bergstorting welke bewaard wordt door dien beestelijken toorn, door
mij zooeven verijdeld.
34 Nu wil ik dat gij wetet, dat de andere maal dat ik daar beneden
nederdaalde in dat lage gedeelte der hel, deze rots nog niet gebroken
was.
37 Maar zekerlijk, weinig tijd vóórdat (indien ik wel onderscheide)
degene gekomen was, die den grooten buit aan Dis ontnam van den
bovensten cirkel,
40 sidderde het diepe, ongure dal van alle kanten zóózeer dat ik
dacht dat het heelal die liefde voelde, door de welke enkelen gelooven
43 dat de wereld meerdere malen tot den chaos is teruggebracht: en
op dat tijdstip kreeg deze oude rotswand hier en op andere plaatsen
zulk eenen krak.
46 Maar vestig de oogen in het dal; want nu naderen wij de rivier
des bloeds, waarin kookt al wie door gewelddadigheid zijnen naaste
schaadde."
49 O blinde begeerigheid, o dolle toorn, die zoo ons prikkelt in
het korte leven, en voorts in het eeuwige op zóó kwade wijze ons
onderdompelt.
52 Ik zag eene breede gracht, tot eenen boog gedraaid, als ééne,
welke de gansche vlakte omringt, overeenkomstig het gene mijne geleide
gezegd had:
55 en tusschen den voet van den rotswand en die (gracht) renden in
een rij Centauren, gewapend met pijlen, gelijk zij in de wereld ter
jacht plachten te gaan.
58 Ons ziende afdalen, hield elk (van hen) stand, en uit de gansche
scharen gingen er drie uit met bogen en schichten, die zij eerst
gekozen hadden;
61 en één riep van verre: "Tot welke pijniging komt gij lieden,
die den bergwand afdaalt? Zegt het ons van dáár (waar gij zijt);
zoo niet, dan trek ik den boog."
64 Mijn meester zeide: "Antwoord zullen wij daarginds van dichte bij
aan Chiron geven: tot uwe schade was uw wil altijd zoo voorbarig."
67 Voorts stiet hij mij aan, en zeide: "Dat is Nessus, die stierf om
de schoone Deianira, en zelf over zich zelven wraak nam.
70 En die in het midden, die zich zelven op de borst schouwt, is de
groote Chiron, die Achilles opvoedde: dat is Pholus, die zoo vol van
toorn was.
73 Rondom de gracht gaan er duizend en duizend met den pijl schietend
op elke ziel, die zich meer uit het bloed opricht dan zijne schuld
hem beschoor."
76 Wij gingen nader tot die vlugge wilden: Chiron nam een pijl,
en met het gleufje (ervan) streek hij zich den baard naar achter op
de kinnebak.
79 Toen hij zich den grooten mond òntdekt had, zeide hij tot zijne
gezellen: "Hebt gij lieden opgemerkt dat de achterste doet bewegen
dat wat hij aanraakt.
82 Aldus plegen niet de voeten der dooden te doen." En mijn goede
Leidsman, die hem reeds aan de borst was, waar de twee naturen
samenvallen,
85 antwoordde: "Wèl is hij levend en aldus eenzaam voegt het mij hem
de ongure vallei te toonen; noodzakelijkheid noopt ons en niet vermaak.
88 Zoodanig ééne stond er op van het halleluia zingen, die mij dit
nieuwe ambt oplegde; hij is geen vrijbuiter en ik geen dieven-ziel.
91 Maar bij dat vermogen, door hetwelk ik mijne schreden zet over
zoo woesten straat-weg, geef ons één van de uwen, wien wij ter zijde
kunnen blijven,
94 dat hij ons de plaats toone, waar de stroom doorwaadbaar is,
en die dezen op den rug drage, daar hij geen geest is, die door de
lucht gaat."
97 Chiron wendde zich ter rechter zijde en sprak tot Nessus: "Keer-om
en geleid ze aldus en doe alle andere schare deinzen, die u mocht
tegentreden."
100 Wij bewogen ons voort met het veilige geleide langs den oever
van het vuurroode kooksel, waar de gekookten luide kreten slaakten.
