124 Elk stond plotseling hiervan versteld, maar hij het meest, die

oorzaak was van het mislukken: daarom maakte hij zich op en schreeuwde

hij: "Ik pak je."

127 Maar weinig vermocht hij: daar (de vlugheid) zijner vleugelen de

vrees (van den anderen) niet kon vóór komen: gene dook onder, en hij

(Zeil-strijker) keerde vliegend terug met de borst naar boven:

130 niet anders duikt de eend, wanneer de valk nader komt, plotseling

onder, en gene keert toornig en gebroken.

133 IJstrapper vertoornd om het spel, hield, verlekkerd om, daar gene

ontkomen was, zelf de prooi te pakken, vliegende achter hem aan,

136 en daar de rechtsverdraaier verdwenen was, richtte hij zijne

klauwen tegen zijnen gezel, en boven de sloot raakten zij in elkander

verwikkeld.

139 Maar de ander was sperwer en grijpvogel genoeg om hem te pakken

en beiden vielen zij midden in de kokende poel.

142 Het heete vocht was plotseling ontwikkelaar: maar daarom toch

was het hun niet mogelijk zich op te richten, zóó hadden zij de

vleugelen bepekt.

145 Ruigbaard, die met zijne andere gezellen stond te treuren, deed

er vier naar den anderen kant vliegen allen met een gaffel, en wèl snel

148 gingen zij hier en ginds op hun post; zij staken de vorken toe

aan de drenkelingen, die reeds gekookt werden binnen in de korst:

151 en wij lieten hem aldus in den val gevangen.

DRIE-EN-TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Na eerst nog de achtervolging der duivels gevreesd te hebben,

komen de dichters veilig in den zesden Buidel en zien daar de

huichelaars en Pharizeërs.

1 Zwijgend, eenzaam, zonder geleide, gingen wij voort, de één vóór

en de ander achter, gelijk de minrebroeders huns weegs gaan.

4 Op de fabel van Esopus was mijn denken gericht door het zoo-even

aanschouwde krakeel, die fabel waarin hij spreekt van den kikvorsch

en de muis:

7 daar niet meer "nu" lijkt op "thans," dan het ééne geval op het

andere gelijkt, zoo men eind en begin goed samen koppelt in den wèl

oplettenden geest.

10 En gelijk de ééne gedachte uit de andere ontspringt, zoo werd uit

deze voorts een andere geboren, die me de eerste vrees verdubbelde.

13 Ik dacht aldus: "Dezen zijn door ons verschalkt, en met dusdanige

schade en schande dat ik wel denk dat het ze vernooit.

16 Zoo de toorn nog op hunne kwaadwilligheid zich stapelt, dan zullen

ze nog wreeder ons achterna komen, dan een hond achter die haas,

die hij met de tanden wil pakken."

19 Reeds voelde ik mij alle de haren van vrees te bergen rijzen,

en ik stond naar achter oplettend, wanneer ik zeide: "Meester,

22 zoo gij niet dadelijk u en mij verbergt, dan heb ik angst voor de

Kwaad-klauwen: we hebben ze reeds achter ons: ik verbeeld me ze zoo,

dat ik ze reeds voel!"

25 En hij: "Indien ik van gefoelied glas ware, dan zoude ik

uw buiten-beeld niet vlugger tot mij trekken dan ik mij nu uw

binnen-beeld gewin.

28 Daar juist kwamen uwe gedachten tusschen de mijnen, met

welgelijkende gebaren en gelijkend gelaat, zoodat ik van beiden een

enkel besluit heb gemaakt.

31 Indien het is dat de recht-kant zóó laag ligt dat wij in den

volgenden buidel kunnen afdalen, zouden wij de ingebeelde jacht

kunnen ontvluchten."

34 Nog voleindigde hij niet dusdanig besluit uit te spreken, toen ik

ze komen zag met de vlerken gespannen, niet zoo heel ver, om ons van

daar te kunnen grijpen.

