37 En ik: "Al wat u behaagt, is mij goed: gij zijt mijn heer en gij

weet dat ik mij niet afscheid van uw willen, en gij weet ook dat wat

verzwegen wordt."

40 Toen kwamen wij op den vierden rand, wij draaiden ons en daalden

naar linksch onder op dien doorboorden en nauwen bodem.

43 En de goede Meester liet mij nog niet van zijne zijde voordat hij

mij bracht aan het gat van hem die jammerde met de voeten.

46 "O wie gij ook zijt die het bovenste onder houdt, treurende ziel,

die als een paal in den grond gestoken zijt," begon ik te zeggen:

"zoo ge kunt, spreek een woord."

49 Ik stond gelijk de broeder, die de biecht afneemt van den

verraderlijken moordenaar, die, nadat hij gepaald is, den broeder

nog datgene toeroept waardoor zijn dood vertraagd wordt.

52 En hij riep: "Zijt gij daar reeds en recht overend, zijt gij daar

reeds en recht overend, Bonifacius? Met een paar jaren bedroog mij

dus de voorzegging.

55 Zijt gij zoo spoedig verzadigd van die bezittingen, om der wille

van dewelke gij niet schroomdet de schoone Vrouw te verschalken en

haar daarna te mishandelen?

58 Tot eenen zoodanige maakte ik mij als zij zijn, die, door dat zij

niet verstaan dat wat hun is toegevoegd, als het ware onthorend staan

en niet weten te antwoorden.

61 Toen zeide Virgilius: "Zeg hem dadelijk, ik ben het niet, ik ben

het niet, wien gij meent:" En ik antwoordde zooals mij werd opgeleid.

64 En hierdoor verwrong de geest de beenen gansch: voorts zuchtende, en

met klagelijke stem, zeide hij tot mij: "Wat vraagt gij dan aan mij?"

67 Indien u zóó zwaar weegt te weten wie ik ben, dat gij daarom

dezen rand zijt langs geloopen, weet dat ik met den grooten mantel

bekleed was:

70 en in waarheid was ik een berenkind, zóó begeerig om de beren-welpen

vóóruit te zetten dat ik hier boven rijkdommen en hier mij zelven in

den buidel stak.

73 Onder mijn hoofd zijn de anderen gesleept, die mij vóórgingen in

de Simonie, door de opening van den steen geduwd.

76 Daarin zal ik een andermaal vallen, wanneer hij komen zal, dien

ik geloofde dat gij waart, toen ik u die plotselinge vraag deed.

79 Maar reeds is meer tijd verstreken dat ik mijne voeten liet braden

en dat ik zóó onderste-boven gesteld ben, dan hij hier zóó geplant

zal staan en met de voeten rood gekleurd,

82 daar na hem één zal komen van nog slechtere werken, een wetteloos

herder uit het Westen, zoodanig een dat het hem past genen en mij

te bedekken.

85 Een nieuwe Jason zal hij zijn, van wien men in de Maccabeërs leest;

en gelijk voor hem zijn koning zacht was, zóó zal voor hem zacht zijn

hij, die Frankrijk regeert."

88 Ik weet niet of ik hier al te wild ben geweest, immers daar ik

hem in dezer voege antwoordde: "Nu zeg mij, hoe grooten schat wilde

91 onze Heer in het eerst van Sint Pieter, dat hij hem daarvoor de

sleutels onder zijne balije zoude stellen? Voorzeker hij vroeg niet

anders dan: "Ga achter mij."

94 Noch Pieter noch de anderen vroegen aan Matthias goud of zilver

toen hij door loting gekozen werd, tot die plaats welke de kwade

ziel verloor.

97 Daarom sta het voor u vast, dat gij wèl gestraft zijt; bewaar

maar goed het kwalijk gewonnen geld. dat u tegen Karel van Anjou

halsstarrig deed zijn.

