zelven in en ik bewaar het om het met nog een uitspraak te openbaren
aan eene Vrouwe die het weten zal wanneer ik tot haar kom.
91 Alleen wil ik dat u duidelijk zij dat, hoewel mijn geweten mij
niet pijnigt, ik bereid ben tot de fortuin zooals zij dat wil.
94 Niet nieuw voor mijn ooren is zulk een onderpand: daarom draaie
de Fortuin haar rad, naar haar behaagt en de boer (hanteere) de spade."
97 Toen wendde de Meester zich ter rechter zijde naar achteren om en
zag naar mij; voorts zeide hij: "Hij hoort goed die op die spreuk let."
100 Maar daarom ga ik niettemin voort sprekende met heer Brunetto,
en ik vraag hem wie zijne meest bekende en hoogste lotgenooten zijn.
103 En hij tot mij: "Van eenen enkelen te weten is goed, van de anderen
zal het lofwaardig zijn dat wij zwijgen, daar de tijd te kort zoude
zijn voor zooveel spreken.
106 Over het algemeen moet gij weten dat het geestelijken zijn, en
groote geletterden en van grooten roep, door een zelfde zonde op de
wereld besmet.
109 Priscianus gaat daar met dien kwaden troep, en ook Franciscus
d'Accorso, en als gij naar zulk een worm nieuwsgierig waart,
112 kondt gij diengene zien die door den Slaaf der Slaven van den
Arno naar den Bachiglione verplaatst werd, waar hij het ten kwade
gerichte lichaam verliet.
115 Van meerderen zou ik spreken; maar het met u mede gaan en het
spreken kan niet langer duren, omdat ik daar nieuwen rook van het
zand zie opstijgen.
118 Lieden komen daar met wie ik niet mag zijn: mijn Thesaurus zij
u aanbevolen, waarin ik nog leef; en meer vraag ik niet."
121 Voorts wendde hij zich om en hij scheen een van de genen te
zijn, die te Verona door het veld loopen om het groene laken; en van
die lieden
124 scheen hij er een die wint en niet een die verliest.
ZESTIENDE ZANG.
Tweede vervolg van den derden binnencirkel des zevenden ommegangs.
1-90. Ontmoeting met drie Florentijnen.
91-136. De beide Dichters naderen den val van Phlegethon en zien
uit het water ervan Geryones opduiken.
1 Reeds was ik op eene plaats waar men het bauwen hoorde van het
water, dat in den volgenden ommegang viel, gelijk aan dat gegons,
hetwelk de bijenkorven doen hooren;
4 wanneer drie schimmen snel loopende zich afscheidden van eenen drom,
die voortging onder den regen der rauwe marteling.
7 Zij kwamen te-ons-waart; en elk-ééne riep: "Sta stil gij, daar gij
aan uwe kleeding er een schijnt te zijn van ons verdorven land."
10 Wee mij! welke wonden zag ik, versche en oude, door de vlammen
hunnen ledematen ingebrand! nog deert mij des, daar mij des heugt.
13 Op hunne kreten werd mijn Leermeester oplettend; hij wendde het
gezicht te-mij-waart, en: "Nu wacht," zeide hij: "jegens hen mag men
wel hupsch zijn."
16 en 't en ware het vuur, dat de gesteldheid der plaats teistert,
dan zoude ik zeggen dat beter u dan hun deze haast voegde.
19 Zij herbegonnen, toen wij stil stonden, het vorige gezegde; en
toen zij tot ons waren gekomen, maakten zij alle drie een rad van
zich zelven.
22 Gelijk de worstelaren plegen, naakt en gezalfd, mikkende op hunnen
greep en hun voordeel, voordat zij elkanderen slaan en stooten;
25 aldus, draaiende, richtte elk het gelaat naar mij, zoodat de hals
voortdurend eenen gang ging, tegengesteld aan dien der voeten.
28 "Zeg, al brengt ook de onzaligheid van deze mulle plaats en onze
geverfde en gevilde gezichten ons en onze gebeden in minachting;
31 dan noopt toch onze faam uwen geest om tot ons te zeggen wie gij
zijt, die de levende voeten zoo veilig door de Hel verzet.