37 Dadelijk greep mijn gids mij, gelijk de moeder, die op het

brand-gerucht is wakker geworden en dicht bij zich de vlammen

ontstoken ziet,

40 zoodat zij haar zoon opneemt en vlucht, en niet blijft stil staan,

meer voor hem dan voor zich zelven zorg hebbende, zoozeer dat zij

zich maar een hemd omhangt.

43 En van den top van den harden dam, liet hij zich op den rug

afglijden langs de hellende rots, die der eene zijde van den anderen

buidel tot muur verstrekt.

46 Nooit liep water zoo snel door een molen-vliet om het rad van een

water-molen te doen omdraaien, daar waar het water het dichtst bij

de schepborden komt;

49 als mijn Meester langs dezen rand, mij mede dragende op zijne borst,

als zijn kind en niet als zijn medgezel.

52 Nauwelijks waren zijne voeten op de bedding van den bodem

benedengekomen, of zij kwamen op de hoogte boven ons: maar daar was

geen rede meer tot vreezen,

55 daar de hooge Voorzienigheid, die ze heeft willen stellen tot

bedienaren van de vijfde gracht, hun allen de macht ontnam om vandaar

weg te gaan.

58 Daar beneden vonden wij een beschilderd volk, dat rond ging met

zeer trage schreden, weenende en in het voorkomen vermoeid en gebroken.

61 Zij hadden pijen met de kappen omlaag over de oogen, en de pijen

waren gemaakt naar dien snit, als ze in Keulen gemaakt worden voor

de monniken.

64 Van buiten zijn zij verguld, zoodat het verblindend is ze te zien;

maar van binnen zijn zij gansch van lood, en zoo wichtig, dat (hierbij

vergeleken) Frederik ze van strooi deed aanleggen.

67 O in eeuwigheid afmattende mantel! Wij wendden ons maar weder

naar de linker hand, gezamentlijk met hen, luisterende naar de

droeve klacht:

70 maar door het gewicht ging dat vermoeide volk zóó langzaam, dat

wij nieuw gezelschap hadden bij elke beweging van de heup.

73 Waarom ik tot mijnen Gids: "Maak dat gij iemand vindt, die aan daad

of naam herkend worde, en beweeg, aldus gaande, de oogen in het rond."

76 En één, die de Toskaansche sprake vernam, riep ons achterna:

"Houdt de voeten stil, gij die dus snel door de duistere lucht loopt:

79 wellicht kreegt ge van mij dat wat gij zoekt." Waarop de Gids zich

omdraaide en zeide: "Wacht, en schrijd voorts naar zijnen tred."

82 Ik bleef stil staan en ik zag er twee met het gezicht groote

begeerigheid der ziel vertoonen om met mij te zijn; maar de last en

de nauwe weg belemmerden ze.

85 Toen zij gekomen waren, beschouwden zij mij eenigen tijd met het

loensche oog zonder te spreken, voorts wendden zij zich tot elkanderen

en zeiden:

88 "Gene schijnt levend aan de beweging zijner keel: en indien ze dood

zijn, door welk voorrecht gaan zij onbekleed met den zwaren mantel?"

91 Voorts zeiden zij tot mij: "Toscaner, die tot het droeve collegie

der huichelaars gekomen zeidt, versmaad niet te zeggen wie gij zijt."

94 En ik tot hen: "Ik ben geboren en gegroeid aan den schoonen

Arno-stroom in de groote stad, en ik ben (nog) met het lichaam dat

ik altijd gehad heb.

97 Maar gij lieden, wie zijt gij, wien, naar ik zie, zóó groote smart

langs de wangen neerdruppelt; en welke pijn is er in u die aldus als

licht naar buiten breekt?"

100 En de ééne antwoordde mij: "De oranje kappen zijn zóó bevracht

met lood, dat de gewichten ervan aldus hunne weegschalen doen kreunen.

103 Broeders der Blijdschap waren wij, en Bolognezen, ik Catalano en

gene Loderingo genaamd, en te zamen door uw land gekozen,

106 gelijk anders daar een eenig man pleegt gekozen te worden om er

den vrede te bewaren; en wij waren dusdanig, als nog blijkt rondom

het Gardingo."

109 Ik begon: "O broeders, uwe rampen......" Maar meer zeide ik niet;

daar ik in het oog kreeg éénen, die met drie palen in den grond

gekruisigd was.

