gij binnen weinig tijd dat gene ondervinden wat Prato, laat staan
anderen, u van harte toewenscht:
10 en zoo het nu al gebeurde, niet laat zoude het komen. Aldus zij
het, nademaal het nu eenmaal zoo zijn moet! Want te meer zal het mij
bezwaren, hoe ouder ik word.
13 Wij vertrokken, en de trappen, die de duisternis ons had doen
afklimmen, klom de Gids wederom op en hij trok mij mede.
16 En den eenzamen weg vervolgende tusschen de klippen en de rotsen
van den rotsweg, kon de voet zonder de hand niet verder komen.
19 Toen deerde mij en nu nog deert mij, wanneer ik de heuchenis richt
op dat wat ik zag; en meerder houd ik de toomen van mijnen geest in
dan ik gewoon ben,
22 dat hij niet loope, waar de deugd hem niet stuurt; opdat, als
mijn goed gesternte of nog betere zaak mij het goede gegeven heeft,
ik het mij zelven niet misgunne.
25 Zoovele lichtjes als de daglooner, die tegen de helling uitrust,
in den tijd dat degene, die de wereld verlicht, zijn aangezicht korter
voor ons verborgen houdt,
28 ziet (op het uur) wanneer de vlieg wijkt voor de mug: zoovele
lichtjes als hij dan ziet onder (zich) in de vallei, wellicht daar
waar hij (des daags) in de wijngaard werkt of ploegt;
31 van zoovele lichtjes weerschitterde de gansche Achtste Buidel,
zooals ik bemerkte zoodra ik daar was, waar diens bodem zichtbaar werd.
34 En gelijk degene, die zich wreekte met de beren, den wagen van
Elia bij het vertrekken zag, toen de paarden steigerend naar den
hemel opstegen;
37 zoodat hij hem niet zoo met de oogen kon volgen, dat hij nog wat
anders dan alleen maar een vlam, als een wolkje, ten hoogen zag varen:
40 zóó bewoog zich elk (lichtje) door de geul der gracht, zoodat
geen (lichtje) den buit liet zien, en elke vlam draagt eenen zondaar
in zich.
43 Recht-op stond ik boven op de brug om te zien, zoodat, indien
ik geen rots-punt had gegrepen, ik naar beneden zou zijn gevallen,
zonder een zet te hebben gekregen.
46 En de gids, die mij zoo aandachtig zag, zeide: "Binnen in die
vuren zijn de geesten: elke geest wordt omwikkeld door dat vuur,
door hetwelk hij wordt in brand gestoken."
49 "Meester mijn," antwoordde ik: "door u te hooren heb ik reeds meer
zekerheid; maar reeds had ik de meening dat het zóó was, en reeds
wilde ik tot u zeggen:
52 wie is in dat vuur, dat van boven zoo gedeeld aankomt dat het
schijnt op te gaan van den brandstapel, waarop Eteocles met zijnen
broeder was nedergelegd?"
55 Hij antwoordde mij: "Daarbinnen wordt gemarteld Ulisses en Diomedes
en zóó loopen zij te zamen naar de straf als vroeger om hun toorn
(te koelen):
58 en binnen in hunne vlam wordt gezucht over de hinderlaag van het
paard, dat de poort maakte, waardoor het edel zaad der Romeinen naar
buiten ging.
61 en daarbinnen in wordt de list beweend, waardoor Dëidamia,
gestorven, nog treurt over Achilles, en voor het Palladium wordt
daar geboet."
64 "Indien ze daarbinnen in die vlammen kunnen spreken," zeide ik:
"Meester, dan bid ik u wel zeer, en bid ik u nogmaals dat dit gebed
voor duizend gebeden gelde,
67 dat gij mij niet verbiedt te wachten, totdat de gehorende vlam
hier komt: gij ziet dat ik uit begeerte mij naar hem buig."
70 En hij tot mij: "Uw gebed is zeer prijzenswaardig, en daarom neem
ik het aan: maar maak dat uw tong zich stil houde.
73 Laat mij spreken, daar ik begrepen heb dat wat gij wilt; daar zij
wel, omdat zij Grieken waren, schuw zouden kunnen zijn van uwe spraak."
