuitgave van Mooween. De moeder gaat steeds voorop,
evenals de beer, en de jongen volgen in een rij achter elkaar,
terwijl ze alles opmerken waar de moeder hun aandacht op vestigt. Ze
zitten op hun dijen en loopen op hun heele voetzool, evenals een
beer, terwijl ze met hun achterpooten een prent achterlaten als van
een miniatuurkindje. Alles wat eetbaar is in de bosschen wekt hun
eetlust op, evenals het dat van den gulzigen zwerver in zijn zwarte
vacht doet. Nu roeren ze in een mierennest, dan weer grabbelen ze in
een vermolmden boomstam naar larven en kevers. Wanneer ze zoet sap
of wat stroop in een oude kampplaats kunnen vinden, doopen ze er hun
voorpooten in en likken ze dan schoon, net als Mooween. Nu eens trekken
ze uit op bessen van wintergroen [4], dan weer op boschmuizen. Ze
ontdekken een ondiepte in de beek, als de zuigvisschen [5] op den
trek zijn, en wachten daar tot de groote visschen voorbijkomen; dan
wippen zij ze met hun voorpooten uit het water en scharrelen er haastig
achteraan. Van die visscherij gaan zij aan 't uitzuigen van watergras,
of kikkers en schildpadden uit de modder delven; en de schaal van de
schildpad wordt kapot gemaakt door er een steen op te laten vallen. Nu
sluipen ze een kippenhok binnen en gaan er met een kuiken van door;
en als ze dit verorberd hebben, komen ze weer in den tuin terug om
een pompoen open te breken en de zaden tot nagerecht te nemen. Dan
zien ze in het meertje een muskusrat voorbijzwemmen met een mossel in
haar bek en ze gaan haar langs den oever achterna; want Musquash heeft
een eigenaardige gewoonte om op vaste plaatsen te gaan eten--een plat
rotsblok, een aangespoeld stuk hout, een bepaalden graspol waar hij
de sprieten van afgeknaagd heeft--en verzamelt vaak een stuk of wat
schelpen en mossels, eer hij gaat dineeren. Mooweesuk loert net zoo
lang, tot hij de plaats gevonden heeft; en als Musquash dan verdwenen
is om nog meer schelpen te halen, gaat hij er van door met al wat hij
op den disch aantreft. Ettelijke keeren heb ik aan meren en rivieren
het verslag van dit kleine blijspel gelezen. Ge kunt de plaats altijd
herkennen, waar Musquash eet, door het stapeltje mosselschelpen in
't water stroomaf; en soms vindt ge de prent van Mooweesuk die naar
de plek is toegeslopen, en als ge ze volgt, zult ge merken waar hij
de schelpen gebroken heeft die Musquash had verzameld.
Nog in een ander opzicht lijkt Mooweesuk merkwaardig veel op een
beer: hij zwerft ver in het rond, maar hij heeft bepaalde verblijven,
evenals Mooween, en als hij niet gestoord wordt, komt hij altijd min
of meer geregeld op elke plek terug waar ge hem eens gezien hebt,
en hij komt langs hetzelfde onzichtbare pad. Evenals bij Mooween is
zijn kennis van de bosschen uitgebreid en nauwkeurig. Hij kent elk
hol en hollen boom, die een waschbeer beschutting zullen verleenen in
tijden van nood--gedeeltelijk door ze op te speuren en gedeeltelijk
door zijn moeder, die hem meeneemt en ze hem wijst. Bij een korenveld
heeft hij altijd een hol, waar hij kan slapen, als hij te verzadigd
of te lui is om te zwerven; hij heeft een drogen boom voor regenweer,
en een koelen, mossigen, hollen stam diep in de schaduw voor de heete
zomerdagen. Hij heeft tenminste één zonnig plekje in den top van een
hollen boomtronk, waar hij graag in 't najaar in de zon ligt te stoven;
en een geliefkoosden, reusachtigen boom met het diepste en warmste hol,
dat hij zonder uitzondering voor zijn langen winterslaap gebruikt. En
behalve deze allemaal heeft hij tenminste één toevluchtstoren bij elk
van zijn paden, waar hij heen kan gaan, als er plotseling gevaar van
honden of menschen dreigt.