112 Wanneer hij mij zag, verwrong hij zich ganschelijk, blazende in

zijn baard met zijn zuchten. En broeder Catelano, die dat opmerkte,

115 zeide tot mij: "Die gekruisigde, dien gij beschouwt, ried den

Pharizeërs, dat het nut was een mensch voor het volk over te geven

tot marteling.

118 Naakt ligt hij dwars over den weg uitgestrekt, gelijk gij ziet,

en het is noodig dat hij van wie ook over hem henengaat, eerst voelt

hoeveel hij weegt:

121 en op gelijke wijze wordt zijn schoonvader in deze gracht gerekt,

en de anderen van den raad, die een slecht zaaisel was voor de Joden."

124 Toen zag ik Virgilius zich verwonderen over genen, die op het

kruis zoo vuig was uitgestrekt in de eeuwige ballingschap.

127 Voorts richtte hij deze woorden tot den broeder: "Niets misvalle u,

indien het u vrijstaat, ons te zeggen, of naar de rechter hand eenige

opening ligt,

130 waar wij beiden konden uitgaan, zonder eenigen van de zwarte

duivelen te nopen dat zij uit de diepte komen om ons verder te

brengen."

133 Dus antwoordde hij: "Meer dan gij hoopt, komt een rots-weg

nader, die van den grooten cirkel uitgaat en loopt over alle de

wreede valleien,

136 behalve dat hij bij deze vallei is gebroken, en die niet overbrugt:

maar gij zult kunnen opgaan over den puinhoop, daar die aan den kant

laag is, maar hoog is in de diepte."

139 De Gids stond een weinig met gebogen hoofd; voorts zeide hij:

"Slecht vertelde mij de zaak degene, die de zondaren aan gindsche

zijde aan de vork slaat.

142 En de broeder: "Ik hoorde voorheen te Bologna van vele slechtheden

van den duivel vertellen, onder welken ik hoorde dat hij bedrieger

is en vader van den leugen."

145 Daarna ging de gids met groote schreden voort, in het voorkomen een

weinig door toorn verstoord: waarom ik mij van de bevrachten afscheidde

148 achter de afzetsels van de dierbare voetzolen.

VIER-EN-TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Na met groote inspanning uit den zesden Buidel te zijn gekomen,

gaan zij nu over den zevenden dien zij vol van slangen zien.

1 In dat gedeelte van het jeugdig jaar, wanneer de Zon hare lokken

onder den Waterman warmt en reeds de nachten ter halver dage weggaan:

4 wanneer de rijp over de aarde de beeltenis nateekent van hare witte

zuster, maar weinig duurt de juiste koude-mate voor haar teekenstift;

7 de stulp-bewoner, wien het voer mankeert, staat op en kijkt, en

ziet het landschap gansch wit zijn, waarom hij zich de heup slaat;

10 hij keert naar huis en plaagt zich her en der, gelijk de

ongelukkige, die niet weet wat hij doen moet; voorts gaat hij weer

en doet de hoop weer in de korf,

13 ziende dat de wereld in korte stonde haar voorkomen heeft veranderd,

en hij neemt den herders-staf en hij jaagt de schaapjens naar buiten

om ze te weiden:

16 zoo deed de Meester mij ontzetten, wanneer ik hem aldus het

voorhoofd zag verstoren, en evenzoo snel kwam de pleister op de wond:

19 daar, toen wij aan de gebroken brug kwamen, de Gids zich tot mij

wendde met dien zoeten blik, dien ik in het begin had gezien aan den

voet van den berg.

22 De armen opende hij, na eenig beleid bij zich zelven verkoren

te hebben, nadat hij eerst den puinhoop goed beschouwd had, en toen

greep hij mij met vaste hand.

25 En gelijk degene, die werkt en beraamt, die altijd blijkt van te

voren op zijne hoede te zijn, aldus, wanneer hij mij optilde naar

den top

28 van een rotsblok, zag hij uit naar een andere klip, zeggende:

"Wanneer gij daarop zijt, grijp u dan weer vast, maar voel eerst of

het zoo is dat het u houdt."

