ooren trof mij een jammerkreet, waardoor ik het oog, vooruitgericht,
openspalk.
67 De goede Meester zeide: "Nu, zoon, naderen wij de stad, die Dis
geheeten wordt, met de sombere burgers, met de groote bevolking."
70 En ik: "Meester, reeds onderscheid ik met zekerheid daar binnen
in de vallei haar moskeeën, de vermilioene, alsof zij uit vuur waren
opgekomen."
73 En hij zeide tot mij: "Het eeuwige vuur, dat ze van binnen doet
gloeien, toont ze als roode, zooals gij ziet in dit lage gedeelte
der hel."
76 Wij kwamen ondertusschen binnen de diepe grachten, die dat
mistroostige land omwallen. De muren scheen het mij dat van ijzer
waren.
79 Niet zonder eerst eenen langen omkring gemaakt te hebben, kwamen
wij aan een gedeelte, waar de schipper hard tot ons riep: "Stap uit,
want hier is de ingang."
82 Ik zag meer dan duizend (uit den hemel) neergeregenden boven op
de poorten die driftiglijk zeiden: "wie is degene, die zonder dood
85 gaat door het rijk der gestorvenen?" En mijn wijze meester maakte
een teeken van dat hij heimelijk met hen wilde spreken.
88 Toen sloten zij een weinig van hun groot afgrijzen weg, en zeiden:
"Komt gij alleen en dat gene wegga die zoo vermetel binnenkwam in
dit rijk.
91 Alleen keere hij terug langs den dwazen weg: hij probeere of hij
dien nog weet: daar gij hier blijven zult, die hem geleid hebt door
zóó ongure contrei."
94 Denk, lezer, of ik mij verontrustte in den klank der gemaledijde
woorden: daar ik meende dat ik hier nooit zoude terugkeeren.
97 "O dierbare Gids mijn, die meer dan zeven malen mij de veiligheid
teruggeven hebt, en mij getogen hebt uit het diepe gevaar, dat zich
tegenover mij stelde,
100 laat mij niet los," zeide ik: "nu ik zoo ontdaan ben; en indien
het verder gaan ons ontzegd is, laten wij haastiglijk onze voetsporen
terugvinden.
103 En die Heer, die mij tot daar-toe geleid had, zeide tot mij:
"Vrees niet, daar niemand ons den doortocht kan ontnemen: door eenen
zóódanigen is hij ons gegeven.
106 Maar wacht mij hier; en troost en voed den vermoeiden geest met
goede hoop, daar ik u niet in de onderwereld zal laten."
109 Zoo gaat de dierbare vader heen en laat mij daar en ik blijf
in onzekerheid; daar het neen en het ja me in het hoofd (elkander)
bestrijden.
112 Hooren konde ik niet wat hij hun toevoegde: maar hij bleef daar
gansch niet lang bij hen, daar ieder om het hardst weer naar binnen
terug-liep.
115 Gene onze tegenstanders sloten de poorten voor mijns Heeren borst,
die buiten bleef, en met langzame stappen naar mij terug keerde.
118 De oogen had hij ter aarde en de brauwen geschoren van alle
stoutmoedigheid en hij zeide in de zuchten: "Wie heeft mij de treurende
huizen ontzegd."
121 En tot mij zeide hij: "Gij, omdat ik mij vertoren, verschrik gij
daarom niet, want ik zal de proef doorstaan, wat ook daarbinnen tot
tegenweer zich gorde.
124 Deze hunne laatdunkendheid is niet nieuw, daar zij haar reeds
gebruikten aan minder verholene poort, die men nog zonder vergrendeling
vindt.
127 Boven haar zaagt gij dat doodsche opschrift: en reeds aan deze
zijde van gene poort daalt de helling af, zonder geleide de ommegangen
passeerende,
130 zoodanig één, dat door hem dit land ons ontsloten wordt.
NEGENDE ZANG.
Vervolg van den zesden ommegang.
1-33. Dante en Virgilius wachten voor den ingang der stad Dis.
34-54. De drie Furiën bedreigen hen.
55-64. Virgilius beveelt Dante de oogen te sluiten voor de Medusa.
