HOE MEN 'T BEKIJKT.

Een oude Indiaan, dien ik goed ken, had eens een berin in zijn val

gevangen. Dienzelfden dag was het mannetje van de berin gekomen en

had geprobeerd den zwaarbevrachten stam, die op haar rug was gevallen

en haar verpletterd had, weg te tillen. Toen hem dat niet gelukte, was

hij door de omheining heengebroken, en toen de Indiaan op geruischlooze

voeten aankwam, door een eigenaardig zoemen in de lucht gelokt, zat de

beer naast zijn doode wijfje met haar kop in zijn armen klagend heen

en weer te wiegen. Wie in onzen tijd over de natuur schrijft en eerst

de dierenwereld wil begrijpen om zijn ontdekking daarna met anderen

te deelen, moet twee dingen doen. Hij moet zijn feiten verzamelen, als

't kan uit de eerste hand, en dan deze feiten weergeven naar den indruk

dien ze op eigen hoofd en hart maken, in het licht der omstandigheden

waarmee ze omringd zijn. Het kind zal met zijn dierenverhaal tevreden

zijn, maar de man zal stellig vragen naar 't hoe en waarom van elk

feit uit het dierenleven dat hem bijzonder treft. Want elk feit is

tevens een openbaring, en is vooral belangrijk, niet om zichzelf,

maar om de natuurwet of het leven dat er achter schuilt en waar dat

feit in zekeren zin de uitdrukking van is. Een appel die op den grond

viel, dat was nog wel gewoon--zóó gewoon dat het niet de aandacht

trok, tot iemand er eens over nadacht, en de groote wet ontdekte,

die zoowel den vallenden appel als de vallende ster omvat.

Zoo gaat het ook in de dierenwereld. De gewone dingen, als kleur,

afmeting en uiterlijk, waren al eeuwen opgemerkt, maar wekten weinig

of geen belangstelling, totdat iemand er over ging nadenken en ons

de wet over het ontstaan der soorten gaf. Van de meeste dieren zijn

deze gewone dingen en hun beteekenis nu wel bekend, en het is een

vervelende en ondankbare taak ze nog eens na te gaan. Het ontstaan der

soorten en de wet der zwaartekracht worden nu gemakkelijk gerangschikt

met de stoommachine en de telegraafdraad en andere dingen, die we

meenen te begrijpen. Ondertusschen zijn er onzichtbare stroomingen

in de lucht, die bereid zijn om onze boodschappen over te brengen,

en de zon verspilt dagelijks zooveel kracht op onze domme planeet,

dat al onze machinevuren er overbodig door zouden worden, wanneer

we het maar begrepen. En ondertusschen liggen er in het dierenleven

een eindelooze reeks van onbekende feiten verscholen, of komen

langzamerhand aan het licht, doordat de natuuronderzoekers de dieren

tot in hun eigen schuilhoeken volgen en ontdekken hoe hemelsbreed zij

van elkaar, zelfs binnen dezelfde soort, verschillen, en hoe ver ze

afwijken van de gewoonten, die hun toegeschreven worden in de boeken.

Wij zijn veel te lang tevreden geweest met de leelijke telegraafpalen

en -draden als het toppunt van volmaaktheid in het verkeer; en we

hebben veel te lang berust in het aangenomen feit dat de dieren door

een vreemd, onbekend iets, instinct genoemd, worden beheerscht, en dat

zij, die tot een zelfde groep behooren, allemaal hetzelfde zijn. Dit

gaat echter slechts op wat het uiterlijk betreft. Het doet dienst

om de dieren algemeene benamingen te geven, maar verder ook niet;

en een dier zijn naam of de soort is toch de hoofdzaak niet. Ge

zijt nog niet klaar met de Indianen, als ge hun ras en hun stam

hebt vastgesteld. In een boek over ethnologie mag dit voldoende zijn;

mogelijk was de Calvinistische godgeleerde daar eens tevreden mee; maar

het leven van den Indiaan is er ook nog, van grooter beteekenis dan

zijn ras; en pas na twee eeuwen van veronachtzaming, of vervolging,

of onrecht, worden we wakker voor het feit dat zijn leven van het

allergrootste belang is voor ons menschen. Zijn medicijnleer, zijn

opvattingen omtrent God liggen dieper dan de ronding van zijn schedel;

zijn legenden en zijn primitieve muziek moeten verklaard worden,

even goed als zijn huidskleur; en wij beginnen nog maar pas de

beteekenis van deze belangrijke dingen op te merken. Dit is slechts

vergelijking en bewijst niets. Maar wanneer we er over nadenken,

zou dit ons op de gedachte kunnen brengen, dat we ten opzichte van

de dieren wel eens een dergelijke fout konden begaan hebben, dat we

nog niet geheel met ze hebben afgehandeld, wanneer we "instinct"

hebben geroepen en hun soorten genoemd; en niet volkomen vrij uitgaan,

als we ze maar ijverig van den aardbodem uitroeien--zooals we eertijds

gedaan hebben met de arme Beothuk-Indianen, om het kostbare bont dat

ze droegen.--Onder hun vacht en hun veeren is hun leven; en eenige

waarnemers beginnen te begrijpen dat ook hun leven, dat heel in

de verte aan onze eigen prille jeugd doet denken, van het grootste

belang is voor ons menschen. Sommige van die dieren maken plannen

en berekeningen; en wiskunde, zelfs in haar eerste beginselen, is

toch niet bepaald een zaak van instinct. Sommige leggen dammen en

kanalen aan; sommige hebben bepaalde maatschappelijke verordeningen;