Ofschoon hij loopt en jaagt en vecht en eet als een beer, heeft
Mooweesuk veel eigen gewoonten, waar Mooween nooit aan toe is
gekomen. Een er van is zijn gewoonte om nesten te plunderen. Mooween
doet dit ongetwijfeld ook, want hij is dol op eieren, maar hij moet
zich grootendeels tot de vogels die op den grond nestelen bepalen,
en tot nesten, die hij bereiken kan met op zijn achterpooten te
staan. Daarom zijn alle spechten veilig voor hem. Mooweesuk echter
kan nooit een gat in een boom zien, zonder er zijn neus in te steken
om te ontdekken of er ook eieren of jonge spechten in zitten. Als
ze er zijn, zal hij éen poot naar beneden steken. Hij klemt zich
stijf tegen den stam, en duwt zijn voorpoot tot aan zijn schouder in
het gat, om te zien of het nest misschien ook dom ondiep zit en de
eieren binnen het bereik van zijn poot liggen. Deze doet door zijn
buigbaarheid aan een apenhand denken;--laat 'k dat hier even zeggen.
Eens zag ik hem, aan den zoom van een wilden boomgaard, het nest van
een gouden specht [6] op die manier plunderen. De moedervogel vloog er
af, toen Mooweesuk tegen den boom op kwam krabbelen, en dit verzekerde
er hem van dat hij daarbinnen iets de moeite waard zou vinden. Hij
stak er een poot in, greep een ei, en 't leek alsof hij 't naar boven
rolde door het tegen den wand van de holte te houden. Toen het ei bijna
aan den ingang was, stak hij zijn neus naar binnen om zijn schat te
bekijken. Daar glipte het weg, viel terug en brak waarschijnlijk. Hij
probeerde 't met een ander, kreeg het veilig naar boven en at het op
zooals hij daar zat. Hij probeerde 't met een derde, dat hem net als
't eerste ontglipte en brak. Toen, met den smaak van het versche ei in
zijn bek, scheen hij ongeduldig te worden, of misschien kreeg hij een
ingeving door de gele strepen op zijn klauwen. Hij duwde zijn poot hard
neer om alle eieren te breken en trok hem druipend terug. Hij likte
hem schoon met zijn tong en stak hem weer in den gelen smeerboel op
den bodem. Dit ging gemakkelijk en hij bleef zoo voortgaan, tot zijn
vochtige poot slechts doppen en vermolmd hout ophaalde. Toen klom hij
achterwaarts den boom weer uit en schuifelde het bosch in, terwijl
hij een boeltje achterliet, treurig om te zien voor een spechtenmoeder.
Nog een gewoonte waar hij Mooween de baas in is geworden, is zijn
visschen. Hij weet evenals alle beren, hoe hij de visch met zijn
voorpoot uit het water moet wippen; maar hij heeft ook geleerd hoe hij
ze lokken moet, als ze niet op de zandbanken te vinden zijn. Dikwijls
heb ik Mooween ook in de schemering aangetroffen, heel stil op een
rotsblok of een grijzen boomtronk naast het meer of de rivier gezeten,
terwijl hij door zijn zachte kleuren en zijn roerloosheid op een
deel van den oever leek. Andere natuuronderzoekers en jagers hebben
hetzelfde opgemerkt en hun getuigenissen stemmen hierin gewoonlijk
overeen: dat Mooweesuk's oogen bij zoo'n gelegenheid half gesloten
zijn en zijn gevoelige "tasters" of snorren op de oppervlakte van het
water spelen. De visschen er onder, die deze lichte beweging zien,
maar niet het dier er boven, stijgen óf door nieuwsgierigheid óf,
wat waarschijnlijker is, door de gedachte aan spelende insecten
gedreven, naar de oppervlakte en worden er uitgegrist door een zwaai
van Mooweesuk's poot.