34 Deze, wiens voetstappen gij ziet dat ik druk, al gaat hij ook
naakt en gevild, was van hoogeren rang dan gij gelooft.
37 Kleinzoon was hij van de goede Walrade: Guidoguerra heette hij,
en in zijn leven deed hij veel met zijn beleid en met zijn zwaard.
40 De andere, die achter mij het zand slijt, is Tegghiaio Aldabrandi,
wiens raad in de bovenwereld welgevallig had moeten zijn.
43 En ik, die met hen gestraft word, was Jacobus Rusticucci: en
voorzeker mijne preutsche vrouw schaadde mij meer dan iets anders."
46 Indien ik voor het vuur zoude beschut zijn geweest, zoude ik mij te
midden van hen hebben nedergestort; en ik geloof dat mijn Leermeester
het zoude hebben geduld.
49 Maar daar ik mij dan zoude hebben gebrand en gekookt, overwon de
vrees mijnen goeden wil, die mij begeerig maakte om hen te omarmen.
52 Toen begon ik: "Niet minachting, maar smart heeft uw toestand
mij ingegeven zoozeer, dat die (smart) eerst laat geheel bij mij
zal verdwijnen,
55 (en dat geschiedde) zoodra deze mijn Heer mij woorden gezegd had
door welke ik mij voorstelde dat er zoodanige menschen aankwamen,
hoedanige gij zijt.
58 Van uw land ben ik; en ten allen tijde heb ik uw werk en uwe
geëerde namen met liefde herhaald en gehoord.
61 Ik verlaat de gal, en ik ga naar de zoete vruchten, mij door den
waarachtigen Gids beloofd; maar eerst voegt het dat ik tot aan het
middenpunt dale."
64 "Zoowaar moge uwe ziel nog lang uwe leden vergezellen," antwoordde
gene toen: "en zoowaar moge uwe faam nog na u lichten,--
67 zeg mij, heuschheid, en deugdelijkheid, verblijven zij nog in onze
stad, zooals zij plachten, of zijn zij er ganschelijk uitgegaan?
70 Daar Guglielmo Borsiere, die eerst sedert kort met ons treurt,
en dáár gaat met de lotgenooten, ons niet weinig pijnigt met zijne
woorden."
73 "De nieuw-bijgekomen menschen, en de onverwachte winsten hebben,
Florence, in u hoovaardigheid en buitensporigheid verwekt, zoodat
gij er nu reeds over weent."
76 Aldus schreeuwde ik met het gezicht opgericht: en de drie, toen
zij dat antwoord hoorden, zij keken de een naar den ander, gelijk
men bij de waarheid kijkt.
79 "Indien het de andere keeren u zoo weinig kost," antwoordden zij
allen; "om iemand te voldoen, gelukkig dan gij, die zoo naar uw eigen
meening spreekt.
82 Daarom, indien gij vertrekt uit deze ongure streken en gij
wederkeert om de schoone sterren te herzien, wanneer het u zal lusten
te zeggen: "Daar was ik;"
85 maak dan dat gij daar tot de menschen van ons spreekt." Toen
braken zij het rad en om te ontvluchten schenen hunne snelle beenen
als vleugelen.
88 Een amen zoude men niet zóó spoedig hebben kunnen zeggen als zij
verdwenen waren; waarom het den Meester goed docht te vertrekken.
91 Ik volgde hem, en weinig waren wij voortgegaan toen het geluid
van het water ons zóó nabij was, dat wij door te spreken nauwelijks
gehoord zouden zijn.
94 Gelijk die stroom, die het eerst eenen eigenen weg heeft van Berg
Veso oostwaart uit de linkerzijde des Appenijns,
97 (die stroom) die boven het Stille Water heet, vóórdat hij zich in de
lage bedding nederwerpt, en bij Forum Livii dien naam is kwijt gegaan,
100 bauwt daar boven (het klooster van) den heiligen Benedictus van
de Alpen af, door te vallen in eenen afgrond, waar voor duizenden
wijkplaats moest zijn;
103 aldus bevonden wij dat dat gekleurde water galmde (daar het viel)
van eenen steilen rand, zoodat ik er in korten tijd het oor door
geschonden zou hebben.