65-103. De komst van den Engel die hen in de stad leidt.
104-132. Beschrijving der stad Dis, waar de Ketters gemarteld
worden.
1 Die kleur, welke de lafhartigheid mij, toen ik mijnen Gids weerom
zag keeren, op 't gelaat verfde, drong (daarom) te eer zijn nieuwe
(kleur) binnen in hem terug.
4 Opmerkzaam bleef hij stilstaan als een mensch die luistert, daar het
oog hem niet verre kon leiden door de zwarte lucht en de dichte mist.
7 "Toch zal het moeten dat wij dezen strijd winnen," begon hij:
"tenzij.... een zoodanige heeft zich ons aangeboden. O, hoe lang duurt
't mij dat die andere hier komt!"
10 Ik zag aldus zeer wel hoe hij zijn beginnen wegmoffelde met 't
andere dat daarna kwam, daar dat woorden waren, strijdig met de eerste.
13 Maar niettemin gaf zijn zeggen mij vrees, daar ik die afgeknotte
rede misschien in eenen slechteren zin uitlegde dan zij bevatte.
16 "In deze diepte van de doodsche schulp daalt hier ooit iemand neder
van de eerste trap, die tot eenige straf de gefnuikte hoop heeft?"
19 Deze vraag deed ik. En hij: "Zelden gebeurt het," antwoordde hij
mij: "dat er iemand van ons den weg aflegt langs welken ik ga.
22 Waarheid is het dat ik nog eenmaal daar omlaag was bezworen door
die rauwe Erichtho, die de schimmen tot hare lichamen terug riep.
25 Kortlings was mijn vleesch van mij ontbloot toen zij mij in dezen
muur deed binnengaan, om eene ziel te halen uit den cirkel van Judas.
28 Dat is de laagste en duisterste plaats, het meest verwijderd van den
hemel, die alles omkringt: wel weet ik den weg: daarom stel u gerust.
31 Deze poel, die den grooten stank uitwasemt, omringt van rondom
de treurende stad waar wij op geen manier zonder toorn kunnen
binnenkomen."
34 En hij zeide nog iets maar ik heb het niet in mijnen geest, omdat
het oog mij geheel getrokken had in de richting van den hoogen toren
met den rossen top,
37 waar in één oogenblik haastelijk gekomen waren drie helsche furiën
met bloed bemorst, die vrouwelijke ledematen en voorkomen hadden;
40 en met gansch groene slangen waren omgord: adders en gehoornde
slangen hadden zij voor lokken, waarmede de woeste slapen omwonden
waren.
43 En gene, die de slonzen der koningin van de eeuwige jammerklacht
goed kende, zeide tot mij: "Hoed u voor de wreede Erinyen.
46 Deze is Megere met het onheilspellend gezang: gene, die te rechter
zijde weent, is Alecto: Tisiphone is in het midden." En toen zweeg hij.
49 Met de nagels kliefde elk zich de borst; zij sloegen zich met de
hand-palmen en schreeuwden zóó luid, dat ik mij uit vrees tegen den
dichter aandrong.
52 "Medusa kome, dan zullen wij hem tot mortel maken" schreeuwen zij
allen, naar beneden ziende: "Kwaad (doen wij zoo) wij ons niet wreken
op Theseus voor zijn aanval."
55 "Wend u naar achteren, en houd de oogen dicht; want indien de
Gorgo zich vertoont en gij haar ziet, dan zoude er geene kans zijn
om ooit weer naar boven terug te keeren."
58 Aldus sprak de Meester; en hij keerde zelf mij om en hij vertrouwde
zich niet op mijne handen, daar hij ook met de zijne mij de oogen
sloot.
61 Gij, die gezond verstand hebt, bewondert de leer, welke zich
verbergt onder het hulsel der vreemde verzen.
64 En reeds kwam over de troebele wateren eene davering van geluid
vol van verschrikking, door het welk de beide oevers sidderden.
67 Niet anders dan het geluid van eenen wind, onstuimig door de
hem in den weg staande hette, die het woud slaat, en zonder eenige
vermindering
70 de takken rist, afrukt en mede-draagt, in stofwolken trots
voorwaarts gaat, en de wilde dieren en de herders doet vluchten.