103 Ik zag er lieden ondergedompeld tot aan de wenkbrauw: en de
groote Centaur zeide: "Dit zijn tirannen, die handen sloegen aan
bloed en goed.
106 Hier worden de hartelooze ongerechtigheden bejammerd: hier zijn
Alexander, en Dionysus de wreede, die Sicilië smartelijke jaren
deed hebben;
109 en dat voorhoofd dat zoo zwarte huid heeft, is Ezzelino; en die
andere die blond is, is Obizius van Este, die in waarheid door zijnen
òn-zoon boven in de wereld werd gedood."
112 Toen wendde ik mij tot den Dichter en die zeide: "Nu zij deze u
de eerste en ik de tweede."
115 Een weinig verder hield de centaur stand boven een volk, dat tot
aan de keel uit die borreling scheen uit te komen.
118 Hij wees ons een schim alleen aan ééne kant, zeggende: "Deze
doorstak in Gods schoot het hart dat nog aan de Theems vereerd wordt."
121 Voort zag ik lieden die buiten den stroom het hoofd en ook de
gansche borstkast bovenhielden: en wel menigéén van hen herkende ik.
124 Zoo verlaagde dat bloed zich al meer, en meer, dat het nog maar
de voeten bedekte: en dáár was onze overgang van de gracht.
127 "Gelijk gij naar deze zijde het kokend vocht ziet, dat het altijd
mindert," zeide de Centaur: "zoo wil ik dat gij geloovet
130 dat het naar gindsche zijde zijnen bodem al meer en meer naar
onder drukt, totdat het daar wederkeert waar het voegt dat de tirannie
verzucht.
133 Aan gene zijde martelt de Goddelijke Gerechtigheid dien Attila,
die een geesel op aarde was, en Pyrrhus en Sextus Pompeius; en in
eeuwigheid melkt zij
136 de tranen, welke zij door het kokend bloed ontperst aan Reinier
van Corneto en aan Reinier Pazzo, die zulk een onrust maakten op
de straatwegen."
139 Voorts keerde hij zich om en ging weder de wadde over.
DERTIENDE ZANG.
De tweede binnen-cirkel van den zevenden ommegang.
Deze binnen-cirkel bevat degenen, die gewelddadig waren tegen
zich-zelven en wel ten eerste tegen hun eigene lichamen; (1-107)
en ten tweede tegen hunne eigene goederen. (108-151).
1 Nog was Nessus niet aan gene zijde weder aangekomen, wanneer wij ons
door een bosch op weg begaven, dat door geen enkel pad doorloopen werd.
4 Geen groene looveren, maar looveren van grauwe kleur, geen slechte
takken, maar knoestige en in elkander gekronkelde, geen appelen waren
daaraan, maar stekels met vergif.
7 Niet zoo stekelige noch zóó dichte takken bewonen die wilde dieren,
die tusschen Cecina en Corneto de bebouwde plaatsen schuwen.
10 Daar maken de afzichtelijke Harpijen hun nest, die de Trojanen
van de Strofaden verjoegen met nare aankondiging van toekomend leed.
13 Breede vleugelen hebben zij, en halzen en gezichten als van een
mensch, voeten met klauwen en den grooten buik bepluimd; en noodkreten
slaken zij op de vreemde boomen.
16 En de goede Meester: "Voordat gij verder binnentreedt, weet dat
gij zijt in den tweeden binnen-cirkel," begon hij tot mij te zeggen;
"en dat gij daarin zijn zult totdat
19 gij komen zult in de gruwelijke zandziekte. Daarom kijk goed;
en zoo zult gij dingen zien, die aan mijn woorden het geloof zouden
kunnen ontnemen."
22 Ik hoorde van alle kanten kreten slaken, en niemand zag ik die
dat deed. Waarom ik gansch verbijsterd stand hield.
25 Ik geloof dat hij geloofde dat ik geloofde dat al die kreten door de
takken henen, kwamen van menschen, die zich voor ons verborgen hielden.
28 Daarom zeide de Meester: "Indien gij een twijgjen van eene van
deze planten afknot, zullen de gedachten, die gij hebt, gansch
kreupel worden."
31 Toen stak ik de hand een weinig naar voren uit, en ik plukte een
takje van een groot struweel en de stronk ervan kreet: "Waarom knot
gij mij?"