76 Nadat de vlam dáár was gekomen, waar het mijnen Gids tijd en plaats
scheen, hoorde ik hem in dezer voege spreken:
79 "O gij, die twee zijt binnen in één vuur, zoo ik mij, terwijl ik
leefde, verdienstelijk bij u heb gemaakt, zoo ik mij veel of weinig
verdienstelijk bij u heb gemaakt,
82 wanneer ik in de wereld de hooge verzen schreef, beweeg u niet
(verder); maar dat de één van u zegge waar door hem, verdoold, ten
doode gegaan werd."
85 De grootste hoorn der antieke vlam begon murmelende te flakkeren,
zooals ééne, welke de wind teistert.
88 Daarna den top ginds- en hierheen bewegende, of het de tong ware
die sprak, wierp zij eene stem uit en zeide: "Wanneer
91 ik weggegaan was van Circe, die mij aan mij zelven onttogen
hield meer dan een jaar daar dicht bij Caieta, voordat Aeneas dat
(voorgebergte) aldus had genoemd,
94 toen konden noch de zoetheid mijns zoons, noch de eerbied voor
mijnen ouden vader, noch de verschuldigde liefde, die Penelope moest
verheugen
97 (die allen konden) niet binnen-in mij de brandende begeerte
overwinnen, welke ik had om ondervinding van de wereld op te doen,
zoowel van de menschelijke gebreken als van hun deugd:
100 maar ik begaf mij op de hooge, opene zee alleen met één hulk,
en met dat kleine gezelschap, waardoor ik niet werd verlaten.
103 De ééne en de andere kust zag ik tot aan Spanje, tot aan Marocco
en het Eiland Sardinië, en de andere (eilanden) welke die zee rondom
bespoelt.
106 Ik en mijne tochtgenooten, wij waren oud en traag, wanneer wij
aan dat nauwe keelgat kwamen, waar Hercules zijne grenssteenen zette
109 opdat de mensch zich niet verder begeve; aan mijne rechter hand
liet ik Sevilla, aan de andere had ik Ceuta gelaten.
112 "O broeders," zeide ik: "die door honderd duizend gevaren tot
het Westen gekomen zijt, wilt niet aan dit zoo korte wakker-zijn
115 van uwe zinnen, dat u nog rest, weigeren de kennismaking, achter
de zon, met de wereld zonder menschen.
118 Beschouwt uwe afkomst: gij waart niet gemaakt om te leven als
redelooze beesten, maar om deugd en kennis na te jagen."
121 Mijne tochtgenooten maakte ik met deze kleine toespraak, zóó
gespitst op de reis, dat ik ze noode zou hebben kunnen terughouden.
124 En, met den achtersteven naar den Morgen gericht, maakten wij
(ons) van de riemen vleugels voor de dwaze vlucht, altijd aanhoudende
naar de linker hand.
127 Reeds alle sterren van den anderen pool zag ik des nachts, en
den onze zoo láág dat hij niet meer opkwam boven het vlak der zee.
130 Vijf malen ontstoken en even vele (malen) gedoofd was het licht
aan den onderkant der maan, nadat wij den hoogen tocht waren begonnen,
133 wanneer ons een berg verscheen, donker door den afstand, en hij
scheen mij zóó hoog, als ik er nooit éénen gezien had.
136 Wij verheugden ons, maar dra verkeerde die (verheuging) in klacht;
daar uit dat nieuwe land een wervel-wind geboren werd, die den voorkant
van het schip schudde.
139 Drie malen deed hij het met alle de wateren rondwielen, bij de
vierde maal deed hij het den achtersteven op-rijzen en de voorsteven
naar beneden gaan, gelijk het Een Andere behaagde,
142 totdat de zee zich boven ons sloot.
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE ZANG.
Vervolg van den achtsten ommegang.
Uit een volgende vlam hooren zij de stem komen van Guido di
Montefeltro, die door Paus Bonifacius verleid werd hem den slechten
raad te geven.
1 Reeds was de vlam recht op gericht en stil door dat zij niets meer
zeide, en reeds ging zij van ons weg met verlof van den zoeten Dichter;
4 wanneer een andere, die achter gene kwam, ons de oogen naar haar
top deed richten, door een verward geluid, dat van haar uitging.
