Dante verneemt van Graaf Ugolino zijn gruwelijken dood hem door

zijn buurman Aartsbisschop Ruggieri berokkend; en verneemt dan

van Broeder Alberigo het lot der vriendschaps-verraders.

1 Die zondaar hief den mond op van dat wreede voeder, hem afwisschende

aan de haren van het hoofd, dat hij van achter open-gebroken had.

4 Voorts begon hij: "Gij wilt dat ik vernieuwe de wanhopige smart,

die mij het hart prangt, reeds zoo door harer te gedenken, voor ik

er van spreke.

7 Maar zoo mijn woorden het zaad moeten zijn, dat schande doe opgroeien

voor den verrader dien ik knauw, zult gij mij tegelijk zien weenen

en spreken.

10 Ik weet niet we gij zijt, noch op wat wijze gij hier beneden zijt

gekomen; maar Florentijner schijnt gij mij in waarheid, wanneer ik

u hoor.

13 Gij moet weten dat ik graaf Ugolino was, en deze de Aartsbisschop

Ruggieri: nu zal ik u zeggen waarom ik hem zóó na ben.

16 Dat door de uitvoering van zijne kwade gedachten, ik, mij op hem

vertrouwende, gevangen en voorts ter dood gebracht werd, dit is niet

noodig te zeggen.

19 Dies, dat wat gij niet kunt hebben vernomen, dat is hoe rauw mijn

dood was, dat zult gij hooren, en gij zult beseffen of hij mij heeft

beleedigd.

22 Het kleine luchtgat binnen in het hol, dat door mij den naam "des

Hongers" heeft, en waarin nog weer een en ander moest opgesloten

worden,

25 had mij door zijne opening reeds meerdere manen doen zien,

wanneer ik den kwaden droom droomde, die mij van de toekomst den

sluier scheurde.

28 Deze hier scheen mij heer en meester, jagende den wolf en de

welpjes naar het gebergte, waardoor de Pisanen Lucca niet kunnen zien.

31 Met honden, mager, gierig en wèl beproefd, had hij Gualandi met

Sismondi en met Lanfranchi voor zich henen gezonden.

34 Na korten loop schenen mij de vader en de zonen vermoeid en ik

docht me genen hun met de slagtanden de flanken te zien klieven.

37 Wanneer ik tegen den morgen ontwaakt was, merkte ik dat mijn zonen,

die met mij waren, in den slaap weenden en om brood vroegen.

40 Wel zijt gij wreed, zoo gij u niet reeds bedroeft, bepeinzende

dat wat zich aan mijn hart aankondigde; en als gij nu niet weent,

om wat pleegt gij dan te weenen?

43 Reeds waren zij ontwaakt, en het uur naderde, waarop de spijze

ons placht gebracht te worden, en door zijn droom twijfelde een elk:

46 En ik hoorde den toegang beneden tot den gruwelijken toren (met

de sleutel) sluiten; waarom ik mijne zonen in het aangezicht keek

zonder een woord te spreken.

49 ik weende niet; zóó was ik van binnen versteend: zij weenden:

en mijn Anselmuccio zeide: ""Gij kijkt zoo, vader: wat hebt gij?""

52 Nog weende ik daarom niet, noch antwoordde dien ganschen dag,

noch den nacht daarna, totdat de volgende zon in de wereld opging.

55 Toen een weinig daglicht zich had nedergelegd in den smartelijken

kerker, en ik aan vier aangezichten mijn eigen aanblik gewaar werd,

58 beet ik mij de beide handen van smart. En genen, denkende dat ik

ze kliefde uit verlangen om te eten, rezen plotseling op

61 en zeiden: ""Vader, veel minder wierd onze smart, als gij van

ons at: gij bekleeddet ons met dit ellendige vleesch, berooi gij ons

ook daarvan.""

64 Ik hield mij toen stil, om hem niet droever te maken; dien dag

en den volgenden bleven we gansch verstomd; wee, harde aarde, waarom

opendet ge u niet?

67 Nadat wij aan den vierden dag waren gekomen, wierp Gaddo zich

uitgestrekt mij voor de voeten, zeggende: ""Mijn vader, waarom helpt

gij mij niet?""

