82 En zoo trokken de nagels de schurft weg, als het mes bij de

papegaai-visch de schubben (wegsnijdt), en bij een andere visch die

ze nog breeder heeft.

85 "O gij, die u met de vingeren ontmaliet," begon de Gids mijn tot,

één van hen; "en die van uwe vingeren zóó vele malen tangen maakt,

88 zeg mij, of onder degenen, die daar binnen zijn, een Latijner is,

zóó waarlijk moge de nagel u eeuwiglijk volstaan tot dit werk."

91 "Latijners zijn wij, die hier aldus beiden gebroken ziet,"

antwoordde de ééne weenende: "maar gij, wie zijt gij, die naar ons

vraagdet!"

94 En de Gids zeide: "Ik ben één, die nederdaal met dezen levende

van rots-rand tot rand, en vermeen dezen de Hel te toonen."

97 Toen brak zich het gemeenschappelijk tegenelkanderleunen; en

sidderende wendde zich ieder naar mij met de anderen die het hoorden

door den wedergalm.

100 De goede Meester richtte zich gansch tot mij, zeggende: "Zeg hun

dat wat gij wilt." En ik begon nademaal hij het wilde:

103 "Indien uwe heuchenis in de eerste wereld zich niet uitwischt

uit de menschelijke geesten, maar indien zij leeft onder vele zonnen,

106 zegt mij wie gij zijt en van wat volk: uw rauwe en afzichtelijke

straffe make u niet schuw om u aan mij te openbaren."

109 "Ik was van Arezzo, en Albero van Siena," zeide de één: "deed

mij in het vuur zetten; maar dat waarom ik stierf, leidt mij niet hier.

112 Waarheid is dat ik tot hem zeide, sprekende in scherts: ""ik zoude

mij in de lucht kunnen opheffen ter vlucht:"" en gene, die begeerte

had en weinig verstand,

115 wilde, dat ik hem de kunst zou vertoonen, en alleen omdat ik hem

niet tot een Daedalus maakte, deed hij mij branden door zoo eenen

die hem als zijnen zoon beschouwde.

118 Maar tot den laatsten Buidel van de Tien doemde mij Minos, die

niet màg falen, wegens de Alchimie, die ik in de wereld uitoefende."

121 En ik zeide tot den Dichter: "Was er ooit volk zoo wuft als dat

van Siena? Voor zeker dat van Frankrijk is het niet zóó zeer."

124 Waarop die andere melaatsche, die mij hoorde, op mijn gezegde

antwoordde: "Maar zonder me Stricca daarvan uit, die zóó gematigde

uitgaven wist te doen;

127 En Nicolaas, die het eerst het kostbaar gebruik van den kruidnagel

ontdekte in den tuin, waar zulk zaad goed gedijt;

130 en zonder mij de bent uit, in welke Caccia d'Ascian den wijngaard

en het groote loof verdierf, en waarin Abbagliato zijn grooten geest

luchtte.

133 Maar opdat gij wetet wie u inlichtte tegen de Sanesen, spits naar

mij uw oog, zoodat mijn aangezicht u goed antwoorde:

136 zóó zult gij zien dat ik de schim ben van Cappocchio, die met

alchimie de metalen vervalschte; en als ik u goed beoog, dan moet

gij u wel herinneren,

139 hoe ik van aanleg een goede aap was."

DERTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

In den Tienden Buidel voortgaande te kijken, zien de beide dichters

de plegers van valschheid elkander als razenden achtervolgen en

verscheuren (1-46); voorts zien zij den valschen munter, Adam van

Brescia, die eene kijverij houdt met Sinon, den Griek (46-einde).

1 Ten tijde dat Juno wegens Semele tegen het thebaansche bloed toornend

was, zooals zij wel één en ander maal vertoonde,

4 werd Athamas zóózeer waanzinnig, dat hij, ziende zijne vrouw,

gaande aan beide handen bevracht met hun twee zoontjes,

7 schreeuwde: "Spannen we de netten, zoodat ik de leeuwin en de wulpjes

pakke bij het voorbijgaan;" en voorts spreidde hij de meedoogenlooze

vingeren uit,

10 grijpende daarmede den éénen, die heette Learchus, en hij

verbrijzelde hem en stiet hem tegen een rots; en gene wierp zich te

water met de andere vracht.

