De Christelijke godsdienst vertoont een zekere verwantschap met
de Zotheid.
En om mij niet verder in te laten met eindelooze bijzonderheden en
mijn gevoelen kort en goed uit te spreken, het komt mij voor, dat de
Christelijke godsdienst in het algemeen een soort van verwantschap
heeft met een zekere dwaasheid en volstrekt niets met de wijsheid heeft
te maken. Als gij bewijzen hiervoor verlangt, let dan vooreerst hierop,
dat knapen, grijsaards, vrouwen en gekken meer dan alle anderen vermaak
scheppen in heilige en godsdienstige zaken en dat zij daarom altijd het
dichtst bij de altaren staan, ongetwijfeld alleen door hun instinct
gedreven. Daarenboven ziet gij, dat die eerste godsdienststichters
verbazend met onnoozelheid waren ingenomen en de bitterste vijanden der
wetenschap waren. Eindelijk, schijnen mij geen gekken onwijzer te zijn
dan zij, die eenmaal geheel door het vuur der Christelijke vroomheid
bezield zijn: zoozeer verspillen zij hun vermogen, slaan geen acht
op beleedigingen, laten zij zich foppen, maken zij geen onderscheid
tusschen vrienden en vijanden, verafschuwen zij het zingenot, mesten
zij zich met vasten, waken, weenen en werken, hebben zij een afkeer
van het leven, verlangen zij alleen naar den dood, kortom schijnen zij
geheel verstompt te zijn voor alle gewoon menschelijke aandoeningen,
alsof hun ziel elders leeft, niet in het lichaam, waar zij thuis
hoort. Wat is dit wel anders dan waanzin? Des te minder moet het ons
bevreemden, zoo de apostelen schenen vol zoeten wijns te zijn [445]
en Festus, Paulus' rechter, meende, dat hij waanzinnig was [446]. Maar
nu wij toch eenmaal de leeuwenhuid hebben omgehangen [447], willen
wij U ook nog dit duidelijk maken, dat het geluk der Christenen,
dat zij ten koste van zooveel ellende zoeken, niets anders is dan een
soort van waanzin en zotheid: duidt mij deze woorden niet ten kwade,
maar overweegt liever de zaak zelf. Al dadelijk zijn de Christenen
het hierover zoo ongeveer met de Platonisten eens, dat de ziel
diep in den kerker des lichaams verborgen ligt en dat zij door dat
grove omhulsel verhinderd wordt om het ware te kunnen waarnemen en
genieten. Daarom geeft hij [448] van de wijsbegeerte deze bepaling,
dat zij de overpeinzing van den dood is, omdat zij den geest van de
zichtbare en lichamelijke dingen afvoert, hetzelfde, wat immers ook
de dood doet. Derhalve heet de ziel zoolang gezond, als zij de organen
des lichaams goed weet te gebruiken, maar als zij, wanneer haar boeien
eindelijk verbroken zijn, zich in vrijheid tracht te stellen en als
het ware over het vluchten uit dien kerker peinst, dan noemt men het
waanzin [449]. Is dit soms het gevolg van een ziekte en een gebrek in
de organen, dan is het volgens aller eenstemmig gevoelen ongetwijfeld
waanzin. En toch zien wij, dat ook dit soort van menschen de toekomst
voorspelt, tongen en talen verstaat, die zij vroeger nooit geleerd
hadden, en in 't algemeen iets goddelijks over zich heeft. Het is
aan geen twijfel onderhevig, dat dit hiervan komt, dat de geest, een
weinig vrijer van de besmetting des lichaams, zijn natuurlijke kracht
begint te vertoonen. Dit is ook, naar ik meen, de oorzaak, waarom hun,
die met den dood worstelen, iets dergelijks pleegt te geschieden,
dat zij als in geestverrukking wonderbare dingen spreken. Gebeurt dit
daarentegen uit vromen ijver, dan is het misschien niet hetzelfde
soort van waanzin, maar het is daarmede zoo nauw verwant, dat
een groot deel der menschen het voor louteren waanzin verklaart,
vooral omdat al zeer weinig arme drommels in gansch hun leven van de
geheele menschelijke maatschappij verschillen. Daarom pleegt ook met
hen te geschieden wat volgens Plato's verdichtsel, zoo ik het wel
heb, hun overkomt, die in een grot geboeid de schaduwen der dingen
bewonderen [450], en dien vluchteling, die, in de grot teruggekeerd,
verkondigt, dat hij de ware dingen gezien heeft en dat zij het geheel
mis hebben, die gelooven, dat er behalve die armzalige schaduwen niets
bestaat. Want deze wijze beklaagt en betreurt den waanzin van hen,
die in zulk een groote dwaling verkeeren: zij lachen op hun beurt om
hem, alsof hij het hoofd kwijt is, en jagen hem weg. Zoo koestert
ook het gros der menschen de hoogste bewondering voor die dingen,
welke vooral lichamelijk zijn, en meent, dat deze schier de eenige
zijn, die bestaan. De vromen daarentegen schatten iedere zaak des
te geringer, naarmate zij des te nader bij het lichaam staat, en
voelen zich alleen aangetrokken door de beschouwing der onzichtbare
dingen. Want genen hechten de hoogste waarde aan den rijkdom, daarop
volgen de goederen des lichaams, de laatste plaats ruimen zij aan de
ziel in, ofschoon de meesten zelfs niet aan haar bestaan gelooven,
omdat zij met de oogen niet kan waargenomen worden. Omgekeerd richten
