Vervolg.
Maar het is dwaas van mij al deze dingen na te gaan, die zoo talloos
zijn, dat zelfs de werken van Chrysippus of Didymus [402] ze niet alle
zouden kunnen bevatten. Met deze opmerking alleen meen ik te kunnen
volstaan, dat, wanneer dit aan die goddelijke meesters vrij stond, men
mij ook, een uit slecht hout gesneden Theoloog, vergiffenis behoort te
schenken, als mijn aanhalingen niet allen in den haak zijn. Nu keer
ik eindelijk tot Paulus terug: Gij verdraagt, zegt hij, gaarne de
onwijzen [403]. En wederom: Neemt mij dan aan als eenen onwijze, en
ik spreek niet naar den Heere, maar als in onwijsheid [404]. Wederom
elders: Wij, zegt hij, zijn dwazen om Christus' wil [405]. Gij hebt
het gehoord, wie de groote zegsman is van die groote loftuitingen
op de zotheid. Zelfs predikt hij ook openlijk de dwaasheid als iets,
dat boven alles noodzakelijk en zeer heilzaam is: Zoo iemand onder u
dunkt, dat hij wijs is, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden
[406]. Bij Lucas noemt Jezus ook twee discipelen, bij wie hij zich op
weg heeft aangesloten, dwazen [407]. Ik geloof haast niet, dat dit
iemand vreemd kan voorkomen, daar de goddelijke Paulus ook God een
weinigje dwaasheid toeschrijft: Het dwaze Gods, zegt hij, is wijzer
dan de menschen [408]. Verder wil Origenes [409], zijn uitlegger,
niet, dat men onder deze dwaasheid verstaat de meening der menschen
daaromtrent, zooals op die bekende plaats: Het woord des kruises is
wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid [410].
Maar waarom ga ik voort nuttelooze moeite aan te wenden om U dit
door zooveel bewijsplaatsen aan te toonen, daar in de mystische
psalmen Christus openlijk tot den vader zegt: Gij weet van mijne
dwaasheid [411]. Het is waarlijk niet zonder goeden grond, dat
de zotten zoozeer aan God behaagd hebben: de reden is, meen ik,
hierin gelegen: evenals de hooggeplaatste vorsten menschen met al te
groote geestesgaven verdenken en haten, zooals Julius Caesar Brutus en
Cassius, terwijl hij den dronken Antonius volstrekt niet vreesde [412],
en gelijk Nero Seneca [413], Dionysius Plato [414], en zij daarentegen
in domme en eenvoudige geesten vermaak scheppen, zoo verfoeit en
veroordeelt Christus ook die wijzen, die eeuwig zich op hun inzicht
verlaten. Dit geeft Paulus geenszins onduidelijk te kennen, als hij
zegt: Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren [415], en ook,
dat het Gode behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden,
aangezien ze door de wijsheid niet kon hersteld worden [416]. Ja,
diezelfde apostel levert een voldoende bewijs, uitroepende door den
mond des profeets: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het
verstand der verstandigen zal ik te niet maken [417]. En wederom als
hij God dankt, dat hij de geheimenis der zaligheid voor de wijzen
verborgen had gehouden, maar den kinderkens, d. i. den dwazen had
geopenbaard [418]. Want in het Grieksch staat er een woord voor
"kinderkens," dat ook "dwazen" kan beteekenen, en hij heeft die dan
ook tegenover de wijzen gesteld. Hiertoe behoort nog, dat hij overal
in het Evangelie Farizeën, schriftgeleerden en wetgeleerden aanvalt,
maar het domme volk met alle macht verdedigt. Want wat beteekent het
woord: Wee U, gij schriftgeleerden en Farizeën [419], anders dan:
Wee U, gij wijzen? Hij schijnt daarentegen de grootste voorliefde te
hebben gekoesterd voor kleine kinderen, vrouwen en visschers. Zelfs
behagen die redelooze dieren het meest aan Christus, die zoo ver
mogelijk verwijderd zijn van de slimheid der vossen: daarom zat hij
bij voorkeur op een ezel [420], terwijl hij, zoo het hem gelust had,
zelfs veilig op een leeuw had kunnen rijden. Ook is de Heilige Geest
in de gestalte van een duif neergedaald, niet in die van een arend of
wouw. Daarenboven is er in de Heilige Schrift op verscheiden plaatsen
herhaaldelijk sprake van herten, reeën en lammeren. Voeg hierbij, dat
hij de zijnen, die tot een onsterfelijk leven bestemd zijn, schapen
noemt [421], dieren, die het dwaast zijn van alle levende schepselen,
zooals zelfs het spreekwoord bij Aristoteles [422] "Schapennatuur"
