HOOFDSTUK LXV.

Vervolg.

Maar het is dwaas van mij al deze dingen na te gaan, die zoo talloos

zijn, dat zelfs de werken van Chrysippus of Didymus [402] ze niet alle

zouden kunnen bevatten. Met deze opmerking alleen meen ik te kunnen

volstaan, dat, wanneer dit aan die goddelijke meesters vrij stond, men

mij ook, een uit slecht hout gesneden Theoloog, vergiffenis behoort te

schenken, als mijn aanhalingen niet allen in den haak zijn. Nu keer

ik eindelijk tot Paulus terug: Gij verdraagt, zegt hij, gaarne de

onwijzen [403]. En wederom: Neemt mij dan aan als eenen onwijze, en

ik spreek niet naar den Heere, maar als in onwijsheid [404]. Wederom

elders: Wij, zegt hij, zijn dwazen om Christus' wil [405]. Gij hebt

het gehoord, wie de groote zegsman is van die groote loftuitingen

op de zotheid. Zelfs predikt hij ook openlijk de dwaasheid als iets,

dat boven alles noodzakelijk en zeer heilzaam is: Zoo iemand onder u

dunkt, dat hij wijs is, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden

[406]. Bij Lucas noemt Jezus ook twee discipelen, bij wie hij zich op

weg heeft aangesloten, dwazen [407]. Ik geloof haast niet, dat dit

iemand vreemd kan voorkomen, daar de goddelijke Paulus ook God een

weinigje dwaasheid toeschrijft: Het dwaze Gods, zegt hij, is wijzer

dan de menschen [408]. Verder wil Origenes [409], zijn uitlegger,

niet, dat men onder deze dwaasheid verstaat de meening der menschen

daaromtrent, zooals op die bekende plaats: Het woord des kruises is

wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid [410].

Maar waarom ga ik voort nuttelooze moeite aan te wenden om U dit

door zooveel bewijsplaatsen aan te toonen, daar in de mystische

psalmen Christus openlijk tot den vader zegt: Gij weet van mijne

dwaasheid [411]. Het is waarlijk niet zonder goeden grond, dat

de zotten zoozeer aan God behaagd hebben: de reden is, meen ik,

hierin gelegen: evenals de hooggeplaatste vorsten menschen met al te

groote geestesgaven verdenken en haten, zooals Julius Caesar Brutus en

Cassius, terwijl hij den dronken Antonius volstrekt niet vreesde [412],

en gelijk Nero Seneca [413], Dionysius Plato [414], en zij daarentegen

in domme en eenvoudige geesten vermaak scheppen, zoo verfoeit en

veroordeelt Christus ook die wijzen, die eeuwig zich op hun inzicht

verlaten. Dit geeft Paulus geenszins onduidelijk te kennen, als hij

zegt: Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren [415], en ook,

dat het Gode behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden,

aangezien ze door de wijsheid niet kon hersteld worden [416]. Ja,

diezelfde apostel levert een voldoende bewijs, uitroepende door den

mond des profeets: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het

verstand der verstandigen zal ik te niet maken [417]. En wederom als

hij God dankt, dat hij de geheimenis der zaligheid voor de wijzen

verborgen had gehouden, maar den kinderkens, d. i. den dwazen had

geopenbaard [418]. Want in het Grieksch staat er een woord voor

"kinderkens," dat ook "dwazen" kan beteekenen, en hij heeft die dan

ook tegenover de wijzen gesteld. Hiertoe behoort nog, dat hij overal

in het Evangelie Farizeën, schriftgeleerden en wetgeleerden aanvalt,

maar het domme volk met alle macht verdedigt. Want wat beteekent het

woord: Wee U, gij schriftgeleerden en Farizeën [419], anders dan:

Wee U, gij wijzen? Hij schijnt daarentegen de grootste voorliefde te

hebben gekoesterd voor kleine kinderen, vrouwen en visschers. Zelfs

behagen die redelooze dieren het meest aan Christus, die zoo ver

mogelijk verwijderd zijn van de slimheid der vossen: daarom zat hij

bij voorkeur op een ezel [420], terwijl hij, zoo het hem gelust had,

zelfs veilig op een leeuw had kunnen rijden. Ook is de Heilige Geest

in de gestalte van een duif neergedaald, niet in die van een arend of

wouw. Daarenboven is er in de Heilige Schrift op verscheiden plaatsen

herhaaldelijk sprake van herten, reeën en lammeren. Voeg hierbij, dat

hij de zijnen, die tot een onsterfelijk leven bestemd zijn, schapen

noemt [421], dieren, die het dwaast zijn van alle levende schepselen,

zooals zelfs het spreekwoord bij Aristoteles [422] "Schapennatuur"