73 De oogen opende hij mij, en zeide: "Nu richt de scherpte van uwen
blik over dit van oudsher schuimend water, in die richting waar de
damp het ergste is."
76 Gelijk de vorschen vóór het vijandig gesis (van de slang) door
het water uitéén vluchten, totdat zij zich alle op het land vergaderen,
79 zoo zag ik meer dan duizend verlorene zielen vluchten vóór éénen,
die op de plaats der overvaart de Styx met drooge voetzolen overging.
82 Van het gelaat verwijderde hij zich die dikke lucht, de linkerhand
dikwijls daarvóór brengende; en enkel van die benauwdheid scheen
hij vermoeid.
85 Wèl werd ik gewaar dat hij van den Hemel gezonden was en ik wendde
mij tot den Meester: en hij maakte een teeken, dat ik stil moest
staan en voor hem nijgen.
88 O hoe vol scheen hij mij te zijn van verontwaardiging! Hij kwam
tot de poort, en met een takjen opende hij haar, daar hij daar gansch
geen beletsel ondervond.
91 "O uit den hemel gejaagden, verachtelijk volk" begon hij op den
gruwelijken drempel: "vanwaar voedt zich deze aanmatiging in u?
94 Waarom wederstreeft gij tegen dien wil, welks doel nooit verijdeld
kan zijn, en die meerdere malen u de smart heeft doen toenemen?
97 Welke vreugde is erin het hoofd tegen de beschikkingen des noodlots
te stoten? Die Cerberus van u, indien het ulieden wèl heugt, draagt
er nog kinnebak en strot door onthaard."
100 Voorts wendde hij zich tot den onguren straatweg, en sprak geen
woord tot ons: maar hij deed gelijk een mensch doet, wien andere zorg
nijpt en bijt,
103 dan die welke hem te voren is. En wij bewogen de voeten naar het
land, vertrouwend na de heilige woorden.
106 Wij traden er binnen zonder eenigen strijd. En ik, die de begeerte
had om den toestand (der zondaren) welke zulk eene vesting in zich
opgesloten houdt, te zien,
109 sla de oogen, zoodra ik er binnen ben in het rond; en zie aan
elke hand een groot landschap vol van pijn en gruwelijke marteling.
112 Gelijk bij Arles, waar de Rhône stil-staat, gelijk bij Pola aan
de Canarische golf, die Italië afsluit en hare grenzen bespoelt,
115 de graven de gansche plaats oneffen maken; zoo deden (de graven)
hier aan elke kant, behalve dat de wijze-waarop er nog bitterder was;
118 daar tusschen de graven vlammen verspreid waren, door welke zij
van alle kanten zóó zeer in brand ontstoken gehouden werden, dat geen
ijzer, meer verhit vuur vereischt.
121 Al hunne deksels waren opgelicht, en zoo harde jammerklachten
kwamen er uit, dat zij bleken te zijn van wèl ellendigen en
geschondenen.
124 En ik: "Meester, welke zijn deze luiden, die binnen de doodkisten
begraven, zich hooren laten door zoo pijnlijke zuchten?"
127 En hij tot mij: "Dit zijn de Ketterhoofden met hunne volgelingen
van elke secte, en veel meer dan gij gelooft, zijn de graven gevuld.
130 Gelijke is hier met gelijke begraven, en de graven zijn meer of
minder heet." En nadat hij zich naar de rechter zijde had gekeerd
133 gingen wij voort tusschen de gemartelden en de hooge tinnen.
TIENDE ZANG.
Voortzetting van den zesden ommegang.
Deze zang bevat de ontmoeting met Farinata degli Uberti, gedurende
welke Dante ook wordt toegesproken door Cavalcante Cavalcanti,
den vader zijns vriends Guido Cavalcante.
1 Voort gaat nu, langs het enge pad tusschen den wand der aarde en
de martelaren mijn Meester en ik achter zijne schouders.
4 "O hoogste deugd, die mij langs de onvrome cirkels rondleidt," begon
ik: "naar het u gevalt, spreek tot mij en voldoe aan mijne begeerten.