sommige redden makkers die in nood verkeeren; sommige verbinden hun

eigen wonden en zetten zelfs een gebroken poot met een kleiverband,

dat steviger gemaakt wordt door er vezels of veeren in te werken. Alle

hoogere soorten houden min of meer gedachtenwisseling met elkaar en

oefenen hun jongen en wijzigen hun gewoonten om tegemoet te komen

aan veranderde omstandigheden. Dit alles en nog veel meer, minstens

even wonderbaarlijk, zijn ook feiten. We wachten nog op den bioloog,

die ons werkelijk vertellen zal wat ze beteekenen.

Deze twee zaken--de nieuwe feiten en hun verklaring--hield ik in 't

oog, toen ik deze verhalen uit mijn aanteekeningen en herinneringen

uit de wildernis in elkaar zette. De feiten zijn zorgvuldig gekozen

uit jarenlange waarnemingen, met de bedoeling om den nadruk te leggen

op sommige ongewone of onbekende dingen uit de dierenwereld. Ja, bij

al mijn werk, of liever uitspanning buitenshuis, heb ik het ongewone

trachten te ontdekken, dat het karakter van een dier kenmerkt, en het

beschrijven der algemeene gewoonten en het rangschikken in klassen

aan andere natuurkenners overgelaten, die meer weten en het beter

kunnen. Daarom heb ik wel honderd dieren overgeslagen om er éen te

bestudeeren, en heb ik slechts de buitengewone waarnemingen vermeld,

zooals er zelden gedaan worden, en dan nog alleen door menschen die

dagen, jaargetijden lang in stille aandacht in de bosschen doorbrengen.

Of deze zeldzame gewoonten gemeengoed zijn onder de soorten, en ons

slechts vreemd lijken, omdat we zoo heel weinig over 't verborgen

bestaan der in 't wild levende dieren weten, of dat ze de vondst zijn

van een heel enkel beest dat beter door de natuur begiftigd is dan

zijn makkers, zal de lezer moeten uitmaken, want ik weet het niet. Onze

uitspraak moet echter niet berusten op een theorie, of een vooroordeel,

of vooringenomenheid; maar eenvoudig op een aandachtiger gadeslaan van

de dieren, wanneer ze zich niet van de menschelijke nabijheid bewust

zijn en zich dus natuurlijk uitdrukken. Ik mag er hierbij op wijzen

dat ik zelden een waarneming gedaan heb, hoe ongelooflijk ze me op

dat oogenblik ook toescheen, of vroeger of later trof ik een Indiaan,

een "trapper", een natuuronderzoeker aan, die iets dergelijks onder 't

wilde volkje had opgemerkt. De vindingrijkheid van de houtsnip, wier

geschiedenis hier verhaald zal worden, is een van die gevallen. Ook

het stekelvarken, dat een lange helling afrolde, alleen voor de grap

klaarblijkelijk--een waarneming die tweemaal bevestigd is, eens

door een strooper in Nieuw-Brunswijk en nog eens door een leeraar

van Harvard. Evenzoo de wilde kat die mijn net stal, en de reiger,

die kleine vischjes door uitgestrooid lokaas ving, en de vos die zich

dood hield toen hij in een kippenhok gevangen werd, en de ijsvogels

die een stilstaande plek in 't water vol voorntjes wierpen om ze door

hun jongen te laten vangen, en de pad die had geleerd tegen melktijd

op den hoef van een koe op de vliegen te zitten wachten. Het zou wel

eens kunnen zijn dat al deze, en nog een massa ongelooflijke dingen

meer, door verschillende waarnemers op verschillende plaatsen gezien,

aantoonden dat verstand onder de boschbewoners meer algemeen verspreid

is, dan wij verondersteld hadden; en dat wij, wanneer wij onze oogen

verder openzetten en onze vooroordeelen overboord geworpen hebben,

zullen merken dat de natuur mild is met haar gaven en gunstbewijzen,

zelfs voor het kleine goedje.

Wat de verklaring der feiten betreft, waar ik me zoo nu en dan aan

gewaagd heb--die is geheel van mezelf en is van ondergeschikt belang

naast de andere. Haar beteekenis is zuiver persoonlijk en ik heb

haar meer meegedeeld om den lezer zelf aan het denken te brengen,

dan om zijn vragen te beantwoorden. In het hart van elken mensch

zal de maatstaf voor zijn wereld gevonden worden, om het even of

die groot is of klein. Hij zal de warmte beoordeelen, niet naar

een wiskundige berekening van de kracht der zon, maar naar de pijn

van den vinger dien hij gebrand heeft, zooals elk ander kind; en

de wet van den tegenstand begrijpen, niet uit Ganots verhandeling,

maar wanneer hij aan zijn eigen schoenriemen trekt. Zoo zal hij,

met alle nieuwe verschijnselen uit het dierenleven vóór zich, toch

in een wereld van raadselen leven en niets begrijpen, tenzij hij den

moed heeft, in zijn eigen hart te kijken en te lezen.

Een Broertje van den Beer · 第 4 / 13 题