70 Daar stierf hij: en zoowaar als gij mij ziet, ik zag ze vallen

alle drie, één voor een, tusschen den vijfden en den zesden dag:

waarop ik mij begaf

73 reeds blind te tasten over elk van hen, en twee dagen riep ik

hen, nadat zij gestorven waren: daarna, meer dan de smart vermocht

het vasten.

76 Wanneer hij dat gezegd had, hervatte hij met de oogen verdraaid,

het ellendig hoofd met de tanden, die, als die van een hond, kracht

hadden voor het gebeente.

79 Wee Pisa, schande der volkeren van het schoone land waar het si

klinkt; omdat uwe naburen traag zijn om u te straffen,

82 laat (de eilanden) Capraia en Gorgona zich opmaken en een dam maken

voor den Arno aan zijn keelgat, zoodat die in u alle man verzuipe.

85 Want al had Graaf Ugolijn den roep van u door verraad om de forten

te hebben gebracht, daarom moest gij nog niet zijne zonen tot zulk

een marteldood brengen.

88 Onschuldig maakte de jonge leeftijd, o hernieuwd Thebe, Hugo en

Brigata en de andere twee, die het gedicht hierboven noemt.

91 Wij gingen verder voort, daar waar het ijs een ander volk rauw te

zamen bundelt, niet naar boven gewend, maar ganschelijk omgekeerd.

94 De weeklacht zelf laat ze niet toe te weeklagen, en de smart,

die boven op de oogen verstopping vindt, keert zich naar binnen om

de benauwenis te doen aangroeien,

97 daar de eerste tranen eene ophooping maken, en, als een visier

van ijs, onder het ooglid de gansche kas vervullen.

100 En hoewel als door eelt, alle gevoel voor koude geweken was van

mijn gezicht,

103 reeds scheen ik mij toe eenigen wind te gevoelen; waarom ik (zeide:

"Meester mijn, wie beweegt dit? is hier beneden niet alle warmte òp?"

106 Waarop hij tot mij: "Spoedig zult gij daar zijn, waar het oog u

hierop antwoord zal geven, ziende de oorzaak, die den wind doet komen."

109 En één der droeven van de koude korst schreeuwde naar ons:

"O zóó wreede zielen, dat u de uiterste standplaats is gegeven,

112 licht mij van het gezicht de harde sluiers, zoodat ik de smart

luchte, die mij het hart drenkt, maar even vóórdat het weensel (weer)

bevriest."

115 Waarom ik tot hem: "Zoo gij wilt dat ik u te hulp kome, zeg mij

wie gij zijt; en zoo ik u niet ontbolstere, voege het mij te gaan

tot aan den bodem van het ijs."

118 Dies antwoordde hij: "Ik ben broeder Alberigo, ik ben die van de

vruchten van den slechten tuin, die hier dadels voor vijgen krijg."

121 "O," zeide ik tot hem: "zijt gij nu reeds dood?" En hij tot mij:

"Hoe het mijn lichaam vergaat, boven in de wereld, geen wetenschap

draag ik daarvan.

124 Zoodanig voorrecht heeft deze Ptolemea, dat vele malen de ziel

er in nedervalt voordat Atropos haar den zet geeft.

127 En opdat gij te liever mij de verglaasde tranen van de oogen

afstrijkt, weet dat, zoodra de ziel verraadt,

130 gelijk ik deed, haar lichaam haar ontnomen wordt door eenen duivel,

die voorts haar bestuurt totdat haar gansche tijd verstreken is.

133 Zij echter stort neder in dusdanigen put; en wellicht verschijnt

het lichaam nog boven van de schim, die ginds achter mij overwintert.

136 Gij moet het weten, indien gij eerst kortelings beneden komt:

dat is Heer Branca d'Oria, en er zijn reeds meerdere jaren later

voorbijgegaan sedert hij aldus werd opgesloten."

139 "Ik geloof," zeide ik tot hem: "dat gij mij misleidt; want Branca

d'Oria is nog gansch niet dood, en eet en drinkt en slaapt en draagt

kleeren."