Veel jaren geleden vestigde Dr. Samuel Lockwood, een beroemd
natuuronderzoeker, in een verhandeling voor het eerst de aandacht
op deze eigenaardige manier van hengelen. Sedert dien tijd heb ik
Mooweesuk herhaaldelijk aan 't visschen gezien; maar ik ben nooit
zoo fortuinlijk geweest hem iets te zien vangen, ofschoon ik een
wilde kat dat kunststuk prachtig op dezelfde listige wijze heb zien
volbrengen. Als ik er aan denk, hoe dol hij op visch is, en aan de
vele plaatsen waar ik heb gezien dat hij ze gegeten had en waar 't
water te diep was om ze er op de gewone berenmanier uit te wippen,
twijfel ik er geen oogenblik aan, of Dr. Lockwood heeft het ware
geheim ontdekt van zijn geduldig wachten boven de diepten, waar de
visschen aan 't azen zijn.
Er is nog een eigenaardige gewoonte van den waschbeer, die hem van den
beer onderscheidt en van alle andere dieren. Dat is zijn gewoonte om
al wat hij vangt in 't water te wasschen, of liever te spoelen. Het
doet er niet toe wat hij vindt om te eten--muizen, kuikens, wortels,
larven, vruchten--alles eigenlijk, behalve visch, zal hij meenemen naar
't water, als hij ergens in de buurt van een meer of een beek is, en
terdege afspoelen, voordat hij 't opeet. Waarom hij dat doet--daar
is slechts naar te raden. Het is niet om 't schoon te maken, want
veel er van is al schoon; niet om het zachter te maken, want mossels
[7] zijn vanzelf al zacht genoeg, en zijn kaken zijn wel zoo sterk
om de hardste schalen stuk te maken; toch spoelt hij ze evengoed
eer hij ze opeet. Mogelijk is het om de dingen den waterigen smaak
van visch te geven, waarop hij dol is; nog waarschijnlijker is het
een overblijfsel, evenals het ronddraaien van een hond eer hij gaat
liggen, of als de onnoodige trek van de meeste vogels, de erfenis
van een vergeten voorzaat, die een reden had voor de gewoonte en op
aarde woonde lange, lange jaren voordat er een mensch was om op hem
te letten en zich af te vragen waarom hij het deed.
Diep in de wildernis is Mooweesuk schuw en steeds op zijn hoede
voor gevaar, als de meeste dieren in 't wild daar; maar als ge heel
stilletjes naar hem toesluipt, of als hij u onverwachts bij zich ziet,
is hij vol van de nieuwsgierigheid van het boschvolkje om er achter te
komen wie ge zijt. Eens, op den langen transportweg van St. Leonards
naar den bovenloop van de Restigouche, zag ik Mooweesuk op een rotsblok
aan een forellenbeek zitten, druk bezig iets uit te spoelen, dat hij
juist gevangen had. Ik kroop op handen en voeten naar den kant van
een oude brug op hem af, toen de balken onder mijn gewicht kraakten en
hij van zijn wasscherij opkeek en me zag. Onmiddellijk liet hij zijn
vangst in den steek en kwam de beek op, half wadend, half zwemmend,
zette zijn voorpooten op de lage brug, stak zijn kop over den rand
en keek aandachtig naar me, met zijn gezicht geen tien voet van het
mijne. Hij verdween na een poosje en ik kroop naar den rand van de
brug om te kijken wat hij aan 't spoelen was. Een flauw gekrabbel deed
me omkijken en daar had je hem met zijn voorpooten over den anderen
bruggerand, terwijl hij dat wonderlijke mensch-ding nakeek, dat hij
nog nooit eerder gezien had. Hij was de brug onderdoor gegaan om van
den anderen kant naar me te kijken, zooals een vos zonder mankeeren
doen zal, als we ons rustig genoeg houden. Het wild dat hij spoelde
was een groote kikker, en na een poosje liep hij in een kring om de
brug heen, greep zijn buit en verdween in de bosschen.