7 Gelijk het Siciliaansche rund, dat het eerst geloeid heeft van
de klacht van dengene--en dat was recht--die het gevormd had met
zijne vijl,
10 loeide met de stem des gepijnigden, zoodat, hoezeer het van koper
was, het toch scheen van pijn doorvlijmd te zijn;
13 zóó, door geen uitweg of opening te hebben, verkeerden bij het
begin zich de verstoorde woorden in het vuur tot zijn spraak.
16 Maar nadat zij zich hunnen weg hadden gebaand naar boven aan den
punt, daaraan dien draai gevend, dien de tong hun in hun doortocht
had gegeven,
19 hoorden wij zeggen: "O gij, naar wien ik de stem richt, en die zoo
even Lombardisch spraakt, zeggende: ""Nu ga heen, (tot) meer prikkel
ik u niet;""
22 omdat ik wellicht wat traag ben gekomen, verdriete het u niet
stil te staan om met mij te spreken; zie hoe het mij niet verdriet,
en ik brand nog wel.
25 Indien gij eerst onlangs in deze blinde wereld gevallen zijt uit
dat zoet Latijnsche land, van waar ik al mijne schuld mededraag:
28 zeg mij of die van Romagna vrede of oorlog hebben; daar ik van
de bergen was, daar tusschen Urbino en den berg-kam, waarop de Tiber
ontspringt."
31 Nog was ik naar beneden oplettend en voorovergebogen, wanneer
mijn Gids mij van ter zijde aanstiet, zeggende: "Spreek gij, dat is
een Latijner."
34 En ik die reeds het antwoord gereed had, zonder verpoozing begon
ik te spreken: "O ziele, die daar beneden verborgen zijt,
37 uw land van Romagna is niet, noch was ooit zonder oorlog in het
hart van zijne tirannen; maar geenen opentlijken (oorlog) liet ik er
nu achter.
40 Met Ravenna staat het, gelijk het er vele jaren mee gestaan heeft:
de adelaar van Polenta nestelt daar, zoodat hij ook Cervia met de
vlerken dekt.
43 Het land dat reeds de lange proef doorstond, en een bloedige stapel
van de Franschen maakte, beweegt zich weder onder de groene klauwen.
46 De oude Hofhond en de nieuwe van Verruchio, die over Montagna
het kwaad beheer voerden, maken daar, waar zij plachten, hun tanden
tot avegaar.
49 De steden van den Lamone en den Santerno leidt de leeuwen-wulp
van het witte nest, die van zomer tot winter van partij verandert:
52 en die (stad) welker flank de Savio bespoelt, gelijk zij ligt
tusschen vlakte en berg, zoo leeft zij tusschen tirannie en vrijen
staat.
55 Nu wie gij zijt bid ik u dat gij ons verhaalt: wees gij niet stugger
dan (menig) ander is geweest, zóó (waarlijk) moge uw naam in de wereld
het voorhoofd ophouden."
58 Nadat het vuur een oogenblik op zijn manier had geruischt, bewoog
de spitse punt zich her en der en voorts gaf het zóódanigen asem:
61 "Indien ik geloofde dat mijn antwoord ware tot iemand, die ooit in
de wereld wederkeerde, dan zoude deze vlam zonder verdere schuddingen
blijven stilstaan:
64 maar, òmdat uit deze diepte nooit iemand levend wederkeerde, zoo
ik de waarheid hoor, dáárom antwoord ik u zonder vrees voor schande.
67 Ik was een man des zwaards en voorts droeg ik den koorden gordel,
vertrouwende dat ik, aldus gegordeld, mijzelf zou verbeteren: en
zekerlijk dat vertrouwen was in vervulling gekomen;
70 't en ware de Hooge Priester, (wien het slecht verga) die mij in
mijne eerste schuldigheden terugwierp; en hoe en waardoor, wil ik
dat gij van mij vernemet.
73 Zoolang ik gestalte was van het been en vleesch, dat mijne
moeder mij gaf, waren mijne werken niet die van eenen leeuw maar van
eenen vos.