13 En wanneer de fortuin ter neder wierp de hoogheid der Trojanen,

die zich tot alles vermat, zoodat te zamen met zijn rijk de koning

werd geslagen;

16 toen heeft de droeve Hecuba, ellendig en gevangen, nadat zij

Polyxena had zien sterven en nadat de smartenrijke aan den oever

19 der zee Polydorus had aanschouwd, uitzinnig geblaft gelijk een hond;

zoo zeer had de smart haar den geest verdraaid gemaakt.

22 Maar noch van Thebe noch van Trojaanschen zag men zoo rauwe

waanzinnigheden, niet om beesten, laat staan dan menschelijke ledematen

te steken,

25 als ik er zag in twee vale en naakte schimmen, die liepen bijtende

op zulk een wijze, waarop het varken (loopt) wanneer het uit het

varkenskot ontvlucht.

28 De ééne kwam tot Capocchio, en zette hem de tanden boven in den

knoop van zijn hals, zóó dat hij, hem medetrekkende, hem den buik

deed schuren langs den vasten grond.

31 En de Aretijn, die sidderende achterbleef, zeide tot mij: "Die

dwaal-geest is Gianni Schicchi, en hij gaat aldus dolzinnig, den

ander den weg wijzende."

34 "O," zeide ik tot hem: "zoo waarlijk moge de ander u niet de tanden

in den rug slaan, als het u niet te moeielijk zij om te zeggen wie

dat is, voor die zich van hier verwijdere."

37 En hij tot mij: "Dat is de oude schim der schendige Myrrha, die

haren vader, buiten de richtige liefde, lief werd.

40 Deze kwam aldus met hem samen om te zondigen, zich zelve vermommende

onder eens anders gestalte; gelijk de ééne, die daar ginds gaat,

onderstond,

43 ten einde de meesteresse der stoeterij te winnen, zich valschelijk

voor te doen als Buoso Donati, testeerende en zijn testament

vormelijkheid gevende."

46 En nadat de beide dolzinnigen voorbij waren, op wie ik het oog

gevest had gehouden, wendde ik het, om de andere kwalijk-geborenen

te zien.

49 Ik zag er éénen gemaakt tot de gelijkenis van een luit, als hij

maar de lies geknot hadde gehad, daar waar de mensch die verlengd

heeft tot eenen gaffel.

52 De zware waterzucht, die zoozeer misdeelt de leden door het vocht,

dat zij kwalijk scheidt, dat het aangezicht niet beantwoordt aan

den buik,

55 deed hem de lippen geopend houden, gelijk de koortslijder doet,

die door den dorst, de eene naar de kin en de andere naar boven richt.

58 "O gij, die zonder eenige pijniging zijt (en ik weet niet waarom)

in de gramme wereld," zeide één tot ons: "ziet en let

61 op de ellende van Meester Adam: ik had bij mijn leven genoeg van

wat ik wilde, en nu helaas! smacht ik naar een drupsken waters.

64 De vlietkens, die van de groene heuvelen van den Casentino naar

beneden schieten in den Arno, makende hunne beddingen koel en zacht,

67 staan mij altijd te voren en niet voor niet, daar hun beeld mij al

wijd meer uitzuigt, dan de kwaal, door welke ik mij in het aangezicht

ontvleesch.

70 De gestrenge rechtvaardigheid die mij steekt, neemt aanleiding

uit de plaats, waar ik zondigde, om mijne zuchten meer aan te wakkeren.

73 Dáár is Romena, dáár waar ik het allooi vervalschte, gestempeld

met den Dooper, waarom ik het lichaam boven verbrand liet.

76 Maar zoo ik hier de droeve schim zag van Guido, of van Allessandro

of van hun broeder, dan zoude ik dat gezicht niet geven voor de bron

van Branda.

79 Daarbinnen is er reeds ééne, indien de dolzinnige schimmen, die

rond mij gaan, waarheid spreken: maar wat baat het mij, daar ik de

ledematen gebonden heb.