142 "In de gracht boven," zeide hij; "van Kwaadklauw, daar waar het

kleverig pek kookt was Michel Zancho nog niet gekomen

145 of deze liet eenen duivel ter zijner vervanging in zijn lichaam,

en in dat van een zijner verwanten, die het verraad te zamen met

hem pleegde.

148 Maar spreid nu de hand naar hier uit; open mij de oogen."--Maar

ik opende ze hem niet; en hupschheid was het tegen hem vlegel te zijn.

151 Wee, Genuanen, menschen wars van alle goede zeden, en vol van

alle slechtheid, waarom zijt gij niet van de wereld verdelgd?

154 Daar ik met den slechtsten geest van Romagna van ulieden eenen

zoodanigen vond, dat hij wegens zijne werken met de ziel reeds in

den Cocytus zich baadt

157 en in het lichaam nog levend hier boven schijnt.

VIER-EN-DERTIGSTE ZANG.

Vervolg van den negenden ommegang.

De Dichters zien Lucifer en komen langs hem tot het ander halfrond.

1 "Vexilla Regis prodeunt Inferni te ons-waart: daarom zie voor u uit,"

zeide mijn Meester: "of gij hem onderscheidt."

4 Gelijk, wanneer een dichte nevel rijst of wanneer ons half-rond in

den nacht is, van verre een molen zich vertoont, welken de wind draait;

7 docht ik mij alstoen een zoodanig gebouw te zien: voorts wegens

den wind drong ik mij terug tegen mijnen gids, daar er geen andere

beschutting was.

10 Reeds was ik (en met vreeze stél ik het in dichtmaat) dáár, waar de

schimmen gansch bedekt waren en dóórschemerden als een halm door glas.

13 Sommigen zijn liggende; anderen staan recht op, deze met het hoofd

en gene met de voetzolen naar boven; weer een andere, als een boog,

het aangezicht naar de voeten gekeerd.

16 Wanneer wij zooveel voor hem waren gekomen, dat het mijnen meester

behaagde mij te toonen het schepsel, dat het schoone voorkomen hàd,

19 ging hij van vóór mij weg en deed hij mij stil staan, zeggende:

"Zie dit is Dis, en dit is de plaats, waar het voegt dat gij u met

dapperheid wapent."

22 Hoe ik toen bevrozen werd en bezweem, wil het niet vragen, lezer,

daar ik het niet beschrijf, omdat alle spreken te kort zou schieten.

25 Ik stierf niet en bleef niet levend: dies denk nu maar bij u zelven,

zoo gij een greintje geest hebt hoedanig één ik werd, van het ééne

en het andere verstoken.

28 De beheerscher van het smartelijke rijk kwam ter halver borst uit

het ijs naar buiten; en minder kom ik met een reus overéén,

31 dan de reuzen overéénkomen met zijne armen: dan zie hoe groot hij

moet zijn in zijn geheel, dat evenredig is aan dusdanig deel.

34 Indien hij zoo schoon was als hij nu leelijk is, en (dan toch)

tegen zijnen Maker de wenkbrauwen verhief, dan moet wel van hem alle

rouw uitgaan.

37 O hoe groot een wonder scheen hij mij toe, wanneer ik drie

aangezichten aan zijn hoofd zag! Het ééne van voren, en dat was

vleeschkleurig;

40 van de andere twee, die zich toevoegden aan dat (andere) boven het

midden van elken schouder, en die samenkwamen aan de plaats van de kam,

43 scheen het rechter mij toe (te zijn) tusschen het witte en gele;

het linker was om te zien zoodanig als (zij zijn die) komen van daar

van waar de Nijl af komt zakken.

46 Onder elk (aangezicht) kwamen twee groote vleugels te voorschijn,

zóó groot als paste aan zoo grooten vogel: zeilen van een zeeschip

zag ik nooit dusdanig:

49 zij hadden geen vederen, maar van een vleermuis was hun manier, en

die (vleugels) wuifde hij, zóódat drie winden zich van hem weg bewogen.

52 Vandaar dat de gansche Cocytus bevroos: met zes oogen weende hij,

en langs drie kinnen gudste het weensel en bloedig schuim.

55 In êlken mond brak hij met de tanden een zondaar op de wijze van

een hennep-raak zoodat hij er drie zoo zeer door deed pijn lijden.