7 Het volk, dat in de graven ligt, zou men het kunnen zien? Reeds
zijn alle de deksels opgelicht en niemand houdt de wacht."
10 En hij tot mij: "Zij zullen allen gesloten worden, wanneer zij
van Jozaphat hier zullen wederkeeren met de lichamen die zij boven
hebben achtergelaten.
13 Aan dezen kant hebben hun graf mèt Epicurus alle zijne volgelingen,
die de ziel met het lichaam voor dood verklaren.
16 Daarom in de vraag, die gij mij doet zult gij hierbinnen weldra
voldaan worden en ook nog in de begeerte, die gij mij verzwijgt."
19 En ik: "Goede leidsman, ik houd mijn hart niet voor u verborgen,
tenzij om weinig te zeggen; en gij hebt mij niet alleen maar zoo pas
daartoe geneigd gemaakt."
22 "Toscaner, gij, die aldus eerlijk sprekende levend voortgaat door
de Stad des vuurs, behage het u stil te staan op deze plaats.
25 Uwe spreekwijze toont u klaarblijkelijk geboren uit dat edele
vaderland, aan hetwelk ik wellicht te lastig was."
28 Plotseling ging dit geluid uit van eene der dood-bussen: daarom
drong ik mij, vreezende, een weinig meer tegen mijnen leidsman aan.
31 En hij zeide tot mij: "Keer u om: wat doet gij? Zie daar Farinata,
die zich heeft opgericht: van den gordel opwaart zult gij hem
ganschelijk zien."
34 Reeds had ik mijn blik in den zijnen gevest; en hij richtte zich
met borst en voorhoofd op, alsof hij de Hel in groote minachting had.
37 En de moedige en vlugge handen van den Leidsman drongen mij
tusschen de graven (door) tot hem, zeggende: "Laat uwe woorden wel
overwogen zijn."
40 Zoodra als ik aan het voeteneinde van zijn graf was, bezag hij
mij een weinig, en voorts als minachtend vroeg hij mij: "Wie waren
uwe voorouders?"
43 Ik, die begeerig was om te gehoorzamen, verborg ze hem niet,
maar openbaarde ze hem allen: waarop hij de wenkbrauwen een weinig
opwaarts trok.
46 Voorts zeide hij: "Wel heftiglijk waren zij tegenstanders van
mij en van mijne voorvaderen en van mijne partij, zoodat ik ze twee
keeren verdreef."
49 "Indien zij ook verjaagd werden, twee malen kwamen zij terug van
alle kanten," antwoordde ik hem; "zoowel de eene als de andere keer;
maar de uwen leerden die kunsten niet wel."
52 Toen richtte zich voor het (ontdekt) kijkgat, een andere schimme
langs dezen tot aan de kin op: ik geloof dat hij zich knielings
verheven had.
55 Hij keek (rond) mij, als hadde hij begeerte om te zien of een
andere mèt mij was; maar toen al zijne verwachting verbruikt was,
58 zeide hij weenende: "Zoo gij door dezen blinden kerker gaat door
de hoogheid van uwe ingeborenheid, waar is mijn zoon, of waarom is
hij niet mèt u?"
61 En ik tot hem: "Niet uit mij-zelven kom ik: hij, die daar wacht,
leidt mij hier doorhenen, wien uw Guido wellicht in minachting hield."
64 Zijne woorden en de soort zijner straffe hadden van dezen mij
reeds den naam gezegd: daarom was mijn antwoord aldus volledig.
67 Plotseling opgericht schreeuwde hij. "Hoe zeidet gij "hij
hield?" leeft hij dan niet meer? treft zijne oogen niet meer het
zoete licht?"
70 Toen hij eenig aarzelen opmerkte dat ik maakte vóór hem te
antwoorden, viel hij achterover en verscheen niet meer naar buiten.
73 Maar die andere groothartige, op wiens toespraak ik stil gestaan
had, veranderde niet van aanblik, noch bewoog hij den hals of boog
hij zijne zijde.
76 "En indien," zeide hij, voortgaande op het eerstgezegde: "zij die
kunst slecht geleerd hebben, dat foltert mij meer dan deze legerstede.