82 Als ik nog maar zoo vlug ware, dat ik in honderd jaren één duim

kon gaan, dan hadde ik mij reeds op het pad gezet,

85 hem zoekende onder die wanstaltige luiden, ofschoon ook deze

(vallei) elf mijlen in de rondte loopt en (de omgang) niet minder

dan een halve (mijl) over dwars heeft.

88 Door hèn ben ik onder dusdanig gezelschap: zij verleidden mij om

de florijnen te slaan, die drie karaten onreinigheid hadden."

91 En ik tot hem: "Wie zijn de twee vuigen, die rooken als een hand,

des winters onder water gedompeld, die liggen uitgestrekt aan uwe

rechter begrenzing?"

94 "Hier vond ik ze, en daarna keerden zij zich niet om", antwoordde

hij: "wanneer ik neder regende in dezen greppel, en ik geloof niet,

dat zij zich ooit zullen keeren in eeuwigheid.

97 De eene is de valsche, die Josef betichtte; de andere is de

valsche Grieksche Sinon van Troje: door heete koorts geven zij zulk

een wasem af.

100 En de ééne van hen, wien het wellicht verdroot zoo smadelijk

genoemd te worden, sloeg hem met de vuist op den lederen buik:

103 die klonk of hij een trom ware geweest: en meester Adam sloeg

hem op het aangezicht met zijn arm, die niet minder hard bleek,

106 tot hem zeggende: "Al is mij ook het mij verplaatsen ontnomen

van wege mijne leden, die zwaar zijn, toch heb ik den arm tot zulken

arbeid vrij."

109 Waarop hij antwoordde: "Toen gij ten vure gingt, hadt gij dien niet

zoo reede, maar wèl en meer nog hadt gij dien reede, toen gij munttet."

112 En de waterzuchtige: "Des spreekt gij waarheid; maar gij waart

niet zoo reede ter getuigenis, toen gij bij Troje naar de waarheid

werd gevraagd."

115 "Zoo ik valschheid sprak, gij vervalschtet de munt," zeide Sinon:

"en ik ben hier om één vergrijp, maar gij om meer dan eenige andere

verdoemde."

118 "Gedenk, meineedige, het paard," antwoordde hij, die den buik

gezwollen had: "en het zij u kwaad dat de gansche wereld het weet."

121 "En u zij de dorst kwaad, waardoor u," zeide de Griek: "de

tong berste, en het vuile water dat u aldus den buik voor de oogen

opblaast."

124 Toen (zeide) de munter: "Zoo moge uw mond splijten wegens het kwaad

spreken, dat hij gewoon is; want als ik dorst heb, en vocht mij opvult,

127 dan hebt gij toch die heete koorts, en het hoofd, dat u pijn doet;

en om den spiegel van Narcissus te lekken, niet veel woorden zoudt

gij behoeven om u daartoe te nooden."

130 Om ze aan te hooren, daarop was ik gansch gericht, wanneer de

Meester tot mij zeide: "Blijf maar staan te kijken, want weinig

scheelt het dat ik twist met u zoek."

133 Wanneer ik bemerkte dat hij in toorn tot mij sprak, wendde ik mij

tot hem met zulk een schaamte, dat het mij nog door het geheugen wielt.

136 En gelijk degene is die van zijn eigen schade droomt dat hij,

droomende, begeert te droomen, zoodat hij dat, wat is, begeert,

als ware het niet;

139 tot eenen zoodanigen maakte ik mij, niet kunnende spreken en ik

verontschuldigde mij gansch en al, en ik geloofde het niet (voldoende)

te doen.

142 "Minder schaamte wascht grooter vergrijp," zeide de Meester:

"dan het uwe is geweest, daarom ontlast u van alle treurigheid:

145 en bedenk dat ik u altijd ter zijde ben, zoo het weder voorkomt

dat de fortuin u brengt, waar menschen zijn in dergelijk dispuut;

148 want dat te willen hooren is een lage begeerte."

EEN-EN-DERTIGSTE ZANG.

Overtocht tot den negenden ommegang.

Den laatsten der Buidelen achter zich latende, naderen de Dichters

den rand des afgronds, waaruit zij als torens, de reuzen ter

halverlijve zien uitsteken. Een van hen, Antaeus, zet hen op den

negenden ommegang, die den bodem vormt, neer.