100 En 't en ware mijn ontzag voor de hoogste sleutelen, die gij

hieldt in het blijde leven, het mij verbood,

103 dan zoude ik nog zwaardere woorden gebruiken: daar uwe

geldgierigheid de wereld bedroeft, de goeden nedertredende en de

slechten verheffende,

106 Van de uwen, o Herder, maakte de Evangelist gewag, wanneer zij, die

op vele wateren zit, door hem gezien werd te hoereeren met de Koningen,

109 zij, die met de zeven hoofden geboren is, en de tien hoornen bewees

te hebben, zoo lang als de deugdzaamheid haren echtgenoot behaagde.

112 Gij hebt God tot eenen gouden en zilveren god gemaakt; en welke

andere afstand is er van u naar de beelden-dienaren, dan dat zij er

één, en gij er honderd aanbidt?

115 Wee! Constantijn van hoeveel kwaad was moeder niet uwe bekeering,

maar die gave, die de eerste rijke vader van u kreeg."

118 En terwijl ik hem zoodanige tonen toedeunde,--hetzij dan toorn

of schuld-besef wat hem beet--trappelde hij hevig met beide de beenen.

121 Ik geloof wel dat het mijnen Leidsman geviel, met zóó tevredene

lip hoorde hij den toorn der naar waarheid uitgesproken woorden toe.

124 Daarom omvatte hij mij met beide de armen, en nadat hij mij gansch

aan zijne borst had opgenomen, steeg hij weder op langs den weg van

waar hij was nedergedaald;

127 noch vermoeide hij zich van mij aan zich gedrongen te houden,

zóó droeg hij mij over den top van den boog, die geslagen is van dien

vierden naar den vijfden dam.

130 Daar zette hij zachtelijk den zachten last neder, wegens de

oneffene en steile rots, die ook voor steenbokken een moeilijk pad

ware geweest.

138 En vandaar werd een andere delling mij ontdekt.

TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

De dichters trekken den vierden Buidel over waarin de toovenaars

en waarzeggers wegens hun gewaande vóórzienigheid worden gestraft

met achterwaarts-gekeerden stand hunner hoofden o.a. Amphiaraüs,

Tiresias en Manto.

1 Van nieuwe boete voegt het mij verzen te maken en stof te geven

aan den twintigsten zang van het Eerste Gedicht, dat is over de

Ondergedompelden.

4 Ik was reeds geheel en al bereid om te schouwen in de ons ontdekte

diepte, die van doodelijke jammerklacht overliep:

7 en ik zag luiden door de rondloopende vallei naderkomen, zwijgende en

weenende, met dien tred, welken in deze wereld de bedevaarten houden.

10 En toen mijn gezicht nog lager op hen nederdaalde, bleek het mij

dat elk verwonderlijk van de kin af tot aan het begin van de borstkas

verdraaid was:

13 zoodat hun gezicht naar den kant der lendenen gekeerd was en het

achterwaart gaan hen voegde daar het vóóruitzien hun ontnomen was.

16 Misschien is er wel eens iemand door de kracht van een beroerte

aldus heelemaal omgedraaid; maar ik heb het nooit gezien en ik geloof

niet dat het bestaat.

19 Lezer, indien God u vrucht doet hebben van uw lezen, bedenk bij

u zelven hoe ik mijn aangezicht droog kon houden,

22 toen ik van dichterbij onze beeltenis zoo verdraaid zag, dat het

weenen der oogen den aars besproeide langs den naad.

25 Ik tenminste weende, geleund tegen een der rotsblokken van den

stuggen rotswand zoodat mijn Geleide tot mij zeide: "Zijt gij nog

als een van de andere dwazen?

28 Hier leeft de barmhartigheid wanneer zij wel gestorven is. Wie is er

misdadiger dan degene die bij het oordeel Gods medelijden medebrengt.

31 Omhoog het hoofd, omhoog en zie dengene voor wien, voor de oogen

der Thebanen, de aarde zich opende waardoor allen schreeuwden:

"Waarhenen stormt gij,

34 Amphiaraüs, waarom laat gij den oorlog varen?" en hij hield niet

op van in de diepte te vallen tot hij was bij Minos die een iegelijk

onder handen neemt.

37 Merk wel wat hem de schouderbladen tot borst heeft gemaakt; omdat

hij te veel vooruit wilde zien kijkt hij nu naar achteren en doet

hij eenen achterwaartschen gang.

