HOOFDSTUK LXVIII.

Besluit.

Maar ik heb reeds lang mij zelf vergeten en de mij gestelde perken

overschreden. Zijt gij soms van oordeel, dat ik in mijn spreken wat

al te uitgelaten of al te lang van stof geweest ben, bedenkt dan,

dat het niet alleen de Zotheid, maar ook een vrouw was, die het

woord heeft gevoerd. Doch herinnert U desniettemin ook dit Grieksch

spreekwoord: Een gek kan ook dikwijls een woordje, dat van pas is,

spreken, tenzij ge soms mocht van oordeel zijn, dat dit volstrekt

niet op vrouwen slaat.

Ik zie, dat ge nog een slotrede verwacht, maar gij zijt al heel

dwaas, als gij tenminste meent, dat ik mij nu nog herinner wat ik

gezegd heb, na zulk een stortvloed van woorden. Het oude spreekwoord

luidt: Ik haat hem, die het onder den beker gesprokene niet vergeet,

het nieuwe: Ik haat een hoorder met een goed geheugen. Daarom dan:

Vaartwel, juicht mij toe, leeft en drinkt, roemruchtige priesters in

het heiligdom der Zotheid.

De Lof der Zotheid · 第 75 / 79 题