1 Eéne zelfde tong (was het die) mij eerst beet, zoodat ze mij de eene

en de andere wang verfde, en (die) mij voorts de artsenij toereikte.

4 Aldus hoor ik, dat de speer van Achilles en van zijnen vader placht

oorzaak te zijn eerst van eene schâlijke en dan van eene goelijke gave.

7 Wij keerden der rampzalige vallei den rug toe, over den oever-rand,

die haar van rondom omgeeft, voortgaande zonder eenig gesprek.

10 Daar was minder dan nacht en minder dan dag, zoodat de blik mij maar

weinig vóóruit ging: maar ik hoorde eenen luidruchten horen schallen,

13 zóó luide dat hij elken donder zou hebben verdoofd, en die deed

mij, hem tegemoet (en) zijnen weg opgaande, mijne oogen ganschelijk

naar ééne plaats richten.

16 Na den pijnlijken knak, wanneer de Groote Karel faalde in zijn

heilig ondernemen, toen heeft Roeland niet zoo gruwelijk getoet.

19 Nog kort maar hield ik het hoofd ginds-heen gericht, wanneer ik

me docht vele hooge toornen te zien; waarom ik (zeide):"Meester, zeg,

wat is dat voor een land?"

22 En hij tot mij: "Omdat gij van te verre door de duisternis uwe

blikken doet gaan, gebeurt het dat gij voorts in uwe voorstelling

dwaalt.

25 Gij zult wèl zien, indien gij ginds aankomt, hoezeer het zintuig

door den afstand zich laat misleiden: daarom zet u zelven wat meer

tot spoed aan."

28 Voort vatte hij mij liefderijk bij de hand, en hij zeide: "Vóór

dat wij dichterbij zullen zijn, opdat de zaak minder vreemd voorkome,

31 weet dat het geen torens, maar reuzen zijn en dat zij van den

navel nederwaart gansch en al in den put zijn rondom langs den oever."

34 Gelijk, wanneer de nevel zich verspreidt, de blik langzamerhand

herteekent dat wat de damp verbergt, die de lucht verdikt;

37 alzoo, daar (mijn blik) de dikke en duistere lucht doorboorde,

en wij al nader kwamen bij den rand, vlood mij de dwaling en won mij

de vrees;

40 omdat, gelijk hoven op den ronden ring-muur Montereggion met

torenen zich bekroont, aldus betorenden den rand, die den punt omringt,

43 ter halverlijve de schrikkelijke reuzen, welke Jupiter nog uit

den Hemel bedreigt, wanneer hij dondert.

46 En van enkelen werd ik reeds het aangezicht gewaar, de schouders

en de borst, en van den buik een groot gedeelte en langs de ribben

nederwaart de armen.

49 Gewis Natuur, wanneer zij afliet van de kunst om zulke levende

wezens te maken, deed wel om zulke uitvoerders aan Mars te ontnemen.

52 En dat haar geen olifanten of walvisschen rouwen, wie het keuriger

beschouwt, hij houdt er haar te meer rechtvaardig en bescheiden om;

55 want, waar de drijfveer van de reden zich voegt bij den kwaden

wil en het vermogen, daar kan de mensch gansch geen tegenweer bieden.

58 Zijn aangezicht scheen mij zóó lang en breed als de pijn-appel

van Sint Pieter te Rome; en naar verhouding daarvan waren de overige

gebeenten.

61 Zoodat de oever, die hem tot broek was van het midden nederwaart,

zooveel van hem daarboven vertoonde, dat tot zijne lokken te (kunnen)

komen

64 drie Friezen zich kwalijk zouden hebben beroemd; omdat ik dertig

groote palmen zag van die plaats nederwaart, waar de mensch zich den

mantel gespt.

67 "Rafel mai amech zabialmi," begon de wreede muil te zingen, wien

geen zoetere lofzangen voegen.

70 En de Gids mijn tot hem: "Botte ziel, houd u bij den hoorn, en

geef u daarmede lucht, wanneer toorn of hartstocht u raakt.

73 Zoek aan uwen hals en daar zult gij het koord vinden, dat hem

gebonden houdt, o ziel-in-verwarring, en zie naar hem, die u de groote

borst omkringt."