40 Zie Tiresias die zijn voorkomen veranderde, wanneer hij van man

tot vrouw werd, algeheel van leden verwisselende;

43 en voorts moest hij eerst dezelfde twee ineengekronkelde slangen

voor de tweede maal slaan om wederom de mannelijke veêren terug

te krijgen.

46 Aruns is dat met den buik tegen zijn [3] rug die in het gebergte

van Luni, waar de Carrariër wiedt, die beneden gehuisvest is,

49 tusschen witte marmerblokken de spelonk voor zijn verblijfplaats

had; vanwaar hem niet het gezicht benomen was om naar de sterren en

de zee te zien.

52 En gene, die de borsten, die gij niet ziet, bedekt met de

loshangende haarlokken en aan den anderen kant alle de harige plekken

heeft,

55 zij was Manto, die zoekende was over vele landen; voorts zette

zij zich daar waar ik geboren ben; waarom het mij gevalt dat gij een

weinig naar mij luistert.

58 Nadat haar vader uit het leven uitging en Bacchus' stad onderworpen

werd, ging deze langen tijd door de wereld.

61 Boven in het schoone Italië ligt een meer aan den voet der Alpen,

dat Duitschland afsluit aan den kant der Tirolers, en heet Benacus.

64 Uit duizend, geloof ik, en meer beekjes wordt tusschen het Gardameer

en Val Camonico de Pennische Alp door het water besproeid, dat in

het gezegde meer zich vergaart.

67 Er is een plaats midden in het meer waar de bisschop van Trente

en die van Brescia en die van Verona, indien hij die reis deed,

het teeken des kruizes zou mogen geven.

70 Daar waar de oever rondom het laagste is, ligt Peschiera, een

schoon en sterk pantsier, dat de inwoners van Brescia en die van

Bergamo kan scheiden.

73 Daar gebeurt het dat al dàt water valt, hetwelk in den schoot

van het meer Benacus niet kan blijven en dat wordt daaronder tot een

rivier door de groene weiden.

76 Zoodra het water begint te loopen, dan heet het niet meer Benacus

maar het heet Mincius tot aan Governo, waar het valt in den Po.

79 Niet ver heeft het geloopen of het vindt eene delling, waarin

het zich uitspreidt, en die delling maakt het tot een poel en in den

zomer pleegt die delling den mensch kwaad te zijn.

82 Daar langs gaande zag de rauwe maagd een stuk land in het midden

van het moeras dat onbebouwd was en zonder inwoners.

85 Daar, om alle verkeer met menschen te ontvluchten, verbleef zij

met hare slaven om hare kunsten uit te oefenen en daar leefde zij en

daar liet zij haar ledig lichaam.

88 De menschen daarna die daar rondom verspreid waren, verzamelden

zich op die plaats, die sterk was door het moeras, dat zij aan alle

kanten om zich had.

91 Zij maakten hunne stad op dat doode gebeente; en naar haar,

die het eerst die plaats verkoor, noemden zij haar Mantua, zonder

andere loting.

94 Reeds was het volk binnen in haar talrijker geworden voordat de

overdwaasheid van Casalodi door Pinamonte verschalkt werd.

97 Daarom zeg ik u dat zoo gij ooit den oorsprong van mijn land anders

mocht hooren afleiden, geen leugen de waarheid moge verduisteren."

100 En ik: "Meester, uwe redeneeringen zijn voor mij zoo zeker en

winnen zoozeer mijn geloof dat alle andere voor mij zouden zijn als

doove kolen.

103 Maar zeg mij van dat volk dat daar voortgaat of gij er nog iemand

ziet der opteekening waardig; daar mijn geest alleen daarop doelt."

106 Toen zeide hij tot mij: "Die daar van de kinnebak zijn baard doet

nederdalen op de gebruinde schouderbladen, hij was, toen Griekenland

van mannen zóó ledig was,

109 dat er nauwelijks overbleven voor de wiegen, waarzegger, en hij,

gaf met Calchas in Aulis het teeken om de eerste ankertouwen te kappen.

112 Eurypylus heette hij en zoo noemt hem ergens mijne hooge tragedie;

gij weet dat wel, gij die haar geheel en al kent.