106 Ik had een koord rondom mij tot gordel, en daarmee meende ik wel
menige keer de losch met het gespikkelde vel te vatten.
109 Nadat ik het gansch van mij had losgebonden, zóó als de Gids
het mij had bevolen, reikte ik het hem toe geknoedeld en tot een
lus gemaakt.
112 Daarna wendde hij zich naar de rechterzijde en een weinig langs
den rand wierp hij het in dien diepen afgrond.
115 "En wèl voegt het," zeide ik bij mijzelven: "dat eene nieuwigheid
beantwoordt aan het nieuwe kenteeken, dat de Meester aldus met het
oog volgt."
118 Ach, hoedzaam moeten de menschen zijn bij diegenen, die niet alleen
de daad zien, maar met den geest tot binnen in de gedachten turen.
121 Hij zeide tot mij: "dra zult gij aan het oppervlak dat zien,
wat ik verwacht; en dat wat gij met uw gedachten droomt, weldra voegt
het dat dàt zich aan uw gezicht ontdekke."
124 Altijd moet de mensch voor die waarheid, die schijn van leugen
heeft, de lippen sluiten voor zoover hij dat kan, omdat zij zonder
schuld te schande maakt;
127 maar hier kan ik haar niet verzwijgen: en bij de letterteekenen
van deze Comedia zweer ik, zóó waarlijk mogen zij niet van langdurige
gunst verstoken zijn,
130 dat ik door die dikke en donkere lucht eene gestalte zwemmende
naar boven zag komen verwonderlijk voor elk gerust hart;
133 gelijk die-gene weer boven komt, wie nederging om wel eens het
anker los te maken, dat of rots of wat anders in de zee verborgen is,
gegrepen houdt,
136 zóódat de man van boven (de armen) uitbreidt, maar van onder aan
de voeten zich zelven intrekt.
ZEVENTIENDE ZANG.
Derde vervolg van den derden binnencirkel des zevenden ommegangs.
1-27. Beschrijving van het Monster-Geryones, dat het zinnebeeld
is van alle bedrog.
28-75. Terwijl Vergilius zich met Geryones onderhoudt, bezoekt
Dante (voor het eerst geheel alleen) de verblijfplaats der
woekeraars, onder dezen, die overigens geheel onherkenbaar zijn,
verscheidene aan de hunne adelijke wapens herkennend.
76-136. Dante keert tot Vergilius terug; beiden zetten zich op
Geryones die hen door de lucht op den achtsten ommegang brengt.
1 "Zie daar het beest met den spitsen staart, die de bergen overgaat
en muur en wapenen verbreekt. Zie daar degene, die de gansche wereld
doet stinken."
4 Aldus begon de Gids tot mij te spreken en hij gaf hem een teeken
dat hij tot den oever kwame, dicht bij het einde der betredene
marmerranden:
7 en dat leelijke beeld van bedrog, het maakte zich op en het kwam
met kop en romp; maar den staart trok het niet op den oever.
10 Zijn aangezicht was het aangezicht eens rechtvaardigen menschen;
zóó welwillend had hij van voren 't voorkomen; en van een slang het
gansche overige lichaam.
13 Twee armen had hij, harig tot aan de oksels. Den rug en de borst
en beide de flanken had hij bepikkeld met knoopen en krinkels.
16 Met meerdere kleuren maakten nooit Tartaren of Turken de scheringen
en inslagen in hunne tapijtwerken, noch werden ooit zoodanige weefsels
voor Arachne op het getouw gezet.
19 Gelijk menigmaal de aken aan den oever staan, die deels in het water
en deels op het land zijn; en gelijk ginds bij de gulzige Duitschers,
22 de bever tot strijden zich opstelt; zoo stond het kwaadaardigste
beest op den rand, die van steen zijnde het zand afsluit.
25 In het ijle kwispelde zijn geheele staart, de giftige gaffel
naar boven krommende, welke op de wijze van den skorpioen den punt
verweerde.
28 De Gids zeide: "Nu voegt het dat onze weg zich een weinig draaie
naar dat kwade beest, dat zich daar neerhurkt."