79 Maar niet vijftig malen zal het aangezicht der vrouwe, die hier
heerscht, zich wederom verlichten, of gij zult weten hoeveel die
kunst weegt.
82 En zoo waar gij eenmaal in de zoete wereld wederkeeren moogt,
zeg mij waarom dat volk in elk van zijne wetten tegen de mijnen zóó
onbarmhartig is?"
85 Waarop ik tot hem: "De slachting en het voorbeeld, dat de Arbia
roodgekleurd maakte, doet zulke rede houden in onzen tempel."
88 Nadat hij zuchtende het hoofd geschud had: "Bij dat feit was ik
niet alleen," zeide hij: "noch voorzeker zou ik zonder reden mèt de
anderen vertoornd geweest zijn.
91 Maar toen, daar door allen goedgevonden werd om Florence te
verdelgen, toen was ik wel alleen degene die het met open blik
verdedigde."
94 "Maar zeg, zoo waarlijk moge eenmaal uw nageslacht rusten,"
bad ik hem: "maak mij dezen knoop los, welke hier mijne meening
omwikkeld heeft.
97 Het schijnt dat gijlieden, als ik het wèl versta, vooruit ziet,
dat wat de tijd met zich mede brengt, en in het tegenwoordige eene
andere wijze houdt."
100 "Wij zien, gelijk degenen die slecht oogenlicht hebben, de
dingen," zeide hij: "die ver van ons zijn zóóveel licht geeft ons
nog de hoogste Leidsman:
103 Wanneer zij nader-komen of zijn, dan is ons gansche begrip ijdel;
en, als een ander het ons niet aanbrengt, dan weten wij niets van
uwen menschelijken staat.
106 Daarom kunt gij begrijpen, dat ons verstand geheel dood zal zijn
van dat tijdstip af, dat de poort der toekomst zal gesloten zijn."
109 Toen, als door mijne schuld gestoken, zeide ik: "Zult gij nu aan
dien gevallene zeggen, dat zijn zoon nog met de levenden is verbonden?
112 En indien ik om hem te antwoorden stom was, doe hem weten wat
dat veroorzaakte, daar ik namelijk reeds peinsde in de dwaling,
welke gij mij hebt opgelost."
115 En reeds riep mijn Meester mij terug: waarom ik den geest met
meer aandrang vroeg dat hij mij zou zeggen wie daar met hem was.
118 Hij zeide tot mij: "Hier lig ik met meer dan duizend: dáárin is
de tweede Frederik en de Kardinaal, en van de anderen zwijg ik."
121 Daarna verborg hij zich: en ik wendde mijne schreden tot den
ouden dichter, weder denkende aan dat spreken hetwelk jegens mij
vijandig scheen.
124 Hij maakte zich op: en voorts, alzoo voortgaande, zeide hij
tot mij: "Waarom zijt gij aldus verbijsterd?" En ik voldeed aan
zijne vraag.
127 "Uw geest beware dat wat gij tegen u-zelven hebt gehoord,"
beval mij die Wijze, "en hoor gij nu hier:" (en hij stak den vinger
recht-op).
130 "Wanneer gij zult zijn voor de zoete straal van Haar, wier
schoon oog alles ziet, zult gij van haar den reisweg uws (ganschen)
levens weten."
133 Daarna keerde hij den voet ter linker-hand: wij verlaten den wand
en gaan naar het midden langs een pad dat naar een dal loopt,
136 hetwelk tot daarboven zijn stank deed ongevallig zijn.
ELFDE ZANG.
Vervolg van den zesden ommegang.
In dezen zang geeft Virgilius eene indeeling en overzicht van
de nu nog volgende drie ommegangen, en een terugblik op de reeds
doorloopene zes Ommegangen.
1 Op het uiterste van eenen hoogen rand, welken groote steen-brokken
in eenen cirkel maakten, kwamen wij boven wreeder (gemartelde) lading.
4 En daar, wegens de gruwelijke overmaat van stank, welken de diepe
afgrond opzendt, drongen wij ons terug tegen eenen deksel
7 van eenen grooten grafkuil, waarop ik een opschrift zag, hetwelk
zeide: "Ik bevat Paus Anastatius, denwelken Photinus van den rechten
weg aftrok."