In de nabijheid van steden, waar er veel op hem gejaagd wordt,
is Mooweesuk schuwer geworden, evenals de vos, en heeft tallooze
listen geleerd waar hij vroeger niets van kende. Toch geeft hij
zelfs hier, als hij maar jong aangetroffen wordt, blijk van een
wonderlijke onbevreesdheid en zelfs van een zeldzaam vertrouwen in
den mensch. Eens vond ik vroeg in den zomer een jongen waschbeer aan
den voet van een heuvelkam, die naar een rotsrichel een paar voet
boven zijn kop keek en jammerde, omdat hij er niet op kon komen. Het
was hem blijkbaar een verrassing, dat zijn klauwen op de harde rots
niet denzelfden indruk konden maken als thuis op den boom, waarin
hij geboren was. Hij spartelde niet tegen--scheen het eigenlijk als
de natuurlijkste zaak ter wereld te beschouwen--toen ik hem opnam en
hem op de richel zette waar hij om jammerde, maar net als een klein
kind wou hij een oogenblik later weer naar beneden en ik deed naar
't hem behaagde. Toen ik wegging liep hij me piepend na, zijn eigen
hol en zijn makkers in de helling vlakbij vergetend, en hij was niet
tevreden, eer ik hem opgebeurd had. Toen rolde hij zich in de holte
van mijn arm op en ging volmaakt tevreden slapen.
Weldra werd hij wakker, spitste zijn ooren en draaide met zijn kop
op hondenmanier, om een geluid dat te zwak voor mijn gehoor was, en
duwde met zijn onderzoekenden neus heelemaal over me heen, zelfs in
mijn boord, waar 't net een gevoel was alsof er een stukje ijs langs
mijn hals kroop. Pas toen hij zich met zijn klauwen een weg naar den
binnenkant van mijn jas gebaand, en zijn neus in mijn vestzak gestoken
had, ontdekte hij de oorzaak van de geheimzinnige geluiden die hij had
gehoord. Het was mijn horloge dat tikte, en in een oogwenk had hij
het er uitgehaald en was hij met het glimmende ding aan 't spelen,
even verrukt als een kind met een nieuw stuk speelgoed. Het werd
een heerlijk huisdier, vol grappen en snakerijen, dat kuikens ving
door net te doen of hij sliep als ze hun hals naar de kruimeltjes in
zijn bak kwamen uitrekken, dat zich dood hield als hij op "ondeugde"
betrapt werd, dat uit een flesch dronk, en dolblij was als hij de
jongens achterna naar de bosschen mocht, waar hij heelemaal wild werd
van de pret, maar ze tegen de schemering weer naar huis volgde, en
dat er eindelijk in zijn eentje naar zijn eigen boom van doorging om
den winter door te slapen--maar over dat alles moet ik ergens anders
eens vertellen.
Evenals de beer is Mooweesuk een vreedzame baas en houdt zich strikt
bij zijn eigen zaken als hij ver in 't rond door de bosschen zwerft;
niet uit angst, want geen dier, behalve misschien de veelvraat,
wat een vreeselijk beest is--geeft zoo weinig om gevaar of trotseert
het zoo koelbloedig, of met zoo'n moed, als het komt. Van een paar
honden trekt hij zich niet veel aan. Als hij ze op zijn spoor hoort,
klimt hij gewoonlijk in een boom om ze uit den weg te gaan; want onze
hond, anders dan zijn wilde broeder, de wolf, is een bemoeial en moet
iedereen altijd lastig vallen; en Mooweesuk, evenals de meeste dieren
in 't wild, houdt van den vrede, jaagt slechts als hij honger heeft,
en zal altijd, als hij even kan, liever standjes vermijden. Als hij
op den grond betrapt wordt, of in 't nauw gedreven, of tot handelen
genoopt door een plotselingen aanval, gaat hij met zijn rug tegen den
naasten boom of steen staan om zijn vijanden te verhinderen hem van
achteren te betrekken, en dan vecht hij tot hij dood is, of tot er
geen van zijn vijanden meer over is om hem lastig te vallen, waarna
hij weer kalm zijns weegs gaat.