31 Daarom daalden wij naar de rechterzijde, en wij deden tien schreden
op den uitersten rand om wèl het zand en den brand te vermijden.
34 En toen wij daar gekomen waren, zie ik een weinig verder op het
zand menschen zitten dicht bij de steile plaats.
37 Daar zeide de Meester: "Op dat gij gansch volkomene ondervinding
van dezen cirkel mededraget, ga nu, en zie hunne gedraging.
40 Laat uwe besprekingen aldaar kort zijn; totdat gij wederkeert,
zal ik met dezen spreken, dat hij ons zijne sterke schouderen gunne."
43 Zóó ook nog over dat uiterste hoofd van dien zevenden cirkel ging
ik gansch alleen, daar waar het droeve volk gezeten was.
46 Door de oogen borst hun pijn naar buiten: van hier, van ginds
beschutten zij zich met de handen, nu tegen de walmen, dàn tegen den
heeten grond.
49 Niet anders doen des zomers de honden, dan met den bek, nu met
den poot, wanneer zij gebeten worden of door vlooien, door vliegen
of door bremzen.
52 Nadat ik bij (enkele) zekeren de oogen op het gezicht vestigde,
op welke het pijnlijke vuur valt, herkende ik er geenen van; maar ik
merkte op
55 dat bij ieder een zak van den hals afhing, die (bij ieder) een
onderscheiden kleur en een onderscheiden wapenmerk had, en daaraan
scheen het dat hun oog zich verzaadde.
58 En terwijl ik rond-kijkende door hen ga, zag ik op een gele beurs
(een wapen) van azuur, dat van een leeuw het voorkomen en de houding
had.
61 Voorts, terwijl de kringloop van mijn blik voortging, zag ik er
eene andere rooder dan bloed een gans vertoonen, witter dan boter.
64 En een, die zijn witte beurs met een lazure en zwangere zeug
geteekend had, zeide tot mij: "Wat doet gij in dezen kuil?"
67 Ga gij nu henen: en omdat gij nog levend zijt, weet dat mijn
buurman Vitalianus hier aan mijne linker zijde zal zitten.
70 Met deze Florentijnen ben ik Paduaan. Vele malen verdooven zij
mij de ooren, schreeuwende: de opperste ridder kome,
73 die de beurs met de drie bokken zal aandragen." Daarna verdraaide
hij den mond, en hij stak de tong naar buiten, gelijk een rund zich
de neus lekt.
76 En ik, vreezende dat het langer blijven hem zou vertoornen, die
mij tot het korte blijven vermaand had, keerde mij wederom weg van
de vermoeide zielen.
79 Ik vond mijnen Gids, die reeds op het kruis van het wilde beest
gestegen was en hij zeide tot mij: "wees nu dapper en stoutmoedig.
82 Van nu aan daalt men langs dusdanige trappen: stijg gij van voren
op, daar ik in het middelste wil zijn, zóódat de staart geen kwaad
kan doen."
85 Gelijk diegene, die zóó zeer bevangen is door de huivering van de
derdedaagsche koorts, dat hij de nagels reeds zonder bloedkleur heeft,
en gansch beeft, wanneer hij ook maar kijkt naar de schaduw;
88 zoo werd ik bij de mij toegesprokene woorden; maar zijne
bedreigingen gaven mij die schaamte, die onder 's goeden meesters
oogen den slaaf dapper maakt.
91 Ik zette mij op die hatelijke schouders. Ik wilde zeggen (maar mijn
stem kwam niet, zoo als ik het geloofd had): "maak dat gij mij omarmt."
94 Maar hij, die een andere keer hooger op mij te hulp gekomen was,
hij greep mij zoodra ik opgestegen was, stevig met de armen vast en
ondersteunde mij:
97 en zeide: "Geryones, nu maak u op; laat de bochten wijd en het
dalen weinig zijn: gedenk den nieuwen last, dien gij hebt."
100 Gelijk het schuitje van zijn plaats gaat achterwaarts,
achterwaarts; zoo maakte hij zich vandaar op; en nadat hij bemerkte
dat hij gansch vrij spel had,
103 draaide hij den staart, daar waar zijn borst was (geweest), en
hij bewoog dien, uitgestrekt, als een aal, en met de armen vergaarde
hij de lucht naar zich toe.