58 Voor dien in den voorsten bek was het bijten niets vergeleken met

het krauwen, zóódat meermalen de ruggegraat gansch ontbloot bleef

van de huid.

61 "Die ziel daarboven, die de grootste straffe heeft," zeide de

Meester "is Judas Iscarioth, die het hoofd binnen en de beenen

buiten houdt.

64 Van de andere twee die het hoofd naar omlaag hebben, is die, die

hangt uit het zwarte aangezicht, Brutus; zie hoe hij zich wringt en

geen woord spreekt:

67 en de andere is Cassius, die zoo wel ter vleesche lijkt.--Maar

de nacht verrijst, en van nu aan is het (tijd) om te vertrekken,

daar wij alles gezien hebben."

70 Gelijk hem behaagde, omwond ik hem den hals; en hij nam zijn tijd

en plaats waar: en wanneer de vlerken genoegzaam geopend waren

73 greep hij zich vast aan de bevachte flanken: van vacht tot vacht

daalde hij voorts af tusschen de ruige huid en de bevrozen korsten.

76 Wanneer wij dáár waren waar de heup zich draait vlak boven het

dikke der schoften, draaide de Gids met moeite en als in doodsnood

79 het hoofd daarheen waar gene de voeten had, en hij klampte zich

vast aan de vacht als een mensch die stijgt, zoodat ik nog weer

geloofde in de hel terug te keeren.

82 "Houd u goed vast, daar langs dusdanige trappen," zeide de Meester

hijgende als een vermoeid mensch: "het voegt te vertrekken van zoo

groot kwaad."

85 Voorts ging hij naar buiten door de opening van een rots en hij

zette mij zoodat ik zat boven op den rand, voorts strekte hij naar

mij de voorzichtige voeten.

88 Ik hief de oogen op en meende Lucifer te (zullen) zien, gelijk ik

hem verlaten had, en ik zag hem de beenen naarboven houden:

91 en of ik toen in verwarring geraakte, dat bedenke het grove volk,

dat niet inziet hoedanig het punt was dat ik was gepasseerd.

94 "Richt u op," zeide de Meester: "op de voeten: de reis is lang en de

weg is moeielijk, en reeds is het anderhalf uur dat de zon terugkeert."

97 Geen zaal van een paleis was het daar, waar wij waren, maar een

natuurlijke grot, die een slechten vloer had en gebrek aan licht.

100 "Voordat ik mij van den afgrond wegruk, Meester mijn," zeide ik,

wanneer ik recht op stond; "spreek een weinig tot mij om mij uit de

dwaling te helpen.

103 Waar is het ijs? En gene, hoe is die zoo ondersteboven

geplaatst? en hoe heeft in zoo weinig tijds de Zon van avond tot

ochtend de reis gemaakt?"

106 En hij tot mij: "Gij verbeeldt u nog te zijn aan gene zijde van

het middelpunt, daar waar ik mij vastgreep aan de vacht van den kwaden

Worm, die de wereld doorboort.

109 Ginds waart gij, zoolang ik daalde; wanneer ik mij omkeerde,

passeerdet gij het punt waarhenen zich van alle kanten de zwaarten

laten aantrekken:

112 en nu zijt gij onder dat (hemelsch) halfrond gekomen, dat

tegenovergesteld is aan dat, hetwelk het groote vasteland overstolpt,

en onder welks hoogste punt gedood

113 werd de Mensch, die geboren werd en leefde zonder zonde: gij

hebt de voeten boven den kleinen cirkel die de keerzijde uitmaakt

van de Judecca.

118 Hier is het morgen wanneer het dáár avond is: en gene die ons

met de vacht tot trap diende, is nog geplaatst zooals hij eerst was.

121 Van deze zijde viel hij neder van den Hemel; en de aarde, die te

voren aan deze zijde oprees, maakte zich uit vrees voor hem van de

zee een sluier,

124 en kwam tot ons halfrond, en wellicht liet de aarde die ginds te

zien is, hier de plaats ledig om hem te ontvluchten."

127 Daar beneden is eene plaats van Belzebub zóó ver verwijderd als

het Graf zich uitstrekt, welke plaats niet door het gezicht maar aan

een geluid gekend wordt

130 van een beekje, dat daar nederdaalt door de holte van een rots,

die het heeft uitgehold door den loop dien het kronkelend neemt,

en dat weinig helt.