Het doet er niet toe hoe ongelijk de strijd is of hoe vreeselijk hij
op zijn kop krijgt, ik heb nog nooit een waschbeer zien versagen of
zijn hielen lichten en op de vlucht slaan. Als er veel honden zijn en
hij bij een meer of een rivier is, zal hij ze naar het diepe water
voeren, waar hij thuis is, en door snel in kringen te zwemmen zal
hij ze een voor een insluiten en ze eens en voor goed buiten gevecht
stellen. Hij gaat dan bijna altijd op dezelfde manier te werk. Hij
schiet plotseling op den hond los dien hij tot zijn slachtoffer heeft
gekozen, grijpt hem met een arm om den nek, zaagt uit alle macht met
zijn sterke tanden op zijn kop, terwijl hij hem tegelijkertijd met
zijn vrijen klauw over de oogen zwiept, en dan gaat hij met zijn volle
gewicht op den kop van den hond hangen, om hem onder water te werken
en al wat er nog aan vechtlust in hem steekt te verdrinken. Dat is
gewoonlijk genoeg voor een hond; en Mooweesuk zal zich, zonder eenig
letsel en met de grootste tegenwoordigheid van geest, bliksemsnel op
zijn volgend slachtoffer storten.
Gelukkig zijn zulke veelbewogen dagen zeldzaam in Mooweesuk's leven
en weet de waschbeer in de wildernis er weinig van af. Zijn leven
is gewoonlijk van 't begin tot het einde vreedzaam, vol lekkers en
slaap en spel en een steeds grooter kennis omtrent de bosschen. Hij
wordt in de lente geboren, een heel klein, blind, naakt kereltje,
als een mollen- of berenjong. Wanneer hij grooter wordt, klimt
hij naar den ingang van zijn hol en zit daar urenlang als aan een
venster, met niets dan neus en oogen zichtbaar, uit te kijken naar de
nieuwe, vroolijke, ruischende wereld der bosschen, en slaperig in den
blikkerenden zonneschijn te knipoogen. Dan komen de lange uitstapjes
met zijn moeder, eerst overdag, als de roofdieren rustig zijn,
dan in de schemering, en eindelijk de lange nachtelijke tochten,
waarin hij door zijn leidsvrouw te volgen tallooze dingen leert,
die een waschbeer weten moet: dezelfde paden te nemen tot hij de
bosschen door en door kent; zijn onderzoekenden neus in elke spleet en
barst te steken, want de lekkerste beetjes die er op zijn spijskaart
staan schuilen op zulke plaatsen; een slaapje te doen als hij moe
is, waarbij hij op zijn voorhoofd rust om zijn vroolijk geteekend
snuitje te verbergen en te maken dat hij even weinig in 't oog valt
als een rotsblok of een bemoste boomstomp; uit den hoogsten boom te
springen zonder zich pijn te doen; en als hij een hol in den grond
of tusschen de rotsen in gebruik heeft, op eenigen afstand van den
ingang nog een uitweg te hebben en onder geen omstandigheden zijn
hol anders dan door de voordeur binnen te gaan. Er schuilt groote
wijsheid in dit laatste wat er geleerd wordt. Als een hond een hol
vindt met een spoor dat er altijd van uitgaat, loopt hij weg, want
hij weet, dat het nergens toe dient hier te blaffen; maar als hij
een gat vindt waar een spoor binnengaat, meent hij natuurlijk, dat
het wild er in zit en blijft hij huilen en krabbelen zonder dat ooit
de gedachte in zijn mallen kop opkomt, dat er nog een andere uitgang
kan zijn. Terwijl hij graaft en een onvergeeflijk lawaai in de stille
bosschen maakt, zal Mooweesuk ondertusschen om 't hoekje aan den
binnenkant van het gat zitten wachten, tot ze een gelegenheid krijgt
om den hond in zijn neus te bijten of hem zijn poot te verpletteren;
of anders zal ze kalmpjes met haar jongen de achterdeur uitglippen en
ze naar een hollen boom brengen, waar ze tot de hond weggaat rustig
kunnen slapen en niet bang hoeven te zijn.