10 "Ons afdalen voegt het traag te zijn, zoodat de reuk eerst een
weinig wenne aan den naren wasem: en men er daarna geen acht meer
op slaat."
13 Aldus de Meester: en ik: "Vind," zeide ik tot hem: "eenige
schadeloos-stelling dat de tijd niet verloren voorbij ga." En hij:
"Gij ziet dat ik daaraan denk.
16 Zoon mijn, (ingesloten) binnen deze rotsen," begon hij voorts te
zeggen: "zijn drie kleinere cirkels van trap tot trap, gelijk diegene,
welke gij verlaat.
19 Allen zijn vol van gemaledijde geesten: maar omdat hierna het
gezicht u voldoen zal, begrijp hoe en waarom zij in de benauwenis zijn.
22 Van alle kwaadwilligheid, welke haat in den hemel oogst, is onrecht
het einde, en alle zoodanig einde bedroeft een ander òf door geweld
òf door bedrog.
25 Maar omdat bedrog het eigenaardig kwaad is van den mensch, misvalt
het te meer aan God; en daarom bevinden zich de bedriegelijken onderaan
en bespringt te meer pijn ze.
28 Van gewelddadigen is de eerste cirkel gansch; maar omdat geweld
gepleegd wordt tegen drie personen, is hij in drie onder-cirkels
verdeeld en (daaruit) opgebouwd.
31 Geweld kan men plegen tegen God, tegen zich-zelven, en tegen zijnen
naasten; ik zeg tegen hen-zelven en tegen het hun toebehoorende,
gelijk gij hooren zult met openbare redeneering.
34 Door geweld geeft men zijnen naasten (zelven) dood en smartelijke
wonden, en zijnen bezittingen verwoesting, brandstichting en
schadelijken roof.
37 Vandaar zijn het moordenaars en ieder die uit slechtheid doodt,
verwoesters en roovers, welken allen de eerste ondercirkel martelt
in verscheidene scharen.
40 Gewelddadige hand kan de mensch hebben tegen zich-zelven en tegen
zijne goederen: en daarom past het dat in den tweeden ondercirkel
berouw zonder bate heeft
43 al wie zich van (het leven in) uw wereld berooft, en al wie zijn
vermogen verspeelt en verkwist, en weent daar waar hij vroolijk
moet zijn.
46 Men kan geweld plegen tegen de Godheid, die in het hart ontkennend
en vervloekend, en de natuur en hare goedheid niet waardeerende.
49 En daarom merkt de (nog) kleinere cirkel met zijn merk èn Sodom
en Cahors en al wie praat, God in het hart minachtend.
52 Het bedrog, waardoor alle geweten gebeten wordt, kan de mensch
gebruiken tegen hem, die vertrouwt en tegen dengene, die geen
vertrouwen (voor goede munt) opsteekt.
55 Deze laatstgenoemde wijze blijkt het dat toch dien (algemeenen)
band van liefde doodt, welken de natuur maakt: vandaar dat zich in
den tweeden cirkel nestelt
58 huichelarij, vleierij en wie behekst, valschheid, rooverij en
Simonie, koppelaars, omkoopelingen en dusdanig vuil.
61 Door de andere manier wordt die liefde vergeten, welke de natuur
maakt en die welke daar voorts aan wordt toegevoegd, uit welke het
bijzondere vertrouwen geboren wordt:
64 en daarom is het dat in den kleinsten cirkel, waar het middelpunt
des Heelals is, en op hetwelk Dis gelegen is, al wie verraadt ten
eeuwigen dage, verteerd wordt."
67 En ik: "Meester zeer helder gaat uwe redeneering voort, en zeer
goed verdeelt zij dezen afgrond en het volk, hetwelk hij in-heeft.
70 Maar zeg mij: genen van den dikken poel, en die welken de wind
drijft en die welken de regen slaat, en die welke elkanderen gemoeten
met zoo scherpe bewoordingen,
73 waarom worden zij niet binnen de roode stad gestraft, als God ze
in zijnen toorn heeft? en als hij ze niet daarin heeft, waarom zijn
zij in zulk eenen staat?"