133 De gids en ik, langs dien verborgen weg kwamen wij daar om weder te

keeren tot de lichte wereld: en zonder ons te bekommeren om eenige rust

136 stegen wij, hij eerst en ik de tweede, zoolang tot ik van de

schoone zaken, die de Hemel draagt, iets zag door een ronde opening:

139 en daar kwamen wij naar buiten om weder te zien de sterren.

AANTEEKENINGEN

EERSTE ZANG.

1 Het midden van den weg onzes levens: voor den dichter met Paschen

van 1300, het jubel-jaar, te Rome met grooten toeloop van volk en

aflaat van zonden gevierd en herhaaldelijk door den dichter herdacht,

in het welk hij zijn 35ste levensjaar bereikt had. Dit levensjaar

beschouwt hij als het midden van den Boog, welken het menschelijk

leven opgaande en neergaande beschrijft, welke Boog te regelmatiger is

verdeeld naarmate de mensch volmaakter geäard is. Daarom dan ook heeft

Christus in zijn 34ste jaar willen sterven, omdat, hij in het aardsche

leven wèl wilde òp- maar niet wilde neer-gaan (Convito IV. 23, 65).

De dichter stelt zich-zelven voor als op dat tijdstip zich bewust

wordend over de verdorvenheid van de meesten zijner tijdgenooten,

zoowel in kerk als in staat;--niet als zelf in zonden verzonken;--hij

zegt dan ook dat de Rechte Weg verloren was, niet dat hij dien verloren

had. Niet de schrijver der Vita Nuova was in zonden verzonken,

maar wèl doorgrondde en kende hij alle kwaad der wereld. En zoo

maakt zijne ziel zelve de gansche reis van algeheele verdoemdheid,

door gestadige Loutering, zoodat zij langs trap en trap stijgt, tot

de hoogste gelukzaligheid, zijne ziel waarin zich alles weerspiegelde

wat hij van eigen Tijd of Historie wist.

17 Die planeet: De Zon en tegelijk Christus en zijn stralen: het

Evangelie.

27 Boccacio zegt dat dit hyperbolisch gesproken is, dat de Dichter

meent dat slechts weinigen daar levend zijn doorgekomen, want hoe

ware de dichter anders zelf daar in leven gebleven?

30 Gewoonlijk wordt dit opgevat als duidde de dichter er mede aan dat

hij steeg. Stijgen kan men nooit zóó doen dat de stil-staande voet

altijd (ook in het Italiaansch valt door het vers de nadruk op Sempre)

de laagste is; hoe men ook stijgt, de stil-staande voet is dan altijd

beurtelings de hoogste en de laagste. Altijd de laagste is hij alleen,

wanneer men over vlakken grond gaat, daar dan de tredende voet altijd

boven den grond moet zweven. Jacques Perk heeft er wat anders van

gemaakt, daar hij van den voetje voor voetje dalende zegt: De voet,

die volgt, staat hooger dan die treedt.

31 De Losch, de Leeuw en de Wolvin zijn de Wellust, de Heersch-zucht

en de Heb-zucht.

37 Dat de lente de tijd der Schepping was zegt ook Virgilius

Georg. II. 336 in Vondels vertaling: "Oock geloof ick niet dat de

weerelt in eenigh ander saizoen geboren wert, of in den aenvangk eenen

anderen toon hielt; het was toen lente: de groote werelt quam met de

lente te voorschijn, en d' oosten wint hielt zijnen kouden adem in,

toen de dieren eerst het licht zagen."

43 Het uur des daags en het zoete S: deze woorden zijn subject. De

morgen en de lente zijn de tijd der hoop maar ook van de rust der

wilde dieren.

60 Het licht als geluid ook Hel V 28 "in loco d'ogni luce muto,"

eene plaats stom van alle licht.

70 Hoewel het te laat was; nl. te laat om mij reeds tijdens zijn leven

te onderscheiden. Bij Julius Caesars dood was Virgilius pas 25 jaar.