Tegen den tijd dat de eerste sneeuw valt zijn de jonge waschberen
volwassen en sterk genoeg om goed voor zichzelf te zorgen; en dan,
weer net als de beer, ontwijken ze winterkou en -honger door vier of
vijf maanden lang in een warm hol te gaan slapen, dat ze zorgvuldig
op hun zomersche zwerftochten hebben uitgezocht. Ze zijn zoo vet als
boter wanneer ze zich oprollen voor hun langen slaap; hun geringde
staart bedekt hun gevoeligen neus, en als ze een poosje wakker worden,
zuigen ze slaperig op hun voorpooten tot ze weer inslapen, zoodat
ze, evenals de beer, dikwijls teere voetzolen hebben wanneer ze in
't voorjaar weer voor den dag komen.
Vaak slapen de jonge waschberen van een zelfde gezin samen in
één hol. De oude mannetjes huizen liever op zichzelf; maar moeder
waschbeer, evenals de berenmoeder, doet alle mogelijke moeite om zich
te verbergen op een plaats, waar ze rustig haar jongen ter wereld
kan brengen en waar niemand ze ooit zal vinden.
Die winterholen duiden op een eigenaardige gewoonte, waarvan ik nooit
een verklaring heb aangetroffen en waar ik geen voldoende reden voor
heb kunnen vinden. Op sommige zachte winterdagen ontwaakt Mooweesuk
uit zijn langen slaap en dwaalt de wereld in. Dan kunt ge hem wel
mijlen ver door de bosschen prenten, zonder te merken dat hij een doel
heeft of iets bijzonders uitvoert; want 'k heb nooit gemerkt, dat hij
iets gegeten heeft op die zwerftochten. Soms, op mijlen afstand van
zijn hol, buigt zijn spoor zich af en gaat regelrecht naar een hollen
boom, waar andere waschberen den winter doorbrengen. Het is mogelijk
dat het zijn eigen familieleden zijn, die gewoonlijk een eigen hol
hebben en die hij bezoekt om te zien of alles in orde is. Soms gaat
er uit dit hol een waschbeer met hem mee en dwalen hun sporen mijlen
ver samen; vaker komt hij er alleen weer uit en kunt ge hem volgen:
hoe hij andere waschberen bezocht heeft, of in een van zijn andere
boomen is gaan slapen, of in een wijden kring weer naar den boom
gebogen is, waar hij vandaan kwam en waar hij verder gaat slapen,
tot hij er door de lentezon en het minnelied van 't meesje weer
uitgelokt wordt voor een volgend seizoen.
Misschien is 't louter zin voor gezelligheid van Mooweesuk, want
het is zeker zijn tijd niet dat hij 't hof maakt, of een wijfje
zoekt. Dikwijls slapen, zooals ik gezegd heb, drie of vier jongen
den winter door in hetzelfde hol; maar dan weer kunt ge twee of drie
oude waschberen in denzelfden boom aantreffen. Anders dan bij veel
andere dieren als 't hun hol betreft, is bij den waschbeer de wet
der gastvrijheid van groote beteekenis, en een eenzame oude baas,
die liever alleen een hol heeft, zal nooit weigeren zijn winterwoning
met andere waschberen te deelen, wanneer ze uit hun behaaglijke
schuilplaats verdreven zijn; en dit gaat op, ondanks het feit dat
er volop andere holle boomen zijn, die aan den stam in 't algemeen
schijnen te hooren, want ze worden ongehinderd bezocht door elken
waschbeer die voorbijkomt.