34 Nadat hij donker geworden was door bloed, weder begon hij te
schreeuwen: "Waarom kerft gij mij?" Hebt gij dan gansch geenen geest
van erbarmen?
37 Menschen waren wij: en nu zijn wij takken geworden; wel had uwe
hand vromer mogen zijn, indien wij zielen van slangen waren."
40 Gelijk uit een groen stuk brandhout, dat in brand gestoken is aan
het ééne einde en aan het andere eind weent en sist door den wind,
die er uit weg gaat;
43 zoo kwamen er uit dien tak te zamen woorden en bloed; waarom ik
het takje vallen liet en stond gelijk een mensch, die vreest.
46 "Indien hij, o geschonden ziele, eerder enkel uit mijne woorden had
kunnen gelooven," antwoordde mijn Wijze: "dat wat hij nu gezien heeft,
49 dan hadde hij niet de hand tegen u uitgestrekt, maar de
ongelooflijke zaak deed mij hem aanzetten tot een werk dat mij zelven
zwaar op 't harte weegt.
52 Maar zeg hem wie gij geweest zijt, zoodat, bijwijze van eenige
vergoeding, hij uwen roep verversche in de bovenwereld, waarhenen
het hem veroorloofd is, weder te keeren."
55 En de stronk: "Zoozeer verlokt gij mij met uw zoete spreken, dat
ik niet zwijgen kàn; en het bezware u niet, dat ik tot het spreken
me een weinig laat lijmen.
58 Ik ben degene, die beide de sleutels hield van het hart van
Frederik, en die ze, sluitend en ontsluitend, zóó zoetelijk draaide
61 dat ik uit zijn heimelijk (vertrouwen) bijna alle man wegnam:
zoo'n trouw droeg ik toe tot het roemrijk ambt, dat ik er aderen en
polsen bij verloor.
64 De hoer, die nooit van het huis des keizers de schaamtelooze oogen
afhield, zij de algemeene dood en het verderf der hoven
67 ontvlamde zoo de gemoederen van allen, en de ontvlamden ontvlamden
zóó zéér Augustus dat de blijde eerbewijzen verkeerden in doodschen
rouw.
70 Mijne ziel, door verontwaardigde walg, geloovende door den dood
de schande te kunnen ontvluchten, maakte mij, rechtvaardige, tegen
mij zelven onrechtvaardig.
73 Bij de nieuwe wortels van dezen boom, zweer ik u dat ik nooit den
trouw gebroken heb tegen mijnen heer, die zoozeer eere waardig was.
76 En zoo er ooit iemand van ulieden in de wereld terugkeert, hij
trooste mijne heuchenis, die nog ter nederligt van den slag, welken
de Nijd haar gaf.
79 Een weinig wachtte hij, en toen: "Naardien hij zwijgt," zeide de
Dichter tot mij: "daarom moet gij nog niet den tijd laten verloren
gaan; maar spreek en vraag hem indien u meer behaagt te hooren."
82 Waarop ik tot hem: "Vraag gij hem nog van dat wat gij gelooft
dat mij voldoe; daar ik het niet zoude kunnen: zoo groot medelijden
bekruipt mij."
85 Daarom begon hij weder: "Indien deze man mildelijk voor u doen zal
dat wat uw spreken hem vraagt, dan behage het u ook nog, ingekerkerde
ziel,
88 ons te zeggen hoe de ziel wordt gebonden in deze knoesten; en zeg
ons, zoo ge kunt, of ooit eenige (ziel) zich van zoodanige ledematen
losmaakt."
91 Toen blies de stronk hard, en voorts verkeerde die wind in zoodanige
woorden: "Kortelijk zal er aan u lieden geantwoord worden.
94 Wanneer de ongedweeë ziel verscheidt uit het lichaam, waarvan zij
zich zelve heeft losgerukt, dan verwijst Minos haar naar het zevende
(deel van) de hellekeel.
97 Zij valt in het woud en er is geene plaats voor haar uitgekoren;
maar daar waar het toeval haar nederslingert, daar kiemt zij als een
korrel van het koren;
100 zij schiet op tot een loot en tot een wilde plant: de Harpijen,
voorts op zijne bladeren weidende, geven hem smart en aan de smart
een venster.