100 Wie bedoeld wordt met dezen hazenwind, hetzij men er een der

Ghibellijnsche aanvoerders van wie Dante achtereenvolgens het heil

verwachtte en die tusschen vilt en vilt (dit is in de grootste armoede,

ook wordt Feltro voor eigennaam gehouden) geboren moest zijn, hetzij

Christus zelven in herkent, blijft een onoplosbaar raadsel. Vóór de

eerste onderstelling nl. dat die hazewind een Ghibellijn moet zijn,

pleit de aanduiding van Hazewind, den vijand der Wolfskinderen of

Guelfen. Doch nergens in het geheele Gedicht is eene allegorie zoo

weinig tastbare werkelijkheid geworden als hier.

TWEEDE ZANG.

1 De bruine lucht. Het oorspronkelijke bruno heb ik, hoewel dikwijls

voor donker in 't algemeen gebruikt, behouden, daar het juist de kleur

aangeeft van den avond zooals die onder schoonere hemelstreek valt.

6 Geest, in het oorspronkelijke "Mente." Dante geeft (Convito III 2)

volgens Aristoteles der menschelijke ziel (anima) drie machten, de

vegetativa, de sensitiva en de intelettiva, van welke de eerste het

fondament van de tweede, de tweede het fondament van de derde is,

zoodat wel de eerste zonder tweede en derde, de tweede en eerste

zonder de derde, maar de tweede niet zonder de eerste, of de derde

zonder de eerste en tweede kunnen bestaan. De eerste, de vegetavia

is die van het enkelvoudig leven, en komt zonder de twee andere voor

bij de planten. De tweede is die der zinnen, en komt met de eerste te

zamen zonder de derde vóor bij alle dieren. De derde, gebaseerd op

de beide voorgaanden, de intellettiva of die der Rede, is alleen in

de menschelijke ziel aanwezig en maakt deze, als zijnde eene eeuwige

Intelligentie, der Goddelijke Natuur deelachtig. Deze derde heeft

ook meerdere deugden (virtù) nl. die van het kennis vergaren, die

van het Redeneeren of zich beraden, ook die van de Inventie en het

Oordeel. En deze edelste vermogens maken te zamen la Mente, den Geest.

13 Silvius, de zoon van Aeneas.

14 Zinnelijk, sensibelmente, in verband met het in de noot op vs. 6

gezegde, gemakkelijk te begrijpen als: nog het lagere en sterfelijke

leven deelachtig.

16 hem, steeds Aeneas.

17 Hoffelijk en vs. 58 hoofsch, twee Hollandsche woorden, beiden

letterlijke vertaling van het Ital. cortese waarover zie vs. 58.

20 Over Dante's politieke wereld-beschouwing en zijne voorstelling van

het Romeinsche Rijk als volstrekt noodzakelijk voor den Christelijken

Godsdienst en het Pausdom zie men "Kunst en Maatschappij" Nieuwe Gids,

Dec. 1896.

22 Welke beiden: Rome én haar heerschappij.

28 Het uitverkoren vat: Paulus.

52 Dit wordt verklaard in den vierden Zang.

55 De Ster: De planeet Venus.

58 hoofsche, letterlijke vertaling van Cortese. Hoofschheid, Cortesia

wordt door Dante zelven in het Convito II, 11 aldus verklaard:

"Hoofschheid en eerlijkheid (onestade) zijn gansch één; en omdat

aan de hoven oudtijds de deugden en schoone gewoonten in zwang waren

(gelijk heden ten dage juist het tegendeel daar in zwang is) werd dit

woord genomen van de hoven; om te zeggen hoofschheid was zooveel als

te zeggen gebruik van het Hof. Welk woord, indien het nu werd genomen

van de hoven, vooral die van Italie, niet anders zoude beteekenen

dan schandelijkheid."

78 dien hemel enz. d. i. de hemel der maan, die al het ondermaansche

òmvat. In den Hemel wordt deze Allegorie nader uitgewerkt, maar

Beatrice is hier wel degelijk, behalve de gestorvene geliefde ook de

verpersoonlijking van Theologie en Philosophie.

94 Eene edele vrouwe, d. i. Maria.

100 Lucie, de verlichtende genade, die der blindheid der stervelingen

te gemoet komt en hen tot de redding brengt.