115 Die andere, die in de lendenen zoo dun is, was Michel Scott die

waarlijk het spel der magische streken verstond.

118 Zie Guido Bonatti, zie Asdente, die nu wel wilde dat hij zich

bij leder en leest gehouden had, maar te laat berouwt het hem.

121 Zie de ongelukkigen die draad, spoel en spinrokken lieten

varen en waarzegsters werden; zij deden kwade kunsten met kruiden

en afbeeldsels.

124 Maar kom nu, daar Kaïn met zijn takkenbos reeds de grens houdt

der beide halfronden en onder Sevilla de golven raakt.

127 En reeds was gisternacht de maan vol: wel moet gij u te binnen

brengen dat geene wending door het diepe woud u schaadde."

130 Aldus sprak hij tot mij en ondertusschen gingen wij voort.

EEN-EN-TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

De beide Dichters zien in den vijfden Buidel de omkoopbare

staatslieden, en ontmoeten een drom duivels, die hen eerst

tegenhouden doch na onderhandeling geleide geven.

1 Aldus gingen wij van brug tot brug, nog andere dingen bepratend

welke mijn blij-eindend Dicht niet mee te deelen acht, en wij bereikten

den top, wanneer

4 wij stilstonden om de volgende kloof te zien van de Buidelen

des Kwaads, en de volgende ijdele klachten; en ik zag die kloof

verwonderlijk donker.

7 Gelijk in het Arsenaal der Venetianers des winters het kleverig

pek ziedt om hunne kranke houten te heelen

10 die niet kunnen zeehouden, en te zelfder tijd bewerkt deze zijn

nieuw hout en gene kalefatert de ribben van dat schip, dat meerdere

reizen gemaakt heeft;

13 die hamert aan de voor- en gene aan de achtersteven; een ander

weer maakt riemen en die weer draait kabels en gene stopt het kleine

en het groote zeil;

16 zóó niet door vuur maar door goddelijke kunst kookte daar beneden

een dik wak van pek, dat van alle zijden aan den klant bleef kleven.

19 Ik zag het pek, maar in het pek zag ik niets anders dan de bellen,

welke het koken deed opstijgen en ik zag het pek gansch zich belgen

en saamgeperst weer zinken.

22 Terwijl ik daar beneden met starren blik keek, sprak mijn gids:

"Wacht u, wacht u," en zoo sprekende trok hij mij tot zich van de

plaats waar ik stond.

25 Toen draaide ik mij als de man, die te laat ziet, dat, wat hem

voegt te ontvluchten en wien plotselinge schrik den moed beneemt,

28 zoodat hij om het zien het vertrekken niet uitstelt: en ik zag

achter ons eenen zwarten duivel rennende over den rotsweg naderkomen.

31 Wee hoe woest was hij in het aangezicht en hoe bitter scheen hij

mij in zijne gebaren met de vlerken gespreid en licht op zijne voeten.

34 Zijnen schouder, die spits en trotsch was, bezwaarde een zondaar

met beide de heupen, en gene hield in den greep zijner vingeren de

wreef van diens voeten.

37 Van onze brug riep hij: "Kwaad-klauwen, ziet hier een van de

overheden van Santa Zita: legt hem onder, daar ik wederkeer

40 naar dat land dat er wel mede voorzien is: elk man is daar

rechtverdraaier behalve Bonturo: van neen maakt men voor geld daar ja."

43 Daar beneden smeet hij hem neer en hij ging weer heen over den

harden rotsweg en nooit werd de bloedhond met zoo groote vaart

losgelaten om den dief te achterhalen.

46 De zondaar dook onder en kwam tot een boog gebogen weer boven;

maar de duivelen, die de brug tot beschutting hadden, schreeuwden:

"Hier is 't geen plaats voor de heilige buiging.

49 Hier zwemt men anders dan in den Serchio; daarom indien ge niet

naar onze gaffels verlangt: kom dan niet boven op het pek."

52 Voorts sloegen zij de tanden van meer dan honderd gaffels in hem en

ze zeiden: "Ondergedompeld voegt het dat men hier danst, zoodat gij,

als ge kunt, in geniep wat kunt weghalen."