getuigt, waaruit blijkt, dat men deze uitdrukking, aan de dwaasheid

van dit vee ontleend, voor domme en stompe menschen als scheldwoord

placht te bezigen. En toch erkent Christus, dat hij de herder is

van deze kudde, ja zelfs, vond hij genoegen in den naam van lam,

toen Johannes op hem wees met de woorden: Zie het lam Gods [423],

waarvan ook dikwijls in de Openbaring gesproken wordt [424]. Wat

verkondigen deze woorden anders dan dat alle menschen dwaas zijn,

ook de vromen? dat ook Christus zelf om de dwaasheid der menschen

tegemoet te komen, ofschoon hij de wijsheid des Vaders was [425],

toch in zekeren zin dwaas is geworden, toen hij, na de menschelijke

natuur te hebben aangenomen, in gedaante gevonden is als een mensch

[426]? evenals hij ook zonde geworden is om de zonden weg te nemen

[427]. En dit wilde hij op geen andere wijze doen dan door middel

van de dwaasheid des kruises [428], door zotte en domme apostelen,

aan wie hij ijverig dwaasheid voorschrijft, hen van de wijsheid

afschrikkende, terwijl hij hen wijst op het voorbeeld van kinderen

[429], leliën [430], mostaardzaad [431] en musschen [432], domme en

redelooze zaken en die alleen naar de leiding der natuur, zonder eenige

kunst of zorg hun leven doorbrengen. Daarenboven als hij niet wil,

dat zij bezorgd zijn, welke woorden zij bij de stadhouders zullen

gebruiken [433], en als hij hun verbiedt de tijden of gelegenheden

[434] te onderzoeken, dan is dit blijkbaar met het doel om te maken,

dat zij niet op hun eigen wijsheid vertrouwen, maar met geheel hun

ziel aan hem hangen. Hiertoe behoort ook, dat God, de schepper der

wereld, den menschen verbood te proeven van den boom der kennis [435],

even alsof kennis het geluk vergiftigt. Paulus komt echter openlijk

met zijn afkeuring van de kennis voor den dag, die de menschen

opgeblazen en diep ongelukkig zou maken [436]. Vergis ik mij niet,

dan volgt de Heilige Bernard [437] zijn voetspoor, als hij den berg,

waarop Lucifer zijn zetel had opgeslagen [438], voor den berg der

kennis verklaart. Misschien zal men ook meenen, dat dit bewijs voor de

gunst, waarin de dwaasheid bij de hemelingen staat, niet achterwege mag

blijven, dat haar alleen vergiffenis voor haar dwalingen gegeven wordt,

maar den wijze niet; en daarom maken zij, die om vergeving smeeken,

ook wanneer zij willens en wetens gezondigd hebben, desniettemin

gebruik van het voorwendsel en de bescherming der dwaasheid. Want

Aäron smeekt in het Boek Numeri [439], als ik mij goed herinner,

dat zijn vrouw de straf worde kwijtgescholden, in deze bewoordingen:

Och, mijn Heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk

gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! Zoo smeekt ook Saul David

om vergiffenis van schuld, zeggende: Zie, ik heb dwaselijk gedaan

[440]. Wederom spreekt David zelf deze vleiende woorden tot den Heer:

Maar nu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb

zeer zottelijk gedaan [441]; alsof hij geen vergiffenis zou verkrijgen,

zoo hij geen dwaasheid en onwetendheid voorwendde. Maar een klemmender

bewijs is dit, dat Christus aan het kruis, toen hij voor zijn vijanden

bad: Vader! vergeef het hun, geen andere verontschuldiging aanvoerde,

dan die van onverstand: Omdat zij niet weten, zegt hij, wat zij doen

[442]. Evenzoo zegt Paulus in zijn brief aan Timotheüs: Maar mij is

daarom barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in

mijne ongeloovigheid [443]. Wat beteekent: ik heb het onwetende gedaan,

anders dan dit: ik heb het uit dwaasheid, niet uit boosaardigheid

gedaan? Wat beteekent: mij is daarom barmhartigheid geschied, anders

dan: mij zou die niet te beurt gevallen zijn, zoo mijn dwaasheid mij

niet tot voorspraak had gestrekt? Voor ons pleit ook die mystische

psalmdichter, die mij ter rechter plaatse niet voor den geest kwam:

Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner onwetendheden

[444]. Gij hebt gehoord, op welke twee zaken hij zich beroept,

namelijk dien leeftijd, welks onafscheidelijke metgezel ik pleeg te

zijn, en de onwetendheden--en deze in het meervoud, opdat wij den

reusachtigen omvang zijner dwaasheid zouden begrijpen.

De Lof der Zotheid · 第 72 / 79 题