102 Rachel, zooals men in zang IV zal zien eene van de weinige in

de Oudheid en dus voor het Christendom gestorvenen, die toch in

den hemel zijn gekomen. Zij stelt voor het comtemplatieve leven,

in tegenstelling met Lea hare zuster, het actieve leven. Genesis c 29.

DERDE ZANG.

56 De Drieëenheid.

59 Wie hier bedoeld wordt, hetzij een Paus die van zijne waardigheid

afstand had gedaan, hetzij Ezau, hetzij een Florentijn, die tot hooge

positie geroepen, zich in de geweldige beroeringen in zijn vader-stad

onzijdig had gehouden, is onzeker.

VIERDE ZANG.

De Hel is een ontzaggelijk kegelvormig dal. De top des kegels

valt samen met het middelpunt der aarde, welker oppervlak haar van

boven dekt en afsluit. Langs den wand loopen negen groote ommegangen

telkens de volgende korter dan de voorgaande en door treden aan elkaar

verbonden. De beide dichters steeds den wand aan de linkerhand houdend,

maken telkens bijna den geheelen ommegang. Eenige kleinere afwijkingen

zullen te hunner plaatse worden aangeteekend.

45 Zoom Limbo.

45 zie II 52.

60 Hij: Israël.

121 Electra, moeder van Dardanus, den stichter van Troje.

VIJFDE ZANG.

6 met zijn staart.

61 De tweede, Dido uit de Aenëis.

107 Kaïna, in de onderste Hel, waar Kaïn en zijns gelijken vertoeven.

136 Galeotto, de vriend van Lancelot, die hem tot eene samenkomst

met Ginevra bracht.

ZESDE ZANG.

21 Ontwijden, profani, worden deze zondaren genoemd, die oorspronkelijk

tot hooger bestemming gewijd, zich zelven verlaagd hebben.

61 Over de burger-twisten in Florence zie men Potgieters Toelichtingen

tot zijn gedicht "Florence".

ZEVENDE ZANG.

1 Pape, interjectie van verwondering.

aleppe, de Hebreeuwsche a, interjectie van smart.

38 Klerken, geestelijken.

73 Volgens Dante zijn de hemelen negen onderscheidene uitspanselen,

van welke de binnenste zeven geleid worden door de zeven planeeten, op

elk van welke de hun voorlichtende engelen of intelligentiën gezeten

zijn. Vandaar dan ook in de 1ste Canzone van het Gastmaal "Voi che

intendendo il terzo ciel movete." "Gij, die door uw intelligentie

den derden hemel beweegt," gesproken tot de engelen, die den planeet

Venus lichten en leiden.

87 goden, d. w. z. die engelen of intelligenties.

91 aan het kruis gebracht d. i. eenvoudig beschimpt.

95 eerstgeborene schepselen, de engelen.

105 Binnen in den vijfden ommegang.

ACHTSTE ZANG.

1 Boccacio verhaalt dat hem uit goede bron was medegedeeld, dat Dante

de zeven eerste canto's geschreven hebbende, ze bij zijne uitwijking

uit de stad te huis achtergelaten had en ze, daar zijn huis geplunderd

was, ze verloren, waande; ze echter door de zorgen van een neef vele

jaren later terug kreeg, en eerst toen het gedicht voortzette: van

daar dit zonderlinge begin.

19 Phlegyas uit de Aeneis VI 618.

71 vallei, Overgang tot den zesden Cirkel.

83 neergeregende, nl. duivelen tegelijk met Lucifer uit den Hemel

geploft.

88 sloten zij weg, daar duivelen, als tot geene deugd bekwaam, nooit

iets kwaads kunnen bedwingen, maar alleen tijdelijk verbergen.

125 daar zij haar reeds gebruikten, nl. bij Christus' hellevaart.

130 Dit wordt in het volgende boek nader verklaard.

NEGENDE ZANG.

1 Zijn nieuwe kleur. De ongewone bleekheid welke Virgilius zoo

spoedig mogelijk bij zich zelve deed verdwijnen, om Dante niet nog

meer te ontmoedigen.

Dante's Hel In proza overgebracht en met een inleiding voorzien · 第 10 / 12 段