HOOFDSTUK LXVII.

De hoogste zaligheid voor de menschen is een soort van waanzin.

Dit zal zeker nog duidelijker in het oog springen, als ik volgens

mijn belofte in weinig woorden aantoon, dat die hemelsche belooning

niets anders is dan een soort van waanzin. Bedenkt daarom in de eerste

plaats, dat Plato reeds eenmaal van iets dergelijks gedroomd heeft,

toen hij de razernij der verliefden allergelukkigst noemde. Immers wie

hevig bemint, leeft niet meer in zich, maar in hetgeen hij bemint,

en hoe verder hij van zichzelf weggaat en daarin verhuist, des te

meer neemt zijn vreugde toe. En als de ziel uit het lichaam wenscht

weg te reizen en haar organen niet goed gebruikt, dan mag men dit

met volle recht razernij noemen. Wat beteekenen anders die algemeen

gebruikelijke uitdrukkingen: Hij is buiten zichzelf en: kom tot u zelf

en: hij is weer tot zichzelf gekomen? Verder, hoe vuriger de liefde,

des te grooter en gelukkiger is de razernij. Wat zal dat dan wel

voor een leven in den hemel zijn, waarnaar de vrome zielen met zulk

een innig verlangen zuchten? De geest zal immers het lichaam geheel

opslorpen, omdat hij zijn meerdere en sterker is. En dit zal hij des

te gemakkelijker doen gedeeltelijk hierom, omdat hij reeds vroeger

bij het leven het lichaam voor een dergelijke gedaanteverwisseling

gezuiverd en verdund heeft. Verder zal de geest door dien hemelschen

geest op wonderbare wijze opgeslorpt worden, daar deze oneindig veel

machtiger is, zoodat eindelijk de geheele mensch buiten zichzelf

zal geraken en op geen andere wijze gelukkig zal zijn dan, dat hij,

buiten zichzelf geplaatst, iets onuitsprekelijks zal ondervinden

van dat hoogste goed, dat alles tot zich trekt. Ofschoon nu dit

geluk dan eerst in al zijn volkomenheid den zielen ten deel valt,

als aan deze, nadat zij hun vroegere lichamen herkregen hebben, de

onsterfelijkheid geschonken wordt, hebben de vromen toch gewoonlijk,

omdat hun leven niets anders is dan de overpeinzing en als het ware een

afschaduwing van dat leven, ook van die belooning zoo nu en dan reeds

een voorsmaak. Moge dit ook slechts een zeer onaanzienlijk droppeltje

zijn, vergeleken met die bron van eeuwig geluk, toch overtreft het

verre alle genoegens des lichaams, zelfs al kwamen alle genietingen

van alle menschen ook te gader: zoo hoog staat het geestelijke boven

het lichamelijke, het onzichtbare boven het zichtbare. Dit is het

zeker wat de profeet belooft: Hetgeen het oog niet heeft gezien,

en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet

is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben

[453]. En dit is een vorm van Zotheid, die niet weggenomen wordt bij

den overgang in een beter leven, maar veeleer tot voltooiing komt. Zij,

wien het gegeven was dit te ondervinden,--het valt namelijk slechts

zeer weinigen te beurt--lijden aan iets, dat veel overeenkomst heeft

met krankzinnigheid; zij spreken enkele vrij onsamenhangende woorden,

en dat niet op de gewone menschenmanier, maar zij geven geluiden zonder

zin, vervolgens verandert telkens de uitdrukking van hun gelaat geheel

en al; nu eens zijn zij vroolijk, dan weer neerslachtig, nu eens

ziet men hen weenen, dan weer lachen, een anderen keer zuchten zij:

kort en goed, zij zijn in waarheid geheel buiten zichzelf. Daarna,

als zij weer tot zichzelf gekomen zijn, zeggen zij niet te weten,

waar zij zich bevonden hebben, in of buiten het lichaam, wakend of

slapend; wat zij gehoord, wat zij gezien, wat zij gezegd, wat zij

gedaan hebben, zij herinneren het zich niet dan als in een nevel en

droom; slechts dit weten zij, dat zij zich het gelukkigst gevoelden,

zoolang zij zoo waanzinnig waren. Daarom betreuren zij het, dat zij hun

verstand weder hebben teruggekregen, en zij zouden niets ter wereld

liever willen dan eeuwig op deze wijze waanzinnig zijn. En dit is,

om zoo te zeggen, maar een klein voorproefje van hun toekomstig geluk.

De Lof der Zotheid · 第 74 / 79 题