76 Voorts zeide hij tot mij: "Deze beschuldigt zich-zelven; dat is

Nimrod, door wiens kwaden inval niet maar ééne taal in de wereld in

zwang is.

79 Laten wij hem staan, en spreken we niet onnut met hem: daar deze

taal voor hem zóó is als de zijne voor een ander, want aan niemand

is zij bekend."

83 Dies doen wij verder de reize, ter slinker gewend; en op een

boogschot afstand, vinden wij den ander, die nog veel trotscher en

grooter is.

85 Wie de meester geweest was om hem te gorden, dat weet ik niet

te zeggen, maar hij hield de andere hand vóór en de rechter achter

opgebonden

88 door een ketting, die hem omwonden hield van den hals nederwaart,

zoodat boven het verborgene van hem, die ketting zich kronkelde tot

den vijfden draai.

91 "Die hoovaardige wilde de proef nemen van zijne kracht tegen den

hoogsten Jupiter," zeide mijn Gids: "en vandaar heeft hij zoodanige

verdiende straf.

94 Ephialtes heet hij; en hij deed zijne groote proefstukken, toen

de reuzen de goden bevreesd maakten: de armen die hij beurde, beweegt

hij nooit meer."

97 En ik tot hem: "Indien het zijn kan, dan zoude ik wel willen dat

mijne oogen ondervinding kregen van den mateloozen Briareus."

100 Waarop hij antwoordde: "Gij zult Antaeus dicht hierbij zien,

die spreekt en niet gebonden is, en die zal ons nederzetten, op den

bodem van alle kwaad.

103 Diegene, dien gij zien wilt, is veel verder naar ginds, en is

gebonden en van eene gedaante zooals deze, behalve dat hij veel

woester schijnt in het gelaat."

106 Nooit was er zóó geweldige aardbeving die een toren zoo hevig

schudde als Ephialtes zich repte om zich heen en weer te schudden.

109 Toen vreesde ik meer dan ooit den dood; en er ware niet meer

noodig geweest (om mij te doen sterven) dan die angst, indien ik niet

de koorden gezien hadde.

112 Toen gingen wij verder voort en wij kwamen tot Antaeus, die wel

vijf ellen, zonder het hoofd, boven de grot uitstak.

115 "O Gij, die in het fortuinig dal, dat Scipio erfgenaam van glorie

maakte, wanneer Hannibal met de zijnen hem den rug toekeerde,

118 voorhenen duizend leeuwen tot buit erlangdet; en van wien het

nog schijnt dat men gelooft dat, indien gij bij den hoogen oorlog

uwer broeders waart geweest,

121 de zonen der aarde hadden gewonnen; zet ons beneden neer (en heb

daar geen afkeer van) waar de Cocytus de kilte omsluit.

124 doe ons niet gaan tot Tityos of Typhon: deze vermag te geven

datgene waarnaar men hier begeert: daarom nijg u en verdraai niet

den muil.

127 Nog kan hij u roem in de wereld geven; want hij leeft, en verwacht

nog een lang leven, indien niet voor den tijd de Genade hem tot

zich roept."

130 Aldus sprak de Meester; en gene breidde in der haast de handen

uit, en nam mijnen Gids op met die handen van welke Hercules het

nijpen had gevoeld.

133 En Virgilius, wanneer hij zich voelde vastgrijpen, zeide tot mij:

"Rep u hierheen, zoodat ik u vatte:" Voorts deed hij zoo dat één

bundel werden hij en ik.

136 Gelijk de Carisenda schijnt voor den kijker, die staat onder hare

helling, wanneer eene wolk over haar gaat zóódat zij in tegengestelde

richting helt:

139 zoo scheen Antaeus voor mij, die oplette om hem te zien zich

overbuigen, en het was een oogenblik zóó dat ik wel liever langs een

anderen weg had willen gaan.

142 Maar lichtelijk zette hij ons op den bodem, die Lucifer en Judas

verslindt; noch bleef hij daar, aldus genegen,

145 en als een mast op een schip richtte hij zich op.

TWEE-EN-DERTIGSTE ZANG.

De negende ommegang.