31 Geen weg was dit voor eenen met een pij bekleede, daar wij

nauwelijks (zooals wij waren) hij zoo licht en ik (door hem) vooruit

gedrongen, konden opstijgen van trap tot trap.

34 En indien het niet geweest ware, dat de kant van dien (zevenden)

dam lager geweest was dan die van den vorigen, ik weet het niet van

hèm, maar ik zoude er wel door overmand zijn geworden.

37 Maar daar het gansche gebied van de Buidelen des Kwaads helt naar

den mond van den diepst-dalenden put, brengt de gelegenheid van elken

buidel mede

40 dat de ééne rand rijst en de andere daalt: maar wij kwamen dan

toch eindelijk tot aan dat punt, waar de laatste steen uitsteekt.

43 De adem was mij zóó schoon uit de longen gesnoten, toen ik boven

was, dat ik niet verder kon, maar ik zette mij neder bij het eerste

aankomen.

46 "Nu past het dat gij u aldus ontluiaardt," zeide de Meester: "daar

men niet zittende op het dons noch onder de dekens tot roem geraakt:

49 en wie zonder roem het leven slijt, zoo 'n spoor laat die op de

aarde van zich na, als rook in de lucht of schuim op het water.

52 En daarom, richt u op, overwin de aemechtigheid met die zelfde

geestkracht die elken strijd wint, indien zij zich niet met het zware

lichaam vervuigt.

55 Nog langeren ladder voegt het te beklimmen; niet genoeg is het

van genen vertrokken te zijn: indien gij mij begrijpt, maak dan dat

het voor u gelde."

58 Toen richtte ik mij op, mij beter voorzien van adem vertoonende

dan ik mij voelde; en ik zeide: "Ga, want ik ben sterk en vol moed."

61 Boven over de rots namen wij den weg, die ruw was, smal en

moeielijk, en ook veel steiler dan die vorige.

64 Sprekende ging ik om niet vermoeid te schijnen; waarna er eene

stem uitging van de volgende gracht, onmachtig om woorden te vormen.

67 Ik weet niet wat hij zeide, hoewel ik reeds boven op den rug

was van den boog die daar loopt; maar wie daar sprak, hij was tot

toorn bewogen.

70 Ik keek naar beneden; maar mijne levende oogen konden door de

donkerte niet tot aan den bodem komen: waarom ik: "Meester, maak dat

73 gij komt op den volgenden ringmuur, en laten wij langs den wand

afdalen, daar, gelijk ik hier hoor maar niet begrijp, ik aldus zie,

maar niets onderscheid."

76 "Geen ander antwoord" zeide hij: "geef ik u dan het doen: daar de

eerlijke vraag zwijgend door de daad moet worden gevolgd."

79 Wij daalden van het toppunt van de brug af tot waar hij raakt aan

den achtsten oeverrand, en daar werd de Buidel mij duidelijk zichtbaar:

82 en daar binnen zag ik een gruwelijke menigte van slangen, en van zóó

verscheiden beweging dat de heuchenis nog mij het bloed doet stollen.

85 Laat Lybië met haar zand zich niet langer verhoovaardigen; want,

als het adders, vallende slangen en ander gebroed van kruip-dieren

en slangen met twee koppen voortbrengt,

88 het toch nooit te zamen met Aethiopië, noch met dat land, dat

boven de Roode Zee ligt, zoovele noch zoo kwade verderfsels vertoonde.

91 Door die rauwe en gure menigte liepen naakte onthutste luiden,

zonder te hopen op een opening of op een heliotropium.

94 Met slangen hadden zij de handen op den rug gebonden: dezen

staken staart en kop hun door de lendenen en waren aan den voorkant

samengeknoedeld.

97 En zie, tot éénen, die aan onzen oever was, naderde een slang,

die hem doorboorde daar waar de hals aan de schouderbladen vastzit.