106 Ik geloof niet dat er grootere vrees werd (gevoeld) toen Phaëton
de toomen liet schieten, waardoor de hemel, zooals nog blijkt
gezengd werd,
109 noch toen de rampzalige Icarus zich de lendenen voelde ontvederen
door het gesmoltene was, terwijl zijn vader tot hem riep: "Gij houdt
den verkeerden weg,"
112 dan mijn vrees was, toen ik zag dat ik van alle kanten in de lucht
was, en ik alle gezicht uitgewischt zag, behalve dat van het beest.
115 Hij gaat voort langzaampjes aan zwemmende; hij draait en daalt,
maar ik werd het niet gewaar tenzij dat het mij het gezicht en wat
daaronder is, waaierde.
118 Reeds merkte ik aan de rechterhand dat de kolk onder ons een
gruwelijk gedruisch maakte, waarom ik met de oogen het hoofd naar
onder richt.
121 Toen werd ik meer bevreesd voor den afgrond, omdat ik vuren zag
en klachten hoorde; waarom ik gansch sidderend de dijen weer toeknijp.
124 En toen zag ik, dat ik eerder niet had gezien, het dalen en het
draaien, aan de groote kwalen, die van alle kanten nader kwamen.
127 Gelijk de valk, die een tijd lang op de vleugelen heeft gestaan,
die zonder lok- of anderen vogel te zien, den valkenier doet zeggen:
"Aimy gij daalt:"
130 vermoeid, in honderd kringen, daar nederkomt, vanwaar hij snel
opging, en mismoedig en gramstorig zich ver van zijnen meester
nederzet?
133 zóó zette Geryones ons voetje voor voetje onderaan den steilen
rotswand neder, en nadat hij zich van onze personaadjes ontlast had,
136 vlood hij weg als van pees een pijl.
ACHTTIENDE ZANG.
De achtste ommegang.
1-18. Ordening van dezen ganschen ommegang en zijne indeeling in
tien valleien, genaamd Buidelen des kwaads.
10-99. De eerste Buidel; met de vrouwenverleiders.
100-136. De tweede Buidel met vleiers en vleisters.
1 Er is een plaats in de Hel, genaamd de Buidelen des Kwaads, geheel
van steen van de kleur van ijzerroest evenzeer als de cirkel, die
haar van rondom omgeeft.
4 In het rechte midden van dit kwaadaardig land, gaapt een put, zeer
breed en diep, van welken ik te zijner plaats de ordening zal zeggen.
7 Die zoom dus, die overblijft tusschen den put en den voet van
den stuggen wand, is rond en heeft zijn grondvlak verdeeld in tien
valleien.
10 Hoedanig dat landschap, waar tot verweer der muren al meer en
meerdere grachten de kasteelen omkringen, een voorkomen vertoont,
13 zulk een voorkomen vertoonden deze (grachten) daar. En gelijk bij
zulke kasteelen van hunne drempels naar den overkant (van elke gracht)
bruggetjes zijn;
16 zoo liepen van den voet van den rots-wand rots-wegen, die de dammen
en grachten doorsneden tot aan den put, die (die wegen) afknot en
tot zich vergaart.
19 Op die plaats bevonden wij ons toen wij waren afgeworpen van den
ruggegraat van Geryones; en de dichter hield links aan en ik maakte
mij op achter hem.
22 Aan de rechter hand zag ik nieuwe erbarmelijkheid; nieuwe
martelingen en nieuwe geeselaars, met welke de eerste Buidel opgevuld
was.
25 In de diepte waren de zondaren naakt: van het midden tot hiertoe
kwamen zij met het gezicht naar ons toe, van daar (verder op) liepen
zij met ons mede met grootere schreden:
28 gelijk de Romeinen, wegens het groote heirleger volks in het
Jubel-jaar het middel gevonden hadden om de menigte over den brug te
laten heen en weder trekken;
31 zóódat aan de ééne zijde allen het gezicht hebben naar het kasteel
en die gaan naar Sint-Pieter; maar aan den anderen kant gaan zij,
naar den berg gericht.