76 En hij tot mij: "Waarom doolt zóó verre," zeide hij: "uwe
ingeborenheid af van den weg dien zij pleegt te gaan? of wel ziet uw
geest elders henen?
79 Herinnert gij u niet die woorden, met de welke uwe Ethica de drie
neigingen behandelt, welke de Hemel niet wil,
82 de oningetogenheid, de kwaadwilligheid en de overgegeven
beestachtigheid? en hoe oningetogenheid God minder krenkt en zich
minder blaam op den hals haalt?
85 Indien gij die uitspraak goed beschouwt, en u voor den geest
haalt wie degenen zijn welken daar-boven en daar-buiten boete-doening
onderhouden,
88 dan zult gij zien waarom zij van deze kwaadaardigen zijn
afgescheiden, en waarom minder vertoornd de goddelijke rechtvaardigheid
ze hamert."
91 "O Zon, die alle verduisterde gezicht geneest, gij bevredigt mij
zoo zeer wanneer gij mijne twijfelingen oplost, dat, niet minder dan
het weten, het twijfelen mij gevalt.
94 Wendt u nog weer een weinig terug," zeide ik "daarheen, waar gij
zeidet dat woeker de goddelijke goedheid beleedigt, en ontwar mij
die knoop."
97 "De Filosofie," zeide hij: "merkt voor hem, die haar verstaat,
niet maar in een deel alleen op hoe de natuur haren loop neemt
100 uit het goddelijk verstand en uit diens kunst: en indien gij wèl
uwe Physica merkt, dan zult gij vinden, niet na vele bladzijden,
103 dat uwe kunst zoo veel zij kan, gene volgt, gelijk de leerling den
meester doet, zoodat uwe kunst van God als het ware het kleinkind is.
106 Uit deze beiden, indien gij u Genesis over het begin (der wereld)
wèl voor den geest haalt, voegt het het levens-onderhoud te trekken,
en de menschen voort te teelen.
109 En omdat de woekeraar eenen anderen weg houdt, smaadt hij de natuur
zoowel in haar zelve als in haren volgeling, omdat hij op iets anders
zijne hoop bouwt.
112 Maar volg mij als nu, daar het gaan mij gevalt; want de Visschen
schieten op aan den horizont, en de Wagen ligt gansch boven het
Noord-Oosten; en de helling daalt nog ver ginds-henen.
TWAALFDE ZANG.
De eerste binnencirkel van den Zevenden Omgang. Ontmoeting met den
Minotaurus. De rivier van bloed, bewaakt door Centauren, waarin
gemarteld worden zij die tegen hunnen naaste gewelddadig waren.
1 De plaats, waar we de helling af te dalen kwamen, was woest als van
een Alp en door dengene, die daar ook was, zoodanig dat alle gezicht
er van schuw zoude zijn.
4 Gelijk die bergstorting is, die ginds van Trento den Etsch in de
zijde geslagen heeft òf door aardbeving òf door te zwakken stut;
7 zoodat van den top des bergs, waarvan zij nederkwam, tot aan de
vlakte de rots aldus glooiende is, dat zij eenigen overtocht zou
bieden aan wie boven was;
10 zoodanig was de afdaling van dien rand: en op den top van den
gebrokenen rotswand was de schande der Cretensers uitgestrekt,
13 welke ontvangen was in de nagemaakte koe: en toen hij ons zag, beet
hij zich zelven gelijk degenen welken de toorn van binnen verheert.
16 Mijn Wijze riep te-hem-waarts: "Wellicht gelooft gij dat hier de
hertog van Athene is, die boven in de wereld u den dood gaf?
19 Loop henen, beest, daar deze niet komt, onderwezen door uwe zuster,
maar voortschrijdt om uwe smarten te zien."
22 Gelijk de stier is die zich losrukt in die stonde waarin hij den
doodelijken steek ontvangen heeft, die niet gaan kan, maar her en
derwaarts springt;
25 zoo zag ik den Minotaurus doen. En gene Bezonnene riep: "Snel ten
doortocht; terwijl hij in razernij is, is het goed dat gij afdaalt."
28 Zoo namen wij den weg over de afbrokkeling van die steenen, die
vele malen door den ongewonen last zich onder mijne voeten bewogen.