100 En nooit kon men zóó snel een O of een I schrijven, als hij in

brand vloog en afbrandde, en ganschelijk als asch in elkander viel:

103 en nadat hij aldus op den grond was te niet gedaan, verzamelde

de asch zich wederom van zelf, en keerde op een bot tot die zelfde

gestalte weer terug:

106 aldus wordt door de groote wijzen verklaard, dat de Phenix sterft

en voorts herboren wordt, wanneer zij tot haar vijfhonderdste jaar

genaderd is.

109 Kruiden noch korrelen eet zij in haar leven, maar enkel (leeft

zij van) tranen van wierook en amomum; en nardus en myrrhe zijn hare

laatste windselen.

112 En gelijk degene is, die valt en niet weet hoe, door kracht van

geesten die hem naar den grond trekt, of door een andere belemmering,

die den mensch bindt;

115 zoodat hij, wanneer hij zich opricht, verwonderd rond kijkt,

gansch verbijsterd door de groote doodspijn, die hij heeft doorstaan,

en al kijkende zucht;

118 zóó was die zondaar, toen hij weder was opgestaan. O de

Rechtvaardigheid van God, hoe gestreng is zij, dat zij zulke slagen

tot straf neer doet ruischen!

121 De Gids vroeg hem voorts wie hij was: waarom hij antwoordde:

"Het is nog maar weinig tijd geleden sedert ik uit Toscane nederviel

in deze wreede keel.

124 Een beestachtig en niet een menschelijk leven beviel mij,

muildier die ik was: het beest Vanni Fucci ben ik, en Pistoia was

mij een waardig hol."

127 En ik tot mijnen Gids: "Zeg hem dat hij niet vertrekke, en vraag

hem hoedanige schuld hem naar hierbeneden heeft gedreven: want ik

heb hem vroeger wel gezien als man des bloeds en des toorns."

130 En de zondaar, die dit verstond, hield zich niet schuil, maar

aandacht en gelaat wendde hij naar mij en van doodsche schaamte

verbleekte hij;

133 voorts zeide hij: "Meer leed doet het mij dat gij mij gevonden

hebt in de ellende, waarin gij mij ziet, dan (het mij leed deed)

wanneer ik uit het andere leven geholpen werd.

136 Ik kan niet weigeren dat wat gij vraagt; ik ben zoo laag gesteld,

omdat ik in de sacristij een dief was van het schoon kerk-gerei;

139 en valschelijk werd dit reeds anderen geweten. Maar opdat gij

weinig vreugde hebt van dit gezicht, indien gij ooit weer buiten de

ongure plaatsen zult komen,

142 open de ooren voor mijne aankondiging en hoor. Eerst ontdoet

Pistoia zich van de Zwarten, voorts hernieuwt Florence luiden en

de regerings-wijzen.

145 Mars trekt de dampen op van het dal van Magra, dat van dikke

nevelen bezet is: en door een woedenden en hevigen storm

148 zal hij bestreden worden boven Picenum: waarna hij plotseling de

nevels zal verbreken, zoodat elke Witte er door getroffen wordt:

151 en ik heb dit gezegd opdat gij u erom moet bedroeven.

VIJF-EN-TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Voortgaande te zien in den Zevenden Buidel, zien zij Cacus den

centaur en voorts vijf aanzienlijke Florentijnen, van welken vier

wonderbaarlijke gedaante-verwisselingen ondergaan.

1 Aan het einde van zijne woorden stak de dief de beide handen op

met schend-gebaren, schreeuwende: "Pak aan, God, want op U heb ik

het gemunt."

4 Van nu aan werden de slangen mij lief, daar ééne zich om zijn hals

krolde, alsof zij zeide: "Ik wil niet dat gij meer zegt!"

7 en een andere (kronkelde) zich om zijne armen, en zich voor hem

heen slaande hield hij hem zóózeer gehouden, dat hij met zijne armen

geen slag kon geven.

10 O Pistoia, Pistoia! waarom toch besluit gij niet om u zelve in de

asch te leggen, zoodat gij niet langer bestaat, daar gij in kwaad-doen

uwe afkomst overtreft.

13 Door al de donkere cirkels van de Hel henen, zag ik nooit geest,

zoo hoovaardig tegen God, zelfs niet dengene, die te Thebe van de

muren viel.