55 Niet anders laten de koks hunne dienaren het vleesch midden in

den ketel met de haken onderdompelen opdat het niet boven drijve.

58 De goede meester: "Opdat niet blijke dat gij hier zijt," zeide

hij tot mij: "houdt u plat achter een rotsblok opdat gij eenige

beschutting hebt.

61 En om eenige beleediging die mij wordt aangedaan, word daarom niet

bang, daar mij deze dingen bekend zijn, omdat ik wel een andermaal

bij zulk een ontmoeting was."

64 Voorts schreed hij voort over het toppunt van de brug: en toen hij

op den zesden oeverrand gekomen was, had hij wel noodig een rustig

voorhoofd te hebben.

67 Met die woede en met die stormachtigheid waarmede de honden

naar buiten loopen achter den armen man die om een aalmoes vraagt,

plotseling, daar waar hij stil blijft staan,

70 zoo kwamen genen van onder de brug te voorschijn en richtten alle

de gaffels tegen hem, maar hij riep: "Niemand van u zij gram.

73 Voordat uw vork mij grijpe, kome één van u naar voren, die mij

hoore, en dan bezinne men zich of men mij zal prikken."

76 Allen riepen: "Ga gij, Kwaad-staart!" waardoor een zich opmaakte,

maar de anderen stonden stil; en hij kwam tot hem zeggende: "Wat

baat het?"

79 "Gelooft gij, Kwaadstaart, mij hier gekomen te zien," zeide mijn

Meester: "tot nog ongedeerd door al uwe wapenen,

82 zonder goddelijken wil en de gunstige beschikking? laat mij gaan,

daar men in den Hemel gewild heeft dat ik eenen anderen den woesten

weg wijze."

85 Toen was zijn trots dermate gevallen, dat hij zich den gaffel

voor de voeten liet vallen, en tot de anderen zeide: "Nu worde hij

niet gestoken."

88 En mijn Gids zeide mij: "Gij, die daar gansch plat tusschen de

rotsen van de brug zit, kom vreezeloos weer tot mij terug."

91 Waarom ik mij opmaakte en snel tot hem kwam; en de duivelen kwamen

allen naar voren zoodat ik vreesde dat zij zich niet aan het verdrag

zouden houden.

94 En zoo zag ik eenmaal de krijgsknechten vreezen die onder verdrag

uit Cabrona uitgingen, daar zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.

97 Ik drong mij met mijn gansche persoon tegen mijnen leidsman, en

ik draaide mijne oogen niet naar den kant van hunne verschijning,

die mij niet malsch leek.

100 Zij streken de gaffels en: "Wilt gij," sprak de één snel tegen

den ander: "dat ik hem op het kruis rake?" En zij antwoordden: "Ja,

maak dat gij hem raakt."

103 Maar die duivel, die zich met mijnen Gids had onderhouden, wendde

zich snel om en zeide: "Houd op, houd op, Pluk-haar!"

106 Voorts zeide hij tot ons: "Langs dezen rots-weg zult gij niet

verder kunnen voort gaan, daar de zesde boog tot op den bodem gansch

vermorzeld ligt:

109 en indien toch het verder voortgaan u gevalt, gaat dan voort over

dezen dam: dicht bij is een andere rotsrug, die u een overgang geeft.

112 Gisteren, vijf uren later dan dit uur, hadden zich twaalfhonderd

zes en zestig jaren vervuld, sedert hier de weg gebroken werd.

115 Ik zend daar henen dezen van de mijnen om te zien of iemand daar

een luchtje schept: gaat met hen, want ze zullen niet kwaadaardig zijn.

118 Kom naar voren, Zeilstrijker en IJstrapper," begost hij te zeggen:

"en gij Hondsnoet: en laat Ruigbaard het vendel voeren.

121 Bes-luster kome achter hem, en Draken-muil, Everzwijn met de

slag-tanden, en Bullebijter, en Schim-vlerk en Zotte Rood-mond.

124 Doorzoekt rondom de kokende pek-wakken; laat dezen ongedeerd

zijn tot aan den volgenden rotsweg, die gansch ongebroken over de

kuilen gaat."