34 Hier en ginds op den grauwelijken rots zag ik gehoornde duivelen
met groote geesels, die hen wreedelijk op den rug sloegen.
37 Wee! hoe deden zij hen de hielen lichten bij de eerste slagen;
en niemand wachtte dan meer den tweeden of den derden slag.
40 Terwijl ik voortging, kwamen mijne oogen de oogen van eenen te
ontmoeten: en ik zeide tegelijk: "Reeds ben ik niet nuchter van dezen
te zien."
43 Waarom ik de voeten vestte om hem op te nemen: en de zoete Gids
hield met mij stand: en hij stemde er in toe dat ik een weinig
achterwaarts ging.
46 en die gegeeselde meende door het aangezicht te neigen, zichzelven
te verbergen, maar weinig baatte hem dit: zoodat ik zeide: "Gij die
het oog op de aarde richt,
49 indien de gelaatstrekken, die gij draagt, niet liegen, dan zijt
gij Venedico Caccianimico: maar wat leidt u tot zóó heete sauzen?"
52 en hij tot mij: "Wel òngaarne spreek ik; maar uw heldere spraak
noopt mij, die welke mij des vorigen levens doet gedenken.
55 Ik was de gene, die de schoone Ghisola verleidde om den Markies
ter wille te zijn, hoe dan ook het rauwe verhaal het verluid.
58 En ik ben niet de eenige Bolognees, die hier ween: maar deze plaats
is er zoo mede gevuld dat niet zoovele tongen op heden afgericht zijn
61 om Sipa te zeggen tusschen Savena en den Reno: en als gij daarvan
bewijs of getuigenis wilt, haal u dan voor den geest ons hebzuchtig
gemoed."
64 Terwijl hij aldus sprak sloeg hem een duivel met zijnen geesel en
zeide: "Weg, verderver, hier zijn geen veile vrouwen, waarmee geld
valt te verdienen."
67 Ik voegde mij weder bij mijnen geleider: voorts geraakten wij met
weinig schreden daar waar een rotsweg van den rots-wand uitging.
70 Zeer lichtelijk gingen wij dien over, en naar rechts gewend over
zijn rug, gingen wij weg van die eeuwige cirkels.
73 Toen wij daar waren, waar (de weg) van onderen hol is om een
doorgang te geven aan de gegeeselden, zeide de Gids: "Wacht en maak
dat op u zich veste
76 het gezicht van die andere kwalijk-geborenen, wier aangezicht gij
nog niet gezien hebt, omdat zij samen met ons op zijn gegaan."
79 Van den ouden brug beschouwden wij den sleep, die tot ons kwam in
de andere richting en welken de geesel gelijkelijk voortjaagt.
82 De goede Meester, zonder dat ik het vroeg, zeide tot mij: "Zie
dien groote, die komt, en ook in zijn droevenis schijnt het niet dat
hij een traan stort.
85 Hoe koninklijk een voorkomen behoudt hij nog! Deze is Jason,
die door moed en door beleid de Kolchers van de schapenvacht beroofde.
88 Hij stak over naar het eiland Lemnos, nadat de onversaagde,
hardvochtige vrouwen daar al wat man was, ter dood hadden gebracht.
91 Daar met gebaarden en opgesierde woorden verdoorde hij Isiphile,
dat meisje, dat eerst alle de andere (meisjes) had verdoord.
94 Daar liet hij haar, begord en eenzaam; zoodanige schuld veroordeelde
hem tot zoodanige marteling; en ook wordt daar voor Medea door
hem geboet.
97 Met hem gaat mede op al wie op zulke wijze verdoort. En dit zij
u genoeg om van de eerste delling te weten en van hen die door deze
(delling) als met tanden gebeten worden.
100 Reeds waren wij daar waar het rechte pad den tweeden dam kruist
en dien maakt tot schoor voor een tweeden boog.
103 Daar werden wij menschen gewaar, die in den tweeden buidel
verzuchten, met den muil puffen en zich zelven met de handpalmen
stompen.
106 De oever-randen droegen een korst van schimmel door de uitwaseming
van onderen, die zich daaraan vastbakt en die oog en neus oorlog
aandoet.