16 Hij ontvluchtte, zoodat hij geen woord meer sprak: en eenen

Centaur zag ik vol van dolheid schreeuwende aankomen: "Waar is,

waar is de bittere?"

19 Maremma geloof ik niet dat zoovele adderen heeft, als hij er had

boven op zijn kruis, tot daar waar onze gedaante begint.

22 Boven op de schouderbladen, achter den nek, lag hem met geopende

vlerken een draak, en die barnt al wie hem in den weg komt.

25 Mijn meester zeide: "Dat is Cacus, die onder aan de rots van den

Aventijnschen Berg dikwijls een bloedplas maakte.

28 Niet gaat hij met zijne broederen éénen weg, door het bedriegelijk

dieven dat hij deed van de groote kudde, die hij in de buurt had:

31 waardoor zijne slinksche streken ophielden onder de knots van

Hercules, die er hem wellicht wel honderd slagen meê gaf, en hij

voelde er geen tien van."

34 Terwijl hij alzoo sprak, zoo snelde gene verder; en drie geesten

kwamen onder ons, welken noch ik noch mijn Gids opmerkten,

37 tenzij toen zij schreeuwden: "Wie zijt gij?" waarom ons verhaal

bleef stil staan, en letten wij enkel maar op hen.

40 Ik kende ze niet, maar het geviel, gelijk het te gevallen pleegt

door eenig geval, dat de ééne den andere moest noemen,

43 zeggende: "Cianfa, waar is die gebleven?" waarom ik, opdat de

Gids oplettend zou blijven stil staan, mij den vinger op (den mond)

legde van kin tot neus.

46 Indien gij nu, lezer, traag zult zijn om te gelooven dat wat

ik zeggen zal, dan zal dat geen wonder zijn, daar ik, die het zag,

het me nauwelijks toegeef.

49 Terwijl ik de wenkbrauwen naar hen opgericht hield, zie een slang

met zes pooten wierp zich van voren op den ééne, en klampte zich

gansch aan hem vast.

52 Met de middelste pooten omwond hij hem gansch den buik, en met de

voorste greep hij hem de armen; voorts sloeg hij hem de tanden in de

ééne en de andere wang:

55 de achterpooten strekte hij om zijn dijen, en hij stak hem den

staart tusschen beiden door, en achter bij de lendenen strekte hij

dien naar boven.

58 Klimop was nooit zóó om boom tot een baard geworden, gelijk het

gruwelijk beest door de leden, des anderen de zijne strengelde:

61 voorts zij aan het samen-smelten, alsof zij van warm was waren

geweest, en aan het mengen van hunne kleur; noch den één noch den

ander kon men meer zien wie of het was:

64 gelijk vóór het branden dóór het papier heen een bruine kleur

boven komt, die nog niet zwart is, en het witte sterft.

67 De andere twee keken, en elk van beiden riep: "Wee mij, Agnel,

hoe verandert gij! Zie dat ge reeds niet meer noch twee noch één zijt."

70 Reeds waren de twee koppen er één geworden, wanneer de twee

gezichten tot één voorkomen vermengd zich vertoonden, daar waar twee

zoek geraakt waren.

73 Twee armen ontstonden er uit de vier uitsteeksels; de heupen

met de beenen, de buik en de borstkas werden ledematen, die nooit

waren gezien.

76 Elk vroeger voorkomen was daar gebroken: twee en geen scheen de

verkeerde gestaltenis, en zóódanig schreed zij weg met tragen tred.

79 Gelijk de hagedis, onder den grooten geesel der hondsdagen, van

doornstruik verwisselend, eene fonkeling schijnt, wanneer zij den

weg oversteekt:

82 zóó verscheen, komende naar de buiken der andere twee, een (in

drift) ontstoken slang, loodkleurig en zwart als een peper-korrel.

85 En dat deel, van waar het eerst ons voedsel genomen is, doorboorde

hij bij den ééne van hen; toen viel hij uitgestrekt voor hem neder.

88 De gebetene zag hem aan, maar zeide niets: maar stil op de voeten

staande, geeuwde hij juist zoo alsof slaap of koorts hem besprongen

had.

