Het doel van dit boekje, voor zoover het een ander doel heeft dan
een mijner eenvoudige genoegens met anderen te deelen, zal in het
hoofdstuk, getiteld: "Hoe men 't bekijkt", worden aangetroffen. De
titel zal verklaard worden in het hoofdstuk: "Een Broertje van
den Beer."
Al deze schetsen zijn uit mijn oude opschrijfboekjes genomen, of
uit mijn eigen geheugen; en de waarnemingen omvatten een tijdperk
van een jaar of dertig--van den tijd af dat ik voor 't eerst door de
bosschen bij huis begon te zwerven met de verbazing en opgetogenheid
van een kind, tot mijn laatsten moeilijken tocht, 's winters in
de Canadeesche wildernis. Sommige hoofdstukken, zooals die over de
Snip en den Waschbeer, geven de eigenaardigheden van allerlei dieren
derzelfde soort; andere, zooals die over den beer en de eidereend
uit het volgende deeltje [1], geven de scherpzinnigheid van sommige
bijzondere dieren weer, die de natuur hoog boven het peil van hun
makkers schijnt te hebben verheven; en in een enkel geval--dat van de
pad--heb ik, terwille van 't verhaal, in één dier de gewoonten van een
stuk of vier, vijf onzer bescheiden helpers, die ik op verschillende
tijden en verschillende plaatsen heb waargenomen, verzameld.
De vreemde namen, die hier voor vogels en andere dieren gebruikt
worden, zijn afkomstig van de Milicete-Indianen, en geven gewoonlijk
een geluid of een eigenaardigheid van 't beest zelf weer. Behalve daar
waar het duidelijk anders vermeld wordt, zijn al deze gebeurtenissen,
is al wat hier is waargenomen onder mijn eigen oogen geschied en
later door andere waarnemers bevestigd. In de verhalen, waarin ik me
stipt aan de feiten hield, heb ik eenvoudig getracht al deze dieren
even belangwekkend voor den lezer te maken, als ze voor mij waren,
toen ik ze ontdekte.
William J. Long.
Stamford, Connecticut, 1903.