127 "Wee mij! Meester, wat is dat wat ik zie?" zeide ik: "zie, laat

ons alleen en zonder geleide gaan, indien gij weet te gaan, want ik

verlang dat geleide niet.

130 Indien gij zoo opmerkzaam zijt als gij pleegt, ziet gij niet dat

zij de tanden knarsen en door de wenkbrauwen ons met pijn bedreigen?"

133 En hij tot mij: "Ik wil niet dat gij vreest. Laat ze maar tanden

knarsen zooveel het hen lust, want dat doen ze tegen de pijn-lijdende

gekookten."

136 En over den linker rotsweg zwenkten zij; maar eerst had ieder

tot teeken de tong uitgestoken en de tanden laten zien aan hunnen

aanvoerder.

139 En deze had van zijn aars een trompet gemaakt.

TWEE-EN-TWINTIGSTE ZANG.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Onder het schrikwekkend geleide van een drom duivelen gaan de

beide Dichters den vijfden Buidel verder langs en zij aanschouwen

eene schermutseling tusschen Duivelen en Rechtsverdraaiers.

1 Menigmalen zag ik ruiters uit de leger-plaats opbreken, den storm

beginnen, of hunne monstering doen, en menigmalen den terugtocht

blazen:

4 ren-vendels zag ik door uw land, o Aretijnen, en woud-patrouilles

zag ik er loopen, spiegelgevechten houden bij drommen en bij tweeën,

7 dan eens met trompetten, dan met klokken, met trommelen en met

vesting-signalen, en met in- en uitheemsche dingen,

10 maar nooit met zoo verscheiden blaas-tuig zag ik ruiters

of voetknechten optrekken; noch schip op land- of hemelteeken

manoeuvreeren.

13 Wij gingen met de tien duivels: wee om het woest gezelschap maar

in de kerk verkeert men met heiligen en in de taveerne met gulzigaards.

16 Steeds maar was mijn aandacht gevestigd op het pek om den ganschen

inhoud van het kokend vocht en al het volk dat daarin brandde, te zien.

19 Gelijk de dolfijnen, wanneer zij den zeeluiden met den boog van

hun ruggegraat een teeken geven, dat zij er op bedacht moeten zijn

om hun hulk te bergen;

22 zóó vertoonde, om zich de pijn te leenigen, soms een der zondaren

den rug, en verborg dien weer in minder tijd dan het bliksemt.

25 En gelijk aan den sloot-kant de kikvorschen met den muil naar

buiten staan, zoodat zij de pooten en het overige dikke verbergen;

28 zoo stonden aan alle kant de zondaren; maar toen Ruigbaard

nader-kwam, trokken zij zich zóó terug onder de kook-bellen.

31 Ik zag, en nog gruwt mijn hart er van, éénen wachten zooals het

wel gebeurt dat de ééne kikvorsch achterblijft terwijl de ander

ver wegspringt.

34 En Bullebijter, die het meest tegenover hem was, sloeg hem met de

bepekte haren aan zijn vork en trok hem naar boven, zoodat hij mij

een visch-otter scheen.

37 Ik wist reeds van allen den naam, zoo goed had ik er op gelet,

toen zij werden uitgekozen, en voorts als zij dan geroepen werden,

merkte ik mij hoe.

40 "O Roodmond, maak dat gij hun de klauwen in den rug zet, zóó dat

gij ze vilt," zoo riepen te zamen alle de verdoemden.

43 En ik zeide: "Mijn Meester, maak, indien gij kunt zoodat gij wetet

wie de rampzalige is, in de handen gevallen van zijne tegenstanders.

46 Mijn Gids klampte hem van ter zijde aan, vroeg hem van waar hij

was en gene antwoordde: "Ik was geboortig uit het Rijk van Navarre."

49 Mijn moeder stelde mij tot eenen knecht bij eenen heer, daar zij

mij gewonnen had van eenen brasser, verderver van zich-zelven en van

zijne goederen.

52 Voorts was ik lijfknecht van den goeden koning Tibaud: daar zette

ik er mij toe om schelmerijen te bedrijven, waarvan ik nu rekenschap

geef in dit heete."