Deze loopt om het eeuwige ijs, dat zich in het Middenpunt van

het Heelal bevindt, waarin de zondaars naar vier afdeelingen

gerangschikt zijn. Deze zang handelt van de Kaïna, naar Kaïn

genoemd, en van Antenora, genoemd naar den Trojaanschen verrader

Antenor.

1 Zoo ik rijmen hadde, stugge en klokkende, zooals voegen zoude bij

het doodsche hol, op het welk alle de andere rotsen rusten,

4 dan zoude ik van mijn opzet wel volkomener het sap uitpersen; maar

omdat ik ze niet heb, begeef ik mij niet zonder vreeze tot het spreken.

7 Want om den bodem van het gansche heelal te beschrijven, dat is

geen stuk om voor kortswijl aan te pakken, noch iets voor een taal,

die paatje of maatje roept.

10 Maar die Jonkvrouwen helpen mijn vers, die Amphion hielpen om

Thebe te ommuren, zoodat het woord niet verschillend zij van de daad.

13 O boven allen kwalijk geschapen gepeupel, die in die plaats zijt,

waarvan te spreken hard valt, beter waart gij hier rundvee of geiten

geweest.

16 Toen wij waren onder in den duisteren put, onder (aan) den voet des

reuzen, gansch zeer laag, en terwijl ik nog den hoogen wand aangaapte,

19 hoorde ik tot mij zeggen: "Pas op, daar gij voorbij gaat; maakt

dat gij niet met de voetzolen trapt op de hoofden der rampzalige,

afgematte broederen."

22 Waarom ik mij omdraaide, en ik zag mij te voren en onder mijne

voeten een meer, dat door de vorst gelijkenis had met glas en niet

met water.

25 Nooit heeft zich voor zijnen loop zoo dikken, hul des winters de

Donau in Oostenrijk gemaakt noch de Don, ginds onder den kouden hemel,

28 als dáár was: zoodat als de Tabernich of de Pietrapana er op

gevallen ware, het ook aan den zoom geen krak hadde gegeven.

31 En gelijk de kikvorsch staat om te kwaken met den muil buiten het

Water, wanneer het huiswijf vaak van het aren lezen droomt;

34 Zóó waren, loodkleurig, de treurende schimmen in het ijs, er onder

tot daar waar het blozen troont, de tanden stemmend op den toon van

den ooievaar.

37 Elke hield het aangezicht naar boven gekeerd: bij hen verschaft de

koude zich een uiting door den mond, en door de oogen het droeve hart.

40 Wanneer ik eerst een weinig in het rond had geschouwd, wendde ik

mij naar de voeten en ik zag er twee zoo tegen elkander gedrongen

dat zij de huid van het hoofd ondereen gemengd hadden.

43 "Zegt mij, gij, die de borsten zóó tegen elkander dringt," zeide ik:

"wie zijt gij." En zij bogen de halzen, en nadat zij de aangezichten

tot mij hadden opgericht,

46 leekten hunne oogen, die eerst slechts van binnen nat waren, over

hunne lippen, en de vorst versteef de tranen in de oogen en sloot die:

49 Nooit sloot klamp hout aan hout zoo stevig; waardoor zij, als twee

bokken, tegen elkander botsten; zoo groote toorn verwon hen.

52 En een, die de beide ooren door de koude verloren had, zeide toch

nog met het gezicht naar boven: "Waarom staart gij zoo zeer op ons?

55 zoo gij weten wilt wie die beiden zijn, de vallei, van welke de

Bisenzio afloopt, was van hunnen vader Alberto en van hen.

58 Van één lichaam kwamen zij voort: en de geheele Kaïna, zult gij

kunnen doorzoeken, en gene schimme zult gij kunnen vinden, waardiger

om te zijn vastgestoken in het ijs:

61 niet degene, wien de borst èn de schaduw werd gebroken door dien

éénen slag van de hand van Arthur: niet Focaccia, niet degene die mij

64 zoo zeer met het hoofd overstelpt dat ik niet meer uit kan zien,

en Sassol Mascheroni genoemd werd: zoo gij Toscaner zijt, dan weet

gij voorwaar wel wie hij was.

67 En op dat gij mij niet in meer gesprekken wikkelt, weet dat ik

was Camicione dei Pazzi en dat ik wacht op Carlino dat hij mijne

schuld verduistere."

