HOOFDSTUK LXVI.

De Christelijke godsdienst vertoont een zekere verwantschap met

de Zotheid.

En om mij niet verder in te laten met eindelooze bijzonderheden en

mijn gevoelen kort en goed uit te spreken, het komt mij voor, dat de

Christelijke godsdienst in het algemeen een soort van verwantschap

heeft met een zekere dwaasheid en volstrekt niets met de wijsheid heeft

te maken. Als gij bewijzen hiervoor verlangt, let dan vooreerst hierop,

dat knapen, grijsaards, vrouwen en gekken meer dan alle anderen vermaak

scheppen in heilige en godsdienstige zaken en dat zij daarom altijd het

dichtst bij de altaren staan, ongetwijfeld alleen door hun instinct

gedreven. Daarenboven ziet gij, dat die eerste godsdienststichters

verbazend met onnoozelheid waren ingenomen en de bitterste vijanden der

wetenschap waren. Eindelijk, schijnen mij geen gekken onwijzer te zijn

dan zij, die eenmaal geheel door het vuur der Christelijke vroomheid

bezield zijn: zoozeer verspillen zij hun vermogen, slaan geen acht

op beleedigingen, laten zij zich foppen, maken zij geen onderscheid

tusschen vrienden en vijanden, verafschuwen zij het zingenot, mesten

zij zich met vasten, waken, weenen en werken, hebben zij een afkeer

van het leven, verlangen zij alleen naar den dood, kortom schijnen zij

geheel verstompt te zijn voor alle gewoon menschelijke aandoeningen,

alsof hun ziel elders leeft, niet in het lichaam, waar zij thuis

hoort. Wat is dit wel anders dan waanzin? Des te minder moet het ons

bevreemden, zoo de apostelen schenen vol zoeten wijns te zijn [445]

