De hoogste zaligheid voor de menschen is een soort van waanzin.
Dit zal zeker nog duidelijker in het oog springen, als ik volgens
mijn belofte in weinig woorden aantoon, dat die hemelsche belooning
niets anders is dan een soort van waanzin. Bedenkt daarom in de eerste
plaats, dat Plato reeds eenmaal van iets dergelijks gedroomd heeft,
toen hij de razernij der verliefden allergelukkigst noemde. Immers wie
hevig bemint, leeft niet meer in zich, maar in hetgeen hij bemint,
en hoe verder hij van zichzelf weggaat en daarin verhuist, des te
meer neemt zijn vreugde toe. En als de ziel uit het lichaam wenscht
weg te reizen en haar organen niet goed gebruikt, dan mag men dit
met volle recht razernij noemen. Wat beteekenen anders die algemeen
gebruikelijke uitdrukkingen: Hij is buiten zichzelf en: kom tot u zelf
en: hij is weer tot zichzelf gekomen? Verder, hoe vuriger de liefde,
des te grooter en gelukkiger is de razernij. Wat zal dat dan wel
voor een leven in den hemel zijn, waarnaar de vrome zielen met zulk
een innig verlangen zuchten? De geest zal immers het lichaam geheel
opslorpen, omdat hij zijn meerdere en sterker is. En dit zal hij des
te gemakkelijker doen gedeeltelijk hierom, omdat hij reeds vroeger
bij het leven het lichaam voor een dergelijke gedaanteverwisseling
gezuiverd en verdund heeft. Verder zal de geest door dien hemelschen
geest op wonderbare wijze opgeslorpt worden, daar deze oneindig veel
machtiger is, zoodat eindelijk de geheele mensch buiten zichzelf
zal geraken en op geen andere wijze gelukkig zal zijn dan, dat hij,
buiten zichzelf geplaatst, iets onuitsprekelijks zal ondervinden
van dat hoogste goed, dat alles tot zich trekt. Ofschoon nu dit
geluk dan eerst in al zijn volkomenheid den zielen ten deel valt,
als aan deze, nadat zij hun vroegere lichamen herkregen hebben, de
onsterfelijkheid geschonken wordt, hebben de vromen toch gewoonlijk,
omdat hun leven niets anders is dan de overpeinzing en als het ware een
afschaduwing van dat leven, ook van die belooning zoo nu en dan reeds
een voorsmaak. Moge dit ook slechts een zeer onaanzienlijk droppeltje
zijn, vergeleken met die bron van eeuwig geluk, toch overtreft het
verre alle genoegens des lichaams, zelfs al kwamen alle genietingen
van alle menschen ook te gader: zoo hoog staat het geestelijke boven
het lichamelijke, het onzichtbare boven het zichtbare. Dit is het
zeker wat de profeet belooft: Hetgeen het oog niet heeft gezien,
en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet
is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben
[453]. En dit is een vorm van Zotheid, die niet weggenomen wordt bij
den overgang in een beter leven, maar veeleer tot voltooiing komt. Zij,
wien het gegeven was dit te ondervinden,--het valt namelijk slechts
zeer weinigen te beurt--lijden aan iets, dat veel overeenkomst heeft
met krankzinnigheid; zij spreken enkele vrij onsamenhangende woorden,
en dat niet op de gewone menschenmanier, maar zij geven geluiden zonder
zin, vervolgens verandert telkens de uitdrukking van hun gelaat geheel
en al; nu eens zijn zij vroolijk, dan weer neerslachtig, nu eens
ziet men hen weenen, dan weer lachen, een anderen keer zuchten zij:
kort en goed, zij zijn in waarheid geheel buiten zichzelf. Daarna,
als zij weer tot zichzelf gekomen zijn, zeggen zij niet te weten,
waar zij zich bevonden hebben, in of buiten het lichaam, wakend of
slapend; wat zij gehoord, wat zij gezien, wat zij gezegd, wat zij
gedaan hebben, zij herinneren het zich niet dan als in een nevel en
droom; slechts dit weten zij, dat zij zich het gelukkigst gevoelden,
zoolang zij zoo waanzinnig waren. Daarom betreuren zij het, dat zij hun
verstand weder hebben teruggekregen, en zij zouden niets ter wereld
liever willen dan eeuwig op deze wijze waanzinnig zijn. En dit is,
om zoo te zeggen, maar een klein voorproefje van hun toekomstig geluk.