70 Voorts zag ik duizend gezichten, hondsch geworden door de kou:

waardoor mij huivering aanvaart en aanvaren zal altijd voor bevrozen

plassen.

73 En terwijl wij naar dat middenpunt toegingen, waar alle zwaarte

op samenkomt, en terwijl ik beefde in de eeuwige duisternis;

76 het zij het willens was, of noodlot, of toeval, ik weet het niet;

maar passeerende tusschen de hoofden, stiet ik den voet hard tegen

het gezicht van éénen.

79 Krijtende riep hij tot mij: "Waarom stoot gij mij? Zoo gij niet komt

om de wraak over Monte Aperti te verergeren, waarom plaagt gij mij?"

82 En ik: "Meester mijn, nu wacht mij hier, zóódat ik door dezen van

eenen twijfel ontheven worde: voorts zal ik, zooveel gij maar zult

willen, haast maken.

85 De gids bleef stil staan; en ik zeide tot hem, die nog hard vloekte:

"Wie zijt gij, die aldus een ander gispt?"

88 "Maar wie zijt gij, die door Antenora gaat," antwoordde hij:

"een ander de wangen stootende, zoodat, als gij levend waart, het te

erg zoude zijn?"

91 "Levend ben ik, en lief kan het u zijn," was mijn antwoord:

"indien gij naar roem verlangt, dat ik uw naam zette onder mijn

andere opteekeningen."

94 En hij tot mij: "Het tegendeel begeer ik: pak u van hier en geef

mij niet meer overlast: want kwalijk weet gij te schertsen in deze

delling."

97 Toen nam ik hem bij de nekharen, en ik zeide: "Het zal pas geven

dat gij of u zelven noemt, of dat u hier geen haar op over blijve."

100 Waarop hij tot mij: "Omdat gij mij onthaart, daarom zal ik u toch

niet zeggen wie ik ben, noch zal ik het u openbaren, al valt ge mij

ook duizend malen op het hoofd."

103 Ik had reeds zijne haren in mijn hand geplukt, en ik had er hem

meer dan eene lok uitgetrokken, terwijl hij blafte met de oogen naar

beneden afgewend gehouden,

106 wanneer een ander riep: "Wat hebt gij Bocca? is het u niet genoeg

te klapperen met de kaken, dat gij ook nog blaft? wat duivel pakt u."

109 "Voortaan," zeide ik: "wil ik niet dat gij spreekt, kwade verrader,

daar ik tot uwe schande ware kwade berichten van u zal mededragen,"

112 "Ga weg," antwoordde hij: "en vertel wat gij wilt; maar zwijg niet,

als gij van hier-binnen weggaat, van hem die de tong zóó rad had.

115 Hier weent hij over het geld der Franschen: ""ik zag,"" zult gij

kunnen zeggen: ""dien van Duera, daar waar de zondaars koel staan.""

118 Indien ge gevraagd wordt naar anderen die er waren, aan uw ééne

zijde hebt ge dien van Becheria, van wien Florence de keel afsneed.

121 Gianni del Soldanier geloof ik dat meer ginds heen is met Ganeloen

en Tribaldello, die Faenza opende toen men sliep."

124 Wij waren reeds van hem verscheiden, toen ik er twee zag, bevroren

in één hol, zóó dat het ééne hoofd aan het andere tot hoofd-deksel was.

127 En gelijk men uit honger op het brood kauwt, zóó zette de

bovenste de tanden in den onderste, daar waar de hersen-kast met den

nek samenkomt.

130 Niet anders knauwde Tydeus de slapen van Melanippus uit

verbetenheid, dan deze deed met het hoofd en de andere dingen.

133 "O gij, die door zoo beestelijk kenteeken toont den haat op gene,

dat gij hem eet, zeg mij het waarom," zeide ik: "op zulk beding:

136 dat, als gij u met reden over hem beklaagt, ik wetende wie gij

beiden zijt, en zijn vergrijp, ik in de wereld hierboven het u nog

vergelde,

139 zoo deze (tong), waarmede ik spreek, niet verdorre."

DRIE-EN-DERTIGSTE ZANG.

Vervolg van den negenden ommegang.

Dante's Hel In proza overgebracht en met een inleiding voorzien · 第 9 / 12 段