103 Evenals de anderen, zóó zullen wij komen om onze afgelegde rusting
(te halen), maar niet daarom dat iemand zich weder daar mede bekleede;
daar het niet rechtvaardig is dat een mensch hebbe dat wat hij zich
zelven ontneemt.
106 Hier zullen wij ze uit-een rijten en door het droeve woud zullen
onze lichamen worden opgehangen, elk aan het struweel van zijne
gewelddadige ziel."
109 Nog waren wij (met onze oplettendheid) op den stronk gericht,
meenende dat hij nog iets wilde zeggen, wanneer wij door een gerucht
werden verrast,
112 gelijk degene, die op zijn post (staande) merkt dat het everzwijn
en de jacht in aantocht zijn, daar hij de dieren en de bladeren
hoort stormen.
115 En zie daar (komen) twee van de linkerzijde, naakt en gekrauweld,
met zulk eene vaart vluchtende, dat zij elken bladeren-waaier des
wouds braken.
118 Die het voorst was (riep): "Kom nu, kom nu o dood." En de andere,
die te traag scheen te zijn, schreeuwde: "Lano, zóó vaardig waren niet
121 uwe beenen bij de steekspelen van Toppo." En nadat wellicht de
adem hem faalde, maakte hij van zichzelven en een tak een kluwen.
124 Achter hen was het woud vol van zwarte, gierige en rennende honden,
als hazewinden, die van den ketting waren losgebroken.
127 In hem, die zich geplet had, sloegen zij de tanden, en ze scheurden
hem in stukken en voort droegen zij die pijnlijke ledematen weg.
130 Toen nam mijn geleide mij bij de hand, en bracht mij bij den tak
die te vergeefs weende om zijne bloedige breuken.
133 "O Jacob" zeide (de tak): "van Sint Andreas, wat heeft het u
gebaat dat gij mij u tot eene beschutting maaktet? Welke schuld heb
ik aan uw schuldig leven?"
136 Toen de Meester bij hem stil stond, zeide hij: "Wie zijt gij
geweest, die door zóóvele wonden mèt het bloed smartelijke woorden
uitblaast?"
139 En hij tot ons: "O zielen, die gekomen zijt om die schandelijke
schade te zien, die aldus mijne looveren van mij heeft afgescheiden,
142 verzamelt ze weder aan den voet van den droeven struik: ik ben
van de Stad die haren eersten schutspatroon (Mars) verwisselde voor
den Dooper; daarom zal gene
145 haar altijd door zijn bedrijf bedroeven. En 't ware het dat daar,
waar men den Arno overgaat, eenige glimp van Mars overig blijft,
148 dan zouden die burgers, die haar sedert herstichteden boven op de
puinhopen, die van Attila overbleven, werk te vergeefs hebben gedaan.
151 Ik maakte voor mijzelven een galg van mijn eigene huizen."
VEERTIENDE ZANG.
De derde binnencirkel des zevenden ommegangs.
Onder de vele zondaren tegen God wordt alleen Capaneus genoemd. De
Phlegethon en diens oorsprong in den Ouden Man van Creta.
1 Naardien de dierbaarheid der geboorte-plaats mij neep, hereende ik
de verstrooide looveren en hergaf ik ze aan hem, die reeds schor was.
4 Vandaar kwamen wij aan de grens, waar de tweede binnen-cirkel zich
van den derden scheidt, waar men gruwelijke kunst-uitoefening van
rechtvaardigheid ziet.
7 Om de nieuwe dingen wel duidelijk te maken zeg ik dat wij aan een
vlak land kwamen, dat alle kruid van zijne bedding weert.
10 Het droeve woud is omgordeling van dat vlak land, gelijk de nare
gracht het van het woud is: hier zetteden wij de voeten vlak langs
den rand.
13 De bodem was een droog en dicht zand, van geen andere soort dan
dat hetwelk door de voeten van Cato eens werd gedrukt.
16 O wraak van God, hoezeer moet gij gevreesd zijn door een ieder
die dàt leest hetwelk zich voor mijne oogen vertoonde!