en Festus, Paulus' rechter, meende, dat hij waanzinnig was [446]. Maar

nu wij toch eenmaal de leeuwenhuid hebben omgehangen [447], willen

wij U ook nog dit duidelijk maken, dat het geluk der Christenen,

dat zij ten koste van zooveel ellende zoeken, niets anders is dan een

soort van waanzin en zotheid: duidt mij deze woorden niet ten kwade,

maar overweegt liever de zaak zelf. Al dadelijk zijn de Christenen

het hierover zoo ongeveer met de Platonisten eens, dat de ziel

diep in den kerker des lichaams verborgen ligt en dat zij door dat

grove omhulsel verhinderd wordt om het ware te kunnen waarnemen en

genieten. Daarom geeft hij [448] van de wijsbegeerte deze bepaling,

dat zij de overpeinzing van den dood is, omdat zij den geest van de

zichtbare en lichamelijke dingen afvoert, hetzelfde, wat immers ook

de dood doet. Derhalve heet de ziel zoolang gezond, als zij de organen

des lichaams goed weet te gebruiken, maar als zij, wanneer haar boeien

eindelijk verbroken zijn, zich in vrijheid tracht te stellen en als

het ware over het vluchten uit dien kerker peinst, dan noemt men het

waanzin [449]. Is dit soms het gevolg van een ziekte en een gebrek in

de organen, dan is het volgens aller eenstemmig gevoelen ongetwijfeld

waanzin. En toch zien wij, dat ook dit soort van menschen de toekomst

voorspelt, tongen en talen verstaat, die zij vroeger nooit geleerd

hadden, en in 't algemeen iets goddelijks over zich heeft. Het is

aan geen twijfel onderhevig, dat dit hiervan komt, dat de geest, een

weinig vrijer van de besmetting des lichaams, zijn natuurlijke kracht

begint te vertoonen. Dit is ook, naar ik meen, de oorzaak, waarom hun,

die met den dood worstelen, iets dergelijks pleegt te geschieden,

dat zij als in geestverrukking wonderbare dingen spreken. Gebeurt dit

daarentegen uit vromen ijver, dan is het misschien niet hetzelfde

soort van waanzin, maar het is daarmede zoo nauw verwant, dat

een groot deel der menschen het voor louteren waanzin verklaart,

vooral omdat al zeer weinig arme drommels in gansch hun leven van de

geheele menschelijke maatschappij verschillen. Daarom pleegt ook met

hen te geschieden wat volgens Plato's verdichtsel, zoo ik het wel

heb, hun overkomt, die in een grot geboeid de schaduwen der dingen

bewonderen [450], en dien vluchteling, die, in de grot teruggekeerd,

verkondigt, dat hij de ware dingen gezien heeft en dat zij het geheel

mis hebben, die gelooven, dat er behalve die armzalige schaduwen niets

bestaat. Want deze wijze beklaagt en betreurt den waanzin van hen,

die in zulk een groote dwaling verkeeren: zij lachen op hun beurt om

hem, alsof hij het hoofd kwijt is, en jagen hem weg. Zoo koestert

ook het gros der menschen de hoogste bewondering voor die dingen,

welke vooral lichamelijk zijn, en meent, dat deze schier de eenige

zijn, die bestaan. De vromen daarentegen schatten iedere zaak des

te geringer, naarmate zij des te nader bij het lichaam staat, en

voelen zich alleen aangetrokken door de beschouwing der onzichtbare

dingen. Want genen hechten de hoogste waarde aan den rijkdom, daarop

volgen de goederen des lichaams, de laatste plaats ruimen zij aan de

ziel in, ofschoon de meesten zelfs niet aan haar bestaan gelooven,

omdat zij met de oogen niet kan waargenomen worden. Omgekeerd richten

dezen in de eerste plaats hun gedachten op God zelf, het eenvoudige

wezen bij uitnemendheid; na Hem, en toch in Hem, op hetgeen het

naast bij hem komt, n.l. op de ziel; om de zorg voor hun lichaam

bekommeren zij zich geen zier, terwijl zij het geld als geheel

waardeloos versmaden en ontvluchten. Of worden zij al gedwongen zich

met iets dergelijks in te laten, dan doen zij dit met een bezwaard

gemoed en vol walging: zij hebben als niet hebbende en bezitten als

niet bezittende [451]. Er bestaan ook groote trappen van verschil

tusschen die twee menschenklassen ten opzichte van allerlei dingen

afzonderlijk. Vooreerst zijn er eenige der zinnen, alhoewel zij alle

met het lichaam in verband staan, minder fijn zooals het gevoel, het

gehoor, het gezicht, de reuk en de smaak: andere daarentegen hangen

minder nauw met het lichaam samen, zooals het geheugen, het begrip,

de wil. Waarheen nu maar de ziel haar krachten richt, daar mist zij

haar uitwerking niet. De vromen, omdat al hun zielskracht zich op die

zaken richt, die geheel vreemd zijn aan de grovere zinnen, worden,

wat deze laatste betreft, als het ware bot en stomp. Daarentegen

is het gros der menschen hierin sterk, in gene echter zoo zwak als

't maar kan. Dit is de reden van hetgeen, naar wij gehoord hebben,

heiligen mannen is overkomen, dat zij olie in plaats van wijn dronken

[452]. Aan den anderen kant hebben eenige gemoedsaandoeningen meer

gemeenschap met het vette lichaam, zooals de wellust, het verlangen

naar spijs en slaap, oploopendheid, hoogmoed en afgunst. Met deze

voeren de vromen een onverzoenbaren krijg, daarentegen denkt

het gemeen, dat het zonder deze goederen niet mogelijk is te

leven. Verder zijn er eenige aandoeningen, die het midden houden

en als het ware natuurlijk zijn, als liefde tot zijn vader, liefde

jegens zijn kinderen, ouders en vrienden. Hieraan hecht het gemeen

eenige waarde. Maar genen trachten ook deze aandoeningen uit hun

ziel te rukken, behalve voorzooverre die aandoeningen zich tot het

hoogste deel der ziel verheffen, zóó, dat zij hun vader beminnen

niet als hun vader (want wat heeft hij voortgebracht behalve het

lichaam? ofschoon men dit zelfs ook aan God, den vader, te danken

heeft), maar als een goed man en iemand, in wien zich het afschijnsel

vertoont van dien hoogsten geest, dien zij alleen het hoogste goed

noemen en buiten welken, volgens hun verklaring, er niets bestaat,

dat men beminnen of najagen moet. Dezen zelfden maatstaf leggen zij

eveneens bij alle overige plichten des levens aan, zoodat zij overal

hetgeen zichtbaar is, zoo al niet als geheel te verwerpen, dan toch

als van veel minder waarde beschouwen dan hetgeen niet kan gezien

worden. Zij beweren ook, dat in de Sacramenten en in de plichten

zelf der vroomheid lichaam en geest gevonden worden. Zoo hechten

zij er b.v. bij het vasten niet veel waarde aan, als iemand zich

slechts van het vleeschgebruik en het middagmaal onthoudt, wat bij

den grooten hoop voor een volmaakt vasten doorgaat, indien hij niet

tevens ook zijn hartstochten eenigszins bedwingt, zoodat hij minder

dan gewoonlijk zijn toorn en zijn trots den teugel viert en de ziel,

als het ware reeds minder zwoegende onder den last des lichaams, zich

verheft tot het smaken en genieten der hemelsche goederen. Dit is ook

het geval met de mis: alhoewel, zeggen zij, men de daartoe behoorende

ceremoniën niet gering moet schatten, zijn deze op zichzelf of van

weinig nut of zelfs verderfelijk, zoo niet het geestelijke element

daarbij komt, dat is, hetgeen door die zichtbare teekenen wordt

voorgesteld. Dit is niets anders dan de dood van Christus, dien de

menschen behooren weer te geven door het bedwingen, het uitdooven en

als 't ware door het begraven hunner lichamelijke driften, opdat zij

tot een nieuw leven opstaan en opdat zij één met hem, maar ook tevens

één onder elkander kunnen worden. Hierom is het den vrome te doen en

hierover peinst hij. Daarentegen gelooft het volk, dat het misoffer

in niets anders bestaat dan hierin, dat het zich in de nabijheid van

het altaar bevindt en dat wel zoo dicht mogelijk, dat het luistert

naar den klank der woorden en kijkt naar andere dergelijke kleine

onderdeelen van die plechtigheid. Niet alleen in het opgenoemde, dat

wij slechts als voorbeeld hebben aangehaald, maar om het eenvoudig

uit te drukken, in zijn geheele leven ontvlucht de vrome de dingen,

welke met het lichaam verwant zijn, en voelt zich met onweerstaanbare

macht tot het eeuwige, het onzichtbare, het geestelijke getrokken. Het

natuurlijk gevolg van het hemelsbreed verschil van gevoelen tusschen

dezen en genen omtrent alle dingen is, dat volgens de eene partij de

andere aan waanzin lijdt, hoewel deze benaming met meer recht aan de

vromen toekomt dan aan de groote menigte, als ik ten minste goed zie.

De Lof der Zotheid · 第 73 / 79 题