dezen in de eerste plaats hun gedachten op God zelf, het eenvoudige
wezen bij uitnemendheid; na Hem, en toch in Hem, op hetgeen het
naast bij hem komt, n.l. op de ziel; om de zorg voor hun lichaam
bekommeren zij zich geen zier, terwijl zij het geld als geheel
waardeloos versmaden en ontvluchten. Of worden zij al gedwongen zich
met iets dergelijks in te laten, dan doen zij dit met een bezwaard
gemoed en vol walging: zij hebben als niet hebbende en bezitten als
niet bezittende [451]. Er bestaan ook groote trappen van verschil
tusschen die twee menschenklassen ten opzichte van allerlei dingen
afzonderlijk. Vooreerst zijn er eenige der zinnen, alhoewel zij alle
met het lichaam in verband staan, minder fijn zooals het gevoel, het
gehoor, het gezicht, de reuk en de smaak: andere daarentegen hangen
minder nauw met het lichaam samen, zooals het geheugen, het begrip,
de wil. Waarheen nu maar de ziel haar krachten richt, daar mist zij
haar uitwerking niet. De vromen, omdat al hun zielskracht zich op die
zaken richt, die geheel vreemd zijn aan de grovere zinnen, worden,
wat deze laatste betreft, als het ware bot en stomp. Daarentegen
is het gros der menschen hierin sterk, in gene echter zoo zwak als
't maar kan. Dit is de reden van hetgeen, naar wij gehoord hebben,
heiligen mannen is overkomen, dat zij olie in plaats van wijn dronken
[452]. Aan den anderen kant hebben eenige gemoedsaandoeningen meer
gemeenschap met het vette lichaam, zooals de wellust, het verlangen
naar spijs en slaap, oploopendheid, hoogmoed en afgunst. Met deze
voeren de vromen een onverzoenbaren krijg, daarentegen denkt
het gemeen, dat het zonder deze goederen niet mogelijk is te
leven. Verder zijn er eenige aandoeningen, die het midden houden
en als het ware natuurlijk zijn, als liefde tot zijn vader, liefde
jegens zijn kinderen, ouders en vrienden. Hieraan hecht het gemeen
eenige waarde. Maar genen trachten ook deze aandoeningen uit hun
ziel te rukken, behalve voorzooverre die aandoeningen zich tot het
hoogste deel der ziel verheffen, zóó, dat zij hun vader beminnen
niet als hun vader (want wat heeft hij voortgebracht behalve het
lichaam? ofschoon men dit zelfs ook aan God, den vader, te danken
heeft), maar als een goed man en iemand, in wien zich het afschijnsel
vertoont van dien hoogsten geest, dien zij alleen het hoogste goed
noemen en buiten welken, volgens hun verklaring, er niets bestaat,
dat men beminnen of najagen moet. Dezen zelfden maatstaf leggen zij
eveneens bij alle overige plichten des levens aan, zoodat zij overal
hetgeen zichtbaar is, zoo al niet als geheel te verwerpen, dan toch
als van veel minder waarde beschouwen dan hetgeen niet kan gezien
worden. Zij beweren ook, dat in de Sacramenten en in de plichten
zelf der vroomheid lichaam en geest gevonden worden. Zoo hechten
zij er b.v. bij het vasten niet veel waarde aan, als iemand zich
slechts van het vleeschgebruik en het middagmaal onthoudt, wat bij
den grooten hoop voor een volmaakt vasten doorgaat, indien hij niet
tevens ook zijn hartstochten eenigszins bedwingt, zoodat hij minder
dan gewoonlijk zijn toorn en zijn trots den teugel viert en de ziel,
als het ware reeds minder zwoegende onder den last des lichaams, zich
verheft tot het smaken en genieten der hemelsche goederen. Dit is ook
het geval met de mis: alhoewel, zeggen zij, men de daartoe behoorende
ceremoniën niet gering moet schatten, zijn deze op zichzelf of van
weinig nut of zelfs verderfelijk, zoo niet het geestelijke element
daarbij komt, dat is, hetgeen door die zichtbare teekenen wordt
voorgesteld. Dit is niets anders dan de dood van Christus, dien de
menschen behooren weer te geven door het bedwingen, het uitdooven en
als 't ware door het begraven hunner lichamelijke driften, opdat zij
tot een nieuw leven opstaan en opdat zij één met hem, maar ook tevens
één onder elkander kunnen worden. Hierom is het den vrome te doen en
hierover peinst hij. Daarentegen gelooft het volk, dat het misoffer
in niets anders bestaat dan hierin, dat het zich in de nabijheid van
het altaar bevindt en dat wel zoo dicht mogelijk, dat het luistert
naar den klank der woorden en kijkt naar andere dergelijke kleine
onderdeelen van die plechtigheid. Niet alleen in het opgenoemde, dat
wij slechts als voorbeeld hebben aangehaald, maar om het eenvoudig
uit te drukken, in zijn geheele leven ontvlucht de vrome de dingen,
welke met het lichaam verwant zijn, en voelt zich met onweerstaanbare
macht tot het eeuwige, het onzichtbare, het geestelijke getrokken. Het
natuurlijk gevolg van het hemelsbreed verschil van gevoelen tusschen
dezen en genen omtrent alle dingen is, dat volgens de eene partij de
andere aan waanzin lijdt, hoewel deze benaming met meer recht aan de
vromen toekomt dan aan de groote menigte, als ik ten minste goed zie.