19 Vele kudden zag ik van naakte zielen, die allen wel zéér
ellendiglijk weenden; en verscheidene wet scheen hun gesteld te zijn.
22 Enkele (gods-lasteraars) lieden lagen achterover op de aarde;
enkelen (woekeraars) zaten gansch in zich teruggetrokken en anderen
(tegen-natuurlijke zondaars) gingen voortdurendlijk.
25 Die, welken rondom gingen waren de meesten, en diegenen, die ter
marteling nederlagen waren minder, maar zij hadden de tong losser
ter weeklacht.
28 Over de gansche zandvlakte regenden er in een langzaam nedervallen
breede linten van vuur, gelijk sneeuw op de Alpen valt wanneer er
geen wind is.
31 Hoedanig Alexander in die heete deelen van Indië op zijn heirmacht
vlammen zag vallen welke tot aan den grond toe vast inéén bleven;
34 waarom hij zorgde den grond te treden mèt zijne legerscharen,
na-de-maal de gloed minder doofde wanneer hij alleen was;
37 aldus daalde de eeuwige brand, waaraan, gelijk de vuursteen onder
den vuurslag, het zand zich ontstak, om den pijn te verdubbelen.
40 Zonder rust was nooit de dans der ellendige handen, dan hier dan
ginds den verschen brand vàn zich slaande.
43 Ik begon: "Meester, gij die alle dingen overwint, uitgezonderd de
hardvochtige Duivelen, die bij het binnenkomen der poort tegen ons
naar buiten kwamen,
46 wie is gene groote, die den brand niet schijnt te achten en
ligt min-achtend en gekronkeld, zoodat de regen hem niet schijnt
te martelen?"
49 En gene zelf, die bemerkt had dat ik mijnen Gids over hem vroeg,
schreeuwde: "Hoedanig ik levend was, zoo ben ik dood.
52 Al mat ook Jupiter zijnen werkman af, van wien hij in zijnen
toorn den scherpen bliksem neemt, door welken ik ten laatsten dage
getroffen werd;
55 of ook al mat hij de anderen om beurten af in den Etna aan de
zwarte werkplaats roepende: Goede Vulcaan help mij, help mij:
58 zoo als hij deed bij den strijd van Phlegra, en al doorschicht
hij mij ook uit alle macht, toch zal hij geen vroolijke wraak op
mij hebben."
61 Toen sprak mijn gids met zulk eene kracht, dat ik hem nog niet
zóó krachtig had gehoord: "Capaneus, hierin dat
64 uw trots niet gefnuikt wordt, wordt gij tè zwaarder gestraft:
geen enkele marteling, uitgezonderd uwe eigene dolheid, zou voldoende
smart zijn voor uwe razernij."
67 Voorts wendde hij zich tot mij met beter aangezicht; zeggende:
"Dat was een van de zeven koningen die Theben belegerden; en hij had
en het schijnt dat hij heeft
70 God in minachting en wel gering, schijnt het, schat hij Hem: maar,
zooals ik tot hem zeide, zijne geringschattingen zijn zijner borst
tot wel voegelijke sierselen.
73 Nu kom achter mij, en zie toe dat gij de voeten nog niet in het
brandende zand zet, maar ze altijd tegen het bosch gedrongen houdt."
76 Zwijgende geraakten wij daar waar een klein stroompje uit het
woud naar buiten spruijt welks roodheid mij nog de haren doet te
berge rijzen.
79 Gelijk het beekjen van den Bulicame (of kookenden plas) ontspringt,
welken voorts de zondaressen met elkander deelen, zóó ging dit beekje
door het zand.
82 Zijn bodem en beide de hellingen waren van steen gemaakt en ook
de zoomen er langs; waaruit ik opmaakte dat daar-langs onze weg was.
85 "Onder al het andere, wat ik u gewezen heb sedert wij binnentraden
door de poort welker drempel aan niemand is ontzegd,"
88 werden uwe oogen geen ding gewaar, zóó merkwaardig als deze stroom
is, die op zijn oppervlak alle vlammen uitbluscht."
91 Deze woorden waren van mijnen Gids: waarom ik hem vroeg dat hij
mij dàt voedsel gunde, waarvan hij mij de begeerte had gegund.