109 De bodem is zóó diep dat ons oog niet toereikend is om er in te
zien zonder te stijgen op den riggel van den boog, waar de rots-weg
er het meest over heen hangt.
112 Daar kwamen wij en daar zag ik onder in de gracht menschen
ondergedompeld in zulk een drek, dat het uit menschelijke secreten
scheen weggehaald.
115 En terwijl ik daaronder met het oog zoek, zag ik daar éénen met het
hoofd zóó bevuild, dat het niet bleek of hij leek dan wèl klerk was.
118 Hij riep tot mij: "Waarom zijt gij zóó veel begeeriger om mij te
zien dan de andere bevuilden?" En ik tot hem: "Omdat, indien ik mij
wèl herinner,
121 ik u reeds gezien heb met de vette haren, en gij zijt Alexio
Interminei van Lucca: daarom beoog ik u meer dan alle de anderen."
124 En hij daarop, zich den schedel slaande: "Hier hebben mij de
vleierijen ondergedompeld, van welke ik nooit de tong verzadigd had."
127 Daarna zeide de Gids: "Maak dat gij het gezicht nog een weinig
vooruitsteekt zoodat gij goed met de oogen het aangezicht aanraakt
130 van die vuile, geplukhaarde deerne, die zich met de bevuilde
nagelen krabbelt en nu zich op de zijden legt en dan weer is op de
voeten staande.
133 Thaïs is dat, de lichtekooi, die wanneer haar minnaar zeide:
"Vind ik wel groote dankbaarheid bij u?" hem antwoordde: "Wel
wonderbaarlijk-groote."
136 Maar hier moet ons gezicht verzadigd zijn.
NEGENTIENDE ZANG.
Vervolg van den achtsten ommegang.
De dichters bezoeken den derden Buidel, waarin de Simonie gestraft
wordt. Dante onderhoudt zich met Paus Nicolaus III en houdt eene
boet-predicatie over het wanbestuur der Pausen.
1 O Simon toovenaar, o ellendige volgelingen, die de dingen van God,
welke der Goedheid moesten verzeid zijn--en gij, roofzuchtigen,
4 voor goud en zilver onteert gij ze; nu voegt het dat over u de
bazuin schalle omdat gij in den den derden buidel zijt.
7 Reeds waren wij, naar den volgenden graf-kuil opklimmende, op dat
punt van den rots-weg, dat zuiver in 't lood staat boven het midden
van de gracht.
10 O hoogste Wijsheid, hoe groot is de kunst welke gij in hemel, op
aarde en in de slechte wereld aan den dag legt, en hoe rechtvaardig
verdeelt uw vermogen (het alles).
13 Ik zag het loodgrauwe steen aan de zijden en aan den bodem vol
met gaten, allen van ééne wijdte en elk gat was rond.
16 Zij schenen mij noch minder wijd noch grooter dan die welke zijn in
mijne schoone Sint-Janskerk gemaakt om plaats te geven aan de doopers;
19 één van welke ik,--nog is het niet vele jaren geleden--gebroken
heb ten behoeve van één die daarin in 't lijfsgevaar was: en dit zij
een zegel dat elk mensch uit de dwaling helpe.
22 Bij elk staken boven de monding naar buiten van eenen zondaar de
voeten en dat deel van de beenen dat tot aan het dikke is, en het
overige was binnen.
24 Bij allen waren beide de voetzolen in brand gestoken; waardoor
zij zoo heftig de enkels bewogen, dat zij touwen en zeelen zouden
hebben gebroken.
27 Gelijk bij met olie gedrenkte dingen het vlammen zich over het
opperste oppervlak schijnt heen en weder te bewegen, zoo ging het
daar van de hielen naar de toppen (der teenen).
31 "Wie is dat, Meester, die gemarteld wordt, meer kwispelend dan
zijne andere lotgenooten," zeide ik: "en wien roode vlam uitzuigt."
34 En hij tot mij: "Indien gij wilt dat ik u daar beneden brenge over
dien oever, die daar lager ligt, zult gij van hem vernemen over hem
zelven en over zijne vergrijpen."