Er is nog een manier, waarop de liefde tot zijn ras zich uit, en we
voelen een innige bewondering voor Mooweesuk, wanneer deze blijkt:
hij komt altijd bij het dreigendste gevaar, en al is zijn leven er mee
gemoeid, op een noodkreet van een zijner soortgenooten af. Ik heb dit
verscheiden keer gezien en eens vooral, toen het een heele opwinding
gaf bij het wilde, nachtelijke jachtvermaak, die onverwachte gevolgen
had. Het was achter in November, op het eind van het jachtseizoen,
tegen middernacht. De honden hadden een waschbeer in een boom gejaagd,
en met behulp van een helder vuur van knappende takken trachtten we
"zijn oog te laten schijnen", dat wil zeggen: de plaats te bepalen
waar het wild in de boomtoppen zat, als de felle gloed van zijn
oogen den schijn van het vuur terugkaatste. We zagen het eindelijk,
en een van de jagers klom in den boom en trachtte den waschbeer met
een dikken stok van zijn tak af te porren. In plaats van te doen wat
er van hem verwacht werd, kwam Mooweesuk, die altijd koelbloedig is
in het dreigendste gevaar, snel langs den tak en toonde zijn tanden
met een gegrauw door zijn neus, dat onmiskenbaar was. De jager liet
zijn stok vallen, trok een revolver uit zijn zak en schoot op den
waschbeer, die in een aanval van plotselinge woede zich omdraaide
en op de huilende honden veertig voet naar beneden afsprong. In een
ommezien was er een vreeselijk gevecht gaande. Mooweesuk, met zijn
rug tegen een boom, begon met zijn koelbloedige, snelle uitvallen,
die de helft van zijn vijanden ontmoedigden. Nu werd er een hond
buiten gevecht gesteld door een enkelen wolfachtigen uitval naar
zijn gevoeligen neus; dan trok zich een lievelingsdier huilend terug,
half verblind door een bliksemsnellen veeg van Mooweesuk's poot over
beide oogen. Maar er waren te veel honden voor één vechter, al was hij
ook nog zoo dapper. Ze vielen Mooweesuk in de flank aan; twee sterke
honden legden hem; toen, daar hij wist dat hij 't gevecht zoo goed als
verloren had, draaide hij zijn kop om en gaf plotseling een schellen
kreet, den kreet om hulp, die geheel verschilde van zijn krijschen en
grauwen gedurende den strijd. Snel als de bliksem verscheen er nog
een waschbeer op het tooneel, een jonge, die uit den boomtop sprong
en zich in 't gevecht wierp, krabbend en bijtend als een furie en
zijn strijdkreet uitgalmend.
Tot op dit oogenblik had niemand van ons vermoed, dat er nog een
waschbeer ergens in de buurt was. Hij had zich veilig schuilgehouden
in den boomtop gedurende dat lawaai, tot die kreet kwam, die duidelijk
hulp scheen te roepen; toen liet hij alle gedachte aan zichzelf varen
en sprong als een held naar beneden.
Dat was nog niet half tot ons doorgedrongen, toen de kleine baas zich
op den hond stortte, die den eersten waschbeer bij den hals hield
en met een beet van zijn sterke kaken een voorpoot verbrijzelde. De
grootere waschbeer kwam weer op de been, zwakjes vechtend.--Maar
er was een eigenaardige verandering in de jacht gekomen. Ik was
vooruitgesprongen om tusschenbeide te treden bij zoo'n onverwachten
heldenmoed, maar had me weer teruggetrokken bij de gedachte,
dat ik slechts een gast was en er beleefdheidshalve bij mocht
zijn. Naast me stond een groote jager, eigenaar van een paar der
honden, wiens gezicht wonderlijk vertrok in het schijnsel van het
vuur. Hij wilde op de vechtenden losgaan, zwaaide met zijn knuppel,
maar trok zich toen terug, omdat hij zich schaamde eenige weekheid
te toonen op een waschberenjacht. "Red hem," fluisterde ik hem toe,
"dat kleine ding heeft zijn leven wel verdiend"; en weer sprong hij
naar voren. "Trek de honden weg!" brulde hij met vreeselijke stem,
terwijl hij tegelijkertijd den zijnen er afrukte. Elke jager begreep
het. Er ontstond plotseling een wild gebrul, waaruit iets klonk dat je
een heerlijke rilling over den rug joeg. De honden werden bij staart
en pooten weggesleept, terwijl ze huilden en zich verzetten tegen dien
smaad. De groote waschbeer ging stil liggen sterven; maar het kleintje
ging met zijn rug tegen de rotsen staan, zijn oogen fonkelend als kolen
waar de wind over blaast, trok zijn neus in rimpels als een wolf en
grauwde uitdagend tegen de heele, huilende bende. En daar bleef hij,
tot ik een stok nam en hem te midden van gelach en toejuichingen,
nog onder kwaadaardig verzet, in een anderen boom dreef, waar de
honden niet bij hem konden komen.