94 "In het midden van de zee is een geteisterd land gelegen," zeide
hij toen: "hetwelk Creta heet, onder welks koning de wereld voorhenen
rein was.
97 Een berg is daar, die voorhenen tierig was van wateren en kruiden,
die Ida heet; nu is hij verlaten als een verweende zaak.
100 Rhea verkoor hem voorhenen voor een veilige wieg van haren zoon,
en, om hem te beter te verbergen, liet zij daar, wanneer hij kreet,
kreten aan heffen.
103 Binnen in den berg staat een groote, oude man opgericht, die
de schouderbladen naar Damiate gekeerd houdt en naar Rome schouwt,
als naar zijnen spiegel.
106 Zijn hoofd is van fijn goud geformeerd, en zuiver zilver zijn
zijn armen en borst, voorts is hij van brons tot aan het kruis:
109 van daar naar beneden is hij gansch van ijzer, behalve dat de
rechtervoet van gebakken klei-aarde is en op dien staat hij meer dan
op den anderen, opgericht.
112 Elk der deelen, behalve dat van goud, is doorgroefd van een spleet,
die tranen druppelt, welke, vergaderd zijnde, dien grot doorboren.
115 Hun loop stort zich in dit dal; zij maken den Acheron, den Styx
en den Phlegethon; voorts gaan zij naar beneden langs die nauwe leiding
118 tot daar waar men niet verder kan afdalen: daar maken zij den
Cocytus; en hoedanig die poel is, dat zult gij zien: daarom wordt
dat hier niet verhaald."
121 En ik tot hem: "Indien deze beek-hier aldus zijnen oorsprong neemt
van onze wereld, waarom vertoont hij zich eerst hier aan dezen rand
(des afgronds)?"
124 En hij tot mij: "Gij weet dat deze ruimte rond is, en al zijt
gij ook vèr voortgekomen steeds ter slinker naar den bodem dalende,
127 toch zijt gij nog niet den ganschen cirkel langs gegaan; daarom,
indien een nieuwe zaak ons verschijnt, moet gij geen verwondering
tot uw gezicht toelaten."
130 En ik nog weder: "Meester, waar bevinden zich Phlegethon en Lethé,
daar gij van de ééne zwijgt, en van den anderen zegt dat hij van dien
regen komt?"
133 "In al uwe vragen behaagt gij mij wel zeker;" antwoordde hij:
"maar de kokende plas van het roode water moest wel de eene vraag
die gij doet, oplossen.
136 Lethé zult gij zien, maar ver van dezen kuil, daar waar de zielen
gaan om zich te wasschen, wanneer de berouwde schuld is weggeworpen."
139 Voorts zeide hij: "Nu is het tijd om ons te verwijderen van het
bosch: maak dat gij achter mij komet: de zoomen, welke niet verbrand
worden, verschaffen ons eenen weg,
142 en boven hen wordt alle brand gebluscht."
VIJFTIENDE ZANG.
Vervolg van den derden binnencirkel van den zevenden ommegang.
De beide dichters gaan voort langs den Phlegethon. Dante wordt
aangesproken door Brunetto Latini.
1 Nu draagt ons de ééne der harde randen; en de rook van den beek
verhevelt zich derwijze tot eenen nevel dat hij het water en de dijken
beschut tegen het vuur.
4 Gelijk de Vlamingen tusschen Witsand en Brugge, den vloed vreezend,
die op hen afkomt, zich eene beschutting maken, waarvoor de zee op
de vlucht ga;
7 en gelijk de Paduanen (er zich een maken) langs de Brenta om hunne
hoeven en versterkte plaatsen te beschutten, voordat Carinte het
warme weder voelt;
10 naar zulk een voorbeeld waren deze (randen) gemaakt, behalve dat
noch zoo groot noch zoo breed de meester, wie dat dan ook geweest is,
ze heeft gemaakt.
13 Reeds waren wij zóóver van het woud verwijderd dat ik niet kon
zien waar het was, ook al had ik mij naar achteren gewend,
16 wanneer wij eene schare van zielen ontmoetten, die langs den dijk
kwamen, en elk van hen keek naar ons gelijk bij avond
19 de een naar den ander pleegt te kijken onder nieuwe maan; en zóó
scherpten zij de blikken naar ons, gelijk een oude kleerenlapper
kijkt in het oog van de naald.