76 De knepen en de bedekte wegen, ik wist ze allen; en zóó leidde
ik hunne kunstigheid, dat er de roep van uitging tot aan het einde
der aarde.
79 Wanneer ik mij gekomen zag tot dat gedeelte van mijnen leeftijd,
waarop ieder de zeilen moest strijken en de touwen inhalen;
82 toen verdroot mij datgene, wat mij eerst geviel, ik berouwde mij
en biechtte en begaf mij (in de orde) wee mij! en het hadde mij gebaat.
85 De vorst der nieuwe Pharizeërs, een oorlog hebbend dicht bij het
Lateraan (en dat niet tegen de Saracenen noch tegen de Joden;
88 want elk van zijne vijanden was Christen, en geen had medegedaan
om Akra te winnen, of was handelaar geweest in het land van den Sultan)
91 noch het hooge ambt, noch de heilige verordeningen achtte hij in
zich-zelven, noch in mij dat koord, hetwelk zijne gegorden placht
magerder te maken.
94 maar gelijk Constantijn Silvester vroeg binnen Siratti om hem te
genezen van de melaatschheid, zóó vroeg hij mij als heelmeester,
97 om hem te genezen van die verwoede koorts: hij vroeg mij om raad
en ik zweeg omdat zijne woorden mij schenen als die eens dronkenen.
100 En voorts zeide hij: ""Uw hart hebbe geen achterdocht, van nu aan
geef ik u aflaat, en gij, onderricht mij te doen zóó dat ik het land
van Praeneste ter aarde werpe.
103 Den hemel kan ik sluiten en ontsluiten gelijk gij weet; daarvoor
zijn de twee sleutels, welke mijn voorganger niet dierbaar hield.""
106 Toen nepen mij de zware bewijs-gronden (en drongen mij daarheen)
waar het zwijgen mij de slechtere partij docht en ik zeide: ""Vader,
sinds gij mij schoon wascht
109 van die zonde, waarin ik aanstonds vallen moet: veel belooven en
weinig nakomen zal u doen zegevieren op den hoogen stoel.""
112 Sint Franciscus kwam later, toen ik dood was, om mij (te halen);
maar één der zwarte Cherubijnen zeide tot hem; ""Draag hem niet weg;
verongelijk mij niet.
115 Hij moet beneden komen onder mijne schalken, omdat hij den
bedriegelijken raad gaf, van welken af aan ik hem altijd in de haren
heb gezeten:
118 want vrij gesproken kan niet worden, wie zich niet berouwt;
en zich berouwen en willen (de daad gedaan te hebben) dat kan niet
samen-gaan wegens de tegenspraak, die daar niet in toestemt.""
121 Ai mij ellendige! hoe sidderde ik, wanneer hij mij greep, tot
mij zeggende: ""Wellicht dacht gij niet dat ik een redekunstige was!""
124 Naar Minos droeg hij mij: en die kronkelde acht malen zijn staart
over zijn harden rug; en, nadat hij uit groote woede zich zelven
daarin gebeten had,
127 zeide hij: ""Deze is van de schuldigen van het dievig vuur:"" en
daarom ben ik daarheen verwezen waar gij mij ziet, en aldus bekleed
gaande, word ik gepijnigd."
130 Wanneer hij aldus zijn spreken had voleindigd, vertrok de vlam,
in droefenis, draaiende en verwringende zijnen spitsen hoorn.
133 Wij gìngen verder voort èn ik èn mijn Gids boven over den rotsweg
tot op den volgenden boog, die de gracht dekt, waarin de schatting
wordt betaald door
136 degenen die, scheuring brengend, zich zelven belasten.
ACHT-EN-TWINTIGSTE ZANG.
Vervolg van den achtsten ommegang.
In den Negenden Buidel zien de beide dichters, de stokers van
scheuring en onmin, door steeds op nieuw geslagen wonden gehavend.
1 Wie zou er ooit, ook met ongebonden woorden, ten volle kunnen
spreken van het bloed en van de wonden, die ik nu zag, (zelfs) door
het meerdere malen te verhalen.