55 En Everzwijn, bij wien aan elken kant een slagtand uit den mond

stak als bij een varken, deed hem gevoelen hoe de eene (tand) stak.

58 Tusschen kwade katten was de muis gekomen; maar Ruigbaard sloot

hem in zijn armen en zeide: "Blijft gij lieden daar, terwijl ik hem

aan de vork houd."

61 En naar mijnen Meester wendde hij het gezicht en: "Vraag hem,"

zeide hij: "zoo gij nog meer van hem verlangt te weten, voordat een

ander hem stukscheurt."

64 De Gids: "Dan spreek van de andere slechten: kent gij er eenen

onder het pek die uit Italië is?" En hij: "Zoo even

67 ging ik weg van éénen, die daar uit die buurt was: mocht ik daar nog

zoo goed geborgen met hem zijn, daar ik noch klauw noch gaffel vreesde.

70 En Bes-luster: "Te lankmoedig zijn wij geweest," zeide hij; en hij

greep zijn arm met zijn vork, zóó dat hij, rijtende, het eene lid er

van weghaalde.

73 Ook Drakemuil wilde hem grijpen onder aan de beenen; waarom hun

aanvoerder zich met kwaden blik omdraaide.

76 Toen zij een weinig tot bedaren waren gekomen vroeg mijn Gids

zonder vertoef aan hem die nog zijne wonde beschouwde:

79 "Wie was dat, van wien gij zeidet dat gij tot uw leed gescheiden

werdt om op den oever te komen?" En hij antwoordde: "Dat was Broeder

Gomita,

82 die van Gallura, een vat van alle ongerechtigheid, die de vijanden

van zijnen heer in zijne macht had, maar ze zoo behandelde dat ze

hem allen prezen.

85 Zoo kreeg hij geld, en liet hij ze zonder verhoor vrij, zooals hij

zelf zegt: en ook in de andere ambten was hij geen kleine schurk maar

een opperhoofd onder dezulken.

88 Met hem verkeert heer Michel Zanche van Logodoro; en om te spreken

van Sardinië voelen hunne tongen zich nimmer te moei.

91 Wee! zie hoe daar die ander de tanden toont; ik zou nog meer zeggen:

maar ik vrees dat hij zich gereed maakt om mij de luis te krabben."

94 En de groote hoofdman, gericht naar Schimvlerk, die de oogen reeds

draaide om hem te slaan, zeide: "Pak u weg, kwade vogel!"

97 "Indien gij heer," begon de gerustgestelde daarna: "Toscanen of

Lombarden" wilt zien of hooren, dan zal ik er doen komen.

100 Maar laat de kwade klauwen een weinig in rust zijn, zoodat

genen hunne wraak niet vreezen; en dan zal ik, op deze zelfde plaats

blijvende zitten,

103 voor éénen, die ik ben, er zeven doen komen, wanneer ik fluiten

zal, gelijk ons gebruik is om dan te doen opdat er een zich naar

buiten begeve."

106 Hondsnoet richtte bij dit woord den muil op, het hoofd schuddende

en zeide: "Hoor den kwaden streek, die hij heeft bedacht om zich naar

beneden te werpen."

109 Waarop hij, die listigheid had in grooten rijkdom, antwoordde:

"Voorwaar te kwade streken heb ik, als ik den mijnen grooter leed

bezorg!"

112 Zeil-strijker kon zich niet weerhouden, maar tegen den zin der

anderen in, zeide hij tot hem: "Als gij naar beneden gaat, ik zal u

niet achterna komen in galop,

115 maar over het pek zal ik de vlerken klepperen: de hoogte worde

ontruimd, en de dam zij u een schild, dan kunnen we zien of gij meer

dan wij vermoogt."

118 Gij die dit leest, nu zult gij van een nieuw spel hooren. Een

elk richtte de oogen naar den anderen kant, en hij het eerst, die

het stugst was geweest om dit te doen.

121 De Navarrees gebruikte wel zijn tijd; hij zette de zolen vast op

den grond en in één wip sprong hij en ontkwam hij aan hun voornemen.

Dante's Hel In proza overgebracht en met een inleiding voorzien · 第 6 / 12 段