22 Aldus beoogd door zoodanigen stoet, werd ik herkend door éénen,
die mij greep bij den zoom (van mijn kleed) en riep: "Welk een wonder?"
25 En, terwijl hij zijne handen naar mij uitstrekte, vestigde ik mijne
oogen op zijn gezengde aangezicht zóó dat zijn verbrande voorkomen
28 mijn verstand niet belette hem te herkennen; en mijn gelaat naar
het zijne nijgende antwoordde ik: "Zijt gij hier, heer Brunetto?"
31 En gene: "O mijn zoon, het mishage u niet, indien Brunetto
Latini een weinig met u terugkeert en den (overigen) stoet laat
voort-trekken?"
34 Ik zeide tot hem: "Zooveel ik vermag, bid ik u erom; en indien gij
wilt dat ik met u mij nederzette, ik zal het doen indien het gènen
behaagt, daar ik met hem ga."
37 "O zoon," zeide hij: "een iegenlijk van deze kudde, die zich ook
maar een oogenblik ophoudt, hij blijft daarna honderd jaren liggen
zonder zich te kunnen bewaaieren wanneer het vuur hem raakt.
40 Daarom ga verder: ik zal u achter na komen aan de panden (van
uw gewaad) en daarna zal ik mij weder bij mijn stoet aansluiten,
die gaat beweenende zijn eeuwige schade."
43 Ik durfde niet af te stappen van mijnen straatweg om gelijk met
hem òp te gaan; maar ik hield het hoofd gedoken, gelijk een mensch
die in eerbiedigheid gaat.
46 Hij begon: "Welk lot of welke bestemming leidt u vóór uwen laatsten
dag naar hier beneden? En wie is diegene, die u den weg wijst?"
49 "Daarboven in het lichte leven," antwoordde ik hem: "verdwaalde
ik in een vallei voordat mijn leeftijd vervuld was.
52 Eerst gister-morgen wendde ik dier vallei den rug: gene verscheen
mij toen ik daarna wilde omkeeren; en hij leidt mij naar huis langs
dit pad."
55 En hij tot mij: "Indien gij uw gesternte volgt, kunt gij niet
falen tot glorierijken haven te komen, indien ik wel heb waargenomen
in het schoone leven.
58 En indien ik niet vóór den tijd gestorven ware, zoude ik, daar
ik den hemel zoo welwillend jegens u zag, u troost tot het werk
gegeven hebben,
61 maar dat ondankbaar en kwaadwillig volk, dat in de oudheid van
Fiésole nederdaalde, en nog naar berg en rotssteen aardt,
64 zal zich door uwe goede daden, u tot vijand maken. En met rede;
daar tusschen de zure lijsterbessen het niet den zoeten vijgeboom
voegt vruchten te dragen.
67 Een oud gerucht, dat in de wereld is, noemt ze blind: een
hebzuchtig, afgunstig en hoovaardig volk zijn ze: van hunne
hebbelijkheden maak dat gij u rein houdt.
70 Uwe bestemming behoudt u zooveel eer voor, dat de ééne èn de andere
partij honger naar u zullen hebben: maar het gras zal hun ver van
den muil blijven.
73 Laat de Fesulaansche beesten elkanderen als strooi en voeder
gebruiken, en niet de plant aanraken, die er nog opkomt op hun
mesthoop,
76 en in welke plant het heilig zaad herleve van die Romeinen, die
daar over waren toen het nest van zoo groote slechtheid gemaakt werd."
79 Indien al mijn verlangen vervuld ware geweest," antwoordde ik
hem, "zoudt gij nog niet uit de menschenwereld in ballingschap zijn
verwezen:
82 daar mij nog in den geest vast zit en mij nog ter harte gaat het
dierbare en goede vaderlijke beeld van u daar gij mij in de wereld
gestadiglijk
85 onderweest hoe de mensch zich-zelven vereeuwigt: en hoe dankbaar
ik er voor ben, zoolang ik leef, dat voegt het dat gezien worde in
mijne taal.