4 Alle taal zou voorzeker te kort schieten wegens onze spraak en onze
heuchenis, die weinig macht hebben om zoo veel te bevatten.
7 Indien zich nog eens al het volk vergaarde, dat voormaals op het
fortuinig land van Apulië zijn bloed verloor
10 wegens de Romeinen en wegens den langen oorlog, die zoo grooten
buit van ringen maakte, gelijk Livius schrijft, die niet dwaalt;
13 (te zamen) met dat volk, dat de pijn der slagen voelde, omdat
het zich tegenoverstelde aan Robert Guiscardo; en met dat volk,
welks gebeente nog gegaard wordt
16 bij Ceperano, daar waar elke Apuliër verrader was, en ginds van
Tagliacozzo, waar de oude Allard zonder wapenen overwon;
19 en al wie dan een van zijn ledematen doorboord en al wie er een
verminkt vertoonde, hij ware nog niets om de gruwelijke wijze te
evenaren van den negenden buidel.
22 Geen vat wordt door duig of bodem te verliezen zoo lek, als ik er
éénen zag, open-gespalkt van de kin tot daar waar men veest.
25 Tusschen de beenen hingen hem de darmen; het midden-rif was
zichtbaar en de nare zak, die drek maakt van al wat er door heen zijgt.
28 Terwijl ik er mij gansch op spits om hem te zien, schouwde hij
naar mij, en met de handen opende hij zich de borst, zeggende:
"Nu zie, hoe ik mij kerf:
31 zie hoe Mahomed verminkt is: vóór mij gaat weenende Ali, gespleten
in het aangezicht van de kin tot aan de kuif:
34 en alle de anderen, die gij hier ziet, waren, levend, zaaiers van
ergernis en van splitsing, en daarom zijn zij aldus gespleten.
37 Een duivel is daarachter die ons zoo wreedelijk verscheurt,
een-elk van dezen riem op de snede van het zwaard nemend,
40 wanneer wij den smartelijken weg ten einde zijn gekeerd: daarom
zijn de wonden weer gesloten vóórdat men weer voor hem terugkomt.
43 Maar gij, wie zijt gij, die boven op den rotsweg staart, wellicht
om uitstel te krijgen van het gaan tot de straf, die uitgesproken is
over uwe schuld?"
46 "Niet kwam de dood nog tot hem, noch leidt hem schuld," antwoordde
mijn Meester: "ter pijniging; maar om hem volle hoop te geven,
49 voegt het mij, die dood ben, hem hier beneden door de Hel te voeren
van kring tot kring: en dit is zóó waar als ik hier tot u spreek."
52 Meer dan honderd waren er die, wanneer zij het hoorden, stil
bleven staan in de gracht om mij te beschouwen, door verwondering de
marteling vergetend.
55 "Nu zeg aan Broeder Dulcino toch dat hij zich toeruste, gij die
wellicht in kort de zon zult zien, indien hij niet spoedig hier mij
wil volgen,
58 (dat hij zich zóó toeruste) met proviand, dat belemmering van
sneeuw de overwinning niet aan den Novarees verschaffe, want dat
anders hem meester te worden niet licht zou zijn."
61 Nadat hij éénen voet, om weg te gaan, had gelicht, zeide Mahomed
mij dat woord; daarna, om verder te gaan, zette hij dien op den grond.
64 Een ander die de keel doorboord had en den neus geknot onder den
wenkbrauw, en niet meer dan één oor over had,
67 stil gebleven staan uit verwondering met de anderen, hij opende
vóór de anderen de keel, die van buiten aan alle kant bloedrood was;
70 en zeide: "O gij, wien geen schuld veroordeelt, en wien ik vroeger
reeds zag in het latijnsche land, indien te groote gelijkenis mij
niet verschalkt,
73 herinner u Pieter van Medicina, indien gij ooit wederkeert om de
zoete vlakte te zien, die van Vercello naar Marcabò afglooit.
76 En doe weten aan de twee besten van Fano, aan Heer Guido en ook
aan Angiolello, dat, zóó het vóórzien hier niet ijdel is,
79 zij met een steen om den nek bezwaard en uit hun vaartuig geworpen
zullen worden dicht bij Cattolica, door het verraad van den wreeden
tiran.