getuigt, waaruit blijkt, dat men deze uitdrukking, aan de dwaasheid
van dit vee ontleend, voor domme en stompe menschen als scheldwoord
placht te bezigen. En toch erkent Christus, dat hij de herder is
van deze kudde, ja zelfs, vond hij genoegen in den naam van lam,
toen Johannes op hem wees met de woorden: Zie het lam Gods [423],
waarvan ook dikwijls in de Openbaring gesproken wordt [424]. Wat
verkondigen deze woorden anders dan dat alle menschen dwaas zijn,
ook de vromen? dat ook Christus zelf om de dwaasheid der menschen
tegemoet te komen, ofschoon hij de wijsheid des Vaders was [425],
toch in zekeren zin dwaas is geworden, toen hij, na de menschelijke
natuur te hebben aangenomen, in gedaante gevonden is als een mensch
[426]? evenals hij ook zonde geworden is om de zonden weg te nemen
[427]. En dit wilde hij op geen andere wijze doen dan door middel
van de dwaasheid des kruises [428], door zotte en domme apostelen,
aan wie hij ijverig dwaasheid voorschrijft, hen van de wijsheid
afschrikkende, terwijl hij hen wijst op het voorbeeld van kinderen
[429], leliën [430], mostaardzaad [431] en musschen [432], domme en
redelooze zaken en die alleen naar de leiding der natuur, zonder eenige
kunst of zorg hun leven doorbrengen. Daarenboven als hij niet wil,
dat zij bezorgd zijn, welke woorden zij bij de stadhouders zullen
gebruiken [433], en als hij hun verbiedt de tijden of gelegenheden
[434] te onderzoeken, dan is dit blijkbaar met het doel om te maken,
dat zij niet op hun eigen wijsheid vertrouwen, maar met geheel hun
ziel aan hem hangen. Hiertoe behoort ook, dat God, de schepper der
wereld, den menschen verbood te proeven van den boom der kennis [435],
even alsof kennis het geluk vergiftigt. Paulus komt echter openlijk
met zijn afkeuring van de kennis voor den dag, die de menschen
opgeblazen en diep ongelukkig zou maken [436]. Vergis ik mij niet,
dan volgt de Heilige Bernard [437] zijn voetspoor, als hij den berg,
waarop Lucifer zijn zetel had opgeslagen [438], voor den berg der
kennis verklaart. Misschien zal men ook meenen, dat dit bewijs voor de
gunst, waarin de dwaasheid bij de hemelingen staat, niet achterwege mag
blijven, dat haar alleen vergiffenis voor haar dwalingen gegeven wordt,
maar den wijze niet; en daarom maken zij, die om vergeving smeeken,
ook wanneer zij willens en wetens gezondigd hebben, desniettemin
gebruik van het voorwendsel en de bescherming der dwaasheid. Want
Aäron smeekt in het Boek Numeri [439], als ik mij goed herinner,
dat zijn vrouw de straf worde kwijtgescholden, in deze bewoordingen:
Och, mijn Heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk
gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! Zoo smeekt ook Saul David
om vergiffenis van schuld, zeggende: Zie, ik heb dwaselijk gedaan
[440]. Wederom spreekt David zelf deze vleiende woorden tot den Heer:
Maar nu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb
zeer zottelijk gedaan [441]; alsof hij geen vergiffenis zou verkrijgen,
zoo hij geen dwaasheid en onwetendheid voorwendde. Maar een klemmender
bewijs is dit, dat Christus aan het kruis, toen hij voor zijn vijanden
bad: Vader! vergeef het hun, geen andere verontschuldiging aanvoerde,
dan die van onverstand: Omdat zij niet weten, zegt hij, wat zij doen
[442]. Evenzoo zegt Paulus in zijn brief aan Timotheüs: Maar mij is
daarom barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in
mijne ongeloovigheid [443]. Wat beteekent: ik heb het onwetende gedaan,
anders dan dit: ik heb het uit dwaasheid, niet uit boosaardigheid
gedaan? Wat beteekent: mij is daarom barmhartigheid geschied, anders
dan: mij zou die niet te beurt gevallen zijn, zoo mijn dwaasheid mij
niet tot voorspraak had gestrekt? Voor ons pleit ook die mystische
psalmdichter, die mij ter rechter plaatse niet voor den geest kwam:
Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner onwetendheden
[444]. Gij hebt gehoord, op welke twee zaken hij zich beroept,
namelijk dien leeftijd, welks onafscheidelijke metgezel ik pleeg te
zijn, en de onwetendheden--en deze in het meervoud, opdat wij den
reusachtigen omvang zijner dwaasheid zouden begrijpen.