Dat was ver van de plaats waar mijn eerste Broertje van den Beer
woonde, en er waren vele jaren verloopen sinds ik de overhangende
rots bij den ouden beverdam bezocht had. Op een dag kwam ik er weer,
en boog haastig den ouden boschweg in, die bij elke wending en rots en
vermolmde boomstomp een gelukkige herinnering voor me had. Hier was het
dat de patrijs [8] gewoonlijk trommelde; en daar, aan het eind van den
boomstam, waren teekenen, die me zeiden dat hij er nog wel eens het
gedempte roffelen van de vleugels liet wegrollen. Hier was 't gat in
het muurtje, waar de vos doorglipte; en daar was een krinkelend geel
haar aan een ruwe rots blijven hangen, dat stom getuigde. Hier was
't waar de dennen het dichtst stonden; maar ze waren nu alle omgehakt
en de zaden van het loofhout, die zoo vele jaren onder de dennen hun
kans op 't zonnelicht hadden afgewacht, schoten eindelijk welig en
krachtig omhoog. En hier was de plek waar de weg zich boog om nog
eens om te kijken naar het aardige plekje, waar de schuwe kinderen
woonden met wie ik eens vriendschap had gesloten.
Ze waren allen verdwenen en het huisje onder den rotswand was
verlaten. In een van de vervallen vertrekken vond ik een lappenpop
naast den kouden haard en een paar ongelukkige stukjes speelgoed op
een plank, onder een gebroken raam. In het heele verlaten, vergeten
huis waren dit de eenige dingen, die een glans over mijn gezicht en
het vocht in mijn oogen riepen toen ik ze zag. Al het andere sprak van
ondergang en verval; maar dit armzalige speelgoed, dat door kleine
handjes was aangeraakt, ging me regelrecht naar 't hart, zoo deed
het denken aan leven en onschuld en een jeugd die nooit veroudert in
de wereld. Ik stofte het zorgvuldig af met mijn zakdoek en zette het
weer op zijn plaats, en ging stilletjes het pad af dat naar de andere
woning leidde, waar 't Broertje van den Beer vroeger huisde.
Alles was ook hier veranderd. De dam, dien de bevers gebouwd hadden
en dien de jaren hadden bedekt, lag er nog even hecht als altijd;
maar de bosschen waren omgehakt en het meertje was ingekrompen,
tot de wilde eend er niet langer een schuilplaats vond. De rotswand
was niet groen meer, want de zon, die binnendrong toen de groote
boomen vielen, had bijna al het mos en de varens gedood, die ze
bedekten; en 't lied van de beek, ofschoon 't nog opgewekt klonk,
was nauwelijks te hooren, als ze dropte en sijpelde, waar ze eens
naar beneden gestroomd en gehuppeld had in de lommerrijke vallei,
die nog lommerrijk bleef, omdat de grond daar gelukkig te arm was om
er iets anders dan kreupelhout en sleutelbloemen te laten groeien,
en zoo hadden de houthakkers haar niet aan troostelooze verwoesting
prijsgegeven. De oude boom, eens de woonplaats van den waschbeer,
was omgewaaid. Toen hij den steun van zijn makkers miste en deze niet
langer den wind voor hem braken, kon hij niet alleen staan en sloeg
om in den eersten storm. De oude indrukken van Mooweesuk's klauwen
waren diep onder 't mos verborgen. Van deze vernielde woning ging
ik naar het hol onder de rotsen, langs het pad dat de waschberen
indertijd volgden. De jagers waren hier lang geleden geweest; het
hol was opengebroken, de beschuttende rotsblokken op zij gegooid en
van binnen lag het vol bladen van het vorige jaar. Toen ik ze treurig
wegstreek om eens te zien hoe de woning er uitzag, stootte mijn hand
tegen iets hards in een donkeren hoek, en ik trok haar weer naar
buiten. 't Was een kleine, gebogen knoest, heelemaal glad gemaakt door
't vele aanpakken--het speeltuig, dat ik 't eerst gezien had en dat
nu de laatste herinnering aan een tehuis was, waar de Broertjes van
den Beer eens gewoond en vroolijk samen gespeeld hadden.