82 Tusschen het eiland van Cyprus en dat van Majorca zag Neptunus nooit
zoo groot vergrijp, noch door zeeroovers noch door Grieken (bedreven).
85 Die verrader, die maar met één oog ziet, en van dat land heer is,
van hetwelk te zien één, die hier bij mij is, wel wenschte nuchter
gebleven te zijn,
88 zal ze tot hem doen komen, tot eene onderhandeling; voorts zal
hij zóó doen dat ze gelofte noch gebed meer van noode zullen hebben
tegen den wind van Focara."
91 En ik tot hem: "Verwittig mij en openbaar mij, zoo gij wilt dat
ik boven bericht van u breng, wie is degene met den bitteren blik."
94 Toen legde hij de hand aan de kinnebak van één zijner metgezellen,
en hij opende hem den mond schreeuwende: "Hij zelf is het, en hij
spreekt niet:
97 deze, verjaagd zijnde, verstikte bij Caesar het weifelen,
verzekerende dat de toegeruste altijd met schade het wachten leed."
100 O hoe met vrees geslagen scheen hij mij, met de tong uit den
strot gesneden, hij, Curio, die zóó onvertsaagd was tot spreken.
103 En één, die de ééne èn de andere hand verminkt had, het stompje
door de donkere lucht opheffend, zóó dat het bloed zijn gelaat
bespatte,
106 schreeuwde: "Zult gij ook om Mosca denken die helaas! gezegd heeft:
""Die zaak loopt wel los!"" hetwelk het slechte zaad was voor het
volk van Toscane."
109 En ik voegde erbij: "En de dood van uw geslacht!" waardoor hij,
de eene pijn op de andere pijn stapelend, wegging als een verslagen
en uitzinnig mensch.
112 Maar ik bleef staan om den optocht te zien, en ik zag een ding
dat ik zou vreezen zoo maar zonder meer bewijs te verhalen;
115 indien niet mijn geweten mij gerust stelde, het goede geleide,
dat den mensch vrijmoedig maakt onder den halsberg dien het bewustzijn
geeft van eigen zuiverheid.
118 Ik zag voorzeker, en nog schijnt het mij dat ik zie, een romp
zonder hoofd voortgaan, zooals de andere van de akelige kudde gingen.
121 En het afgeslagen hoofd hield hij bij de haren zoodat het hing
aan zijne hand naar de wijze van een lantaarn, en dat (hoofd) zag
ons aan en zei: "Wee mij!"
124 En hij lichtte zich-zelven met zich zelven bij, en het waren
twee in één, en één in twee: hoe dat zijn kan dat weet Hij, Die het
aldus bestuurt.
127 Toen hij recht onder de brug was, hief hij den arm met het gansche
hoofd hoog op, om zijne woorden nader bij ons te doen zijn,
130 en die waren: "Nu zie bezwaarlijke straf, gij, die ademend gaat,
ziende de dooden: zie of er één straf zóó groot is als deze.
133 En opdat gij bericht van mij medenemet, weet dat ik ben Bertram
de Born, degene, die den jongen Koning de slechte vertroostingen gaf.
136 Ik maakte den vader en den zoon tweedrachtig tegen elkander:
Achitofel deed niet erger tegen Absolon en tegen David door het
kwaadwillig stoken.
139 Omdat ik zoo nauw-verbonden personen scheidde, daarom draag ik
helaas! het hoofd aldus gescheiden van zijnen oorsprong, die in dezen
romp is.
142 Aldus wordt in mij nagekomen de wedervergelding."
NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZANG.
Vervolg van den achtsten ommegang.
Van den negenden tot den tienden Buidel overgegaan, zien de
beide Dichters daarin de alchimisten en vervalschers van metalen,
door vuile ziekten bezocht en op elkander gestapeld.
1 Het vele volk en de verscheidene verwondingen hadden mijne oogen zóó
dronken gemaakt, dat zij begeerig waren om stil te staan tot weenen.
4 Maar Virgilius zeide tot mij: "Waarom toch blijft uw blik daar
beneden gevestigd tusschen de schimmen, de ellendig verminkten?