91 Hij keek de slang aan en de slang hem: de een door de wond, en de

ander door den muil rookten sterk, en beide rooken ontmoetten elkander.

94 Laat Lucanus voortaan zwijgen, daar waar hij rept van den

ellendigen Sabellus en Nassidius, en laat hem passen te hooren wat

hier afgeschoten wordt.

97 Laat Ovidius zwijgen van Cadmus en Arethusa: want als die genen in

een slang en deze in een bron al dichtende deed verkeeren, ik misgun

het hem niet:

100 daar hij nooit twee naturen van aangezicht tot aangezicht aldus

veranderde, dat beide de gestalten klaar stonden om van grondstof

met elkander te ruilen.

103 Zij antwoordden elkander naar deze regelen: dat de slang den staart

tot eenen gaffel spleet, en de gebetene de voeten te samen drong.

106 De beenen en de heupen smolten zóó met elkander samen, dat binnen

korte pooze de plaats der samenkomst geen teeken van bestaan meer

vertoonde.

109 De gespleten staart nam den vorm aan, die dáár verloren werd,

en zijn huid werd zacht, de gindsche hard.

112 Ik zag de armen naar binnen gaan door de oksels, en de twee pooten

van het beest, die kort waren, zich zooveel verlengen als gene krompen.

115 Voorts werden de achterste poten, samengewrongen, tot dat lid,

hetwelk de mensch verbergt, en de ellendige kreeg van het zijne twee

uitgestrekte beenen.

118 En terwijl de rook den éénen en den anderen omhuift met nieuwe

kleur en op den éénen haar doet groeien, en den anderen onthaart,

121 richtte de ééne zich op en de andere viel omlaag, maar daarom

nog niet de wreede oogen afwendende, onder welke elk beiden van

muil veranderde.

124 Diegene, die recht-op was, trok den muil naar de slapen, en van

de al te vele matérie, die daarover kwam, gingen de ooren naar buiten

uit de dwaze wangen.

127 Dat wat niet naar achter liep en bleef steken, van dat overschot

maakte hij een neus voor zijn gezicht, en de lippen verdikte hij,

zooveel het pas gaf.

130 Diegene, die lag, steekt den snuit vooruit en de ooren trekt hij

over het hoofd terug, gelijk de slak het met zijne voelhorens doet:

133 en de tong, die hij éénig had en rad tot praten, splijt en de

gevorkte gaat bij den ander dicht en de rook houdt op.

136 De ziel die beest geworden was, vluchtte sissende door de vallei,

en de andere spuwt hem sprekende achterna.

139 Voorts keerde hij hem de nieuwe schouderbladen toe, en zeide tot

den andere: "Ik wil dat Buoso, als ik gedaan heb, op handen en voeten

langs dit pad loope."

142 Zóó zag ik de zevende kiel-lading zich veranderen en wederom

herveranderen; en hier ontschuldige mij de nieuwheid, indien mijn

pen een weinig afdwaalt.

145 En hoewel mijne oogen een weinig verduisterd waren, en mijn geest

verbijsterd, toch konden genen niet zoo verholen aan mij ontsnappen,

148 dat ik Puccio Sciancato niet goed opmerkte: en hij was het die

alleen van de drie gezellen, die eerst gekomen waren, niet veranderd

was:

151 en de andere was die, welken gij Gaville, beweent.

ZES-EN-TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Dante geeft zich lucht over de verdorvenheid van Florence. De beide

Dichters vervolgen hun weg en zien in den Achtsten Buidel. Deze

is vol van lichtjes, van welken elk eenen zondaar huisvest. In

één vlam schuilen Ulisses en Diomedes; de eerste doet een verhaal

van beider laatste lotgevallen en dood.

1 Verheug u, Florence, dat gij zoo groot zijt dat gij over zee en

land de vleugelen uitslaat, en dat door de Hel uw naam zich verbreidt.

4 Onder de dieven vond ik vijf zoodanige burgers van u, dat ik er

mij over schaam en gij er in groote eer door stijgt.

Dante's Hel In proza overgebracht en met een inleiding voorzien · 第 7 / 12 段