7 Niet aldus deedt gij bij de andere buidelen: bedenk, indien gij
meent ze te tellen, dat de vallei (in een kringloop van) twee en
twintig mijlen rondloopt;
10 en reeds is de maan onder onze voeten: weinig is nog maar de tijd
die ons is toegestaan, en wat ànders is er nog te zien wat gij (nog)
niet ziet."
13 "Indien gij," antwoordde ik daarop: "gelet had op de aanleiding
waarom ik keek, dan had gij mij wellicht nog het staan gegund."
16 Ondertusschen ging mijn Gids voort, en ik ging achter hem, nog
het antwoord gevende en er bijvoegende: "Binnen in die holte,
19 waarin ik de oogen zóó gevestigd hield, geloof ik dat een geest van
mijn bloed de schuld beweent, die daar beneden zoo duur te staan komt."
22 Toen zeide de Meester: "Niet botse uw gedachte van nu aan op hem:
let op eenen anderen, en hij blijve daar;
25 want ik zag hem aan den voet van de brug naar u met den vinger
wijzen en u heftig bedreigen, en ik hoorde hem noemen Geri del Bello.
28 Gij waart toen zoo ganschelijk ingenomen door dengene, die
eertijds Altaforte bezat, dat gij niet naar ginds keekt, en zóó was
hij verdwenen."
31 "O Gids mijn, de gewelddadige dood, die hem nog niet gewroken is,"
zeide ik: "door iemand die (door verwantschap) zijn schande deelde,
34 maakte hem verontwaardigd, waarom hij heenging zonder tot mij te
spreken, naar ik meen; en daarin heeft hij mij meer medelijdend met
hem gemaakt.
37 Zóó spraken wij tot aan de eerste plaats, die van den rotswand de
volgende vallei, zoo er meer licht ware, zichtbaar maakt.
40 Wanneer wij waren boven het laatste klooster der Buidelen des
Kwaads, zoodat de leekebroeders ervan zich konden vertoonen aan
ons gezicht,
43 troffen mij verscheidene jammerklachten (als pijlen) die de
spitsen met erbarmelijkheid beslagen hadden; waarom ik de ooren met
de handen dekte.
46 Hoeveel lijden het zoude zijn, indien uit de gasthuizen van
Valdichiana tusschen Juli en September, en uit die van Maremma en
Sardinië alle de kwalen
49 in ééne gracht bij één waren; zulk een lijden was daar en zulk een
stank ging daar uit op, als op pleegt te gaan van de rotte ledematen.
52 Wij daalden neder op den uitersten oever van den langen rotsrand,
steeds ter slinker hand, en toen was mijn blik reeds krachtiger om
55 tot onder op den bodem te zien, waar de dienstmaagd des hoogen
Heeren, onfeilbare Gerechtigheid, de valschaards straft die Hij
hier opteekent.
58 Ik geloof niet dat dát gansche kranke volk in Egina grooter
droefenis was om te zien, toen de lucht zóó vol was van kwaadaardigheid
61 dat de beesten, tot de kleine worm toe, dood nedervielen en voorts
de volkeren van vroeger, naar de dichters voor zeker vertellen,
64 zich weder aanwonnen uit het zaad der mieren; dan het was om in
deze donkere vallei de schimmen te zien lijden bij verscheidene hoopen
te gelijk.
67 Daar lagen zij, deze over den buik en gene over de schouderbladen
van den ander, en die ging kruipende naar een andere plaats over het
nare pad.
70 Schrede voor schrede gingen wij zonder te spreken, schouwende en
luisterende naar de bezochten, die hunne personaadjen niet konden
oprichten.
73 Ik zag er twee zitten tegen elkanderen geleund, gelijk aarden pan
tegen aarden pan geleund is om elkander te warmen, van het hoofd tot
de voeten korsten verontreinigd:
76 en nooit zag ik de roskam zoo zich reppen onder den stalknecht, op
wien de meester wacht, noch onder hem, die zeer onwillig waken blijft;
79 als daar ieder de beet der nagels heen en weder repte over
zich zelven door de groote woede van den krabber, die geen andere
verlichting heeft.