HOOFDSTUK LXIV.

Verkeerde uitleggers van de woorden der Heilige Schrift.

Maar waarom beroep ik mij zoo angstvallig op het gevoelen van één

man? Alle Theologen zonder onderscheid bezitten immers het recht om

den hemel, d. w. z. de Heilige Schrift, als een huid uit te rekken en

zoo zijn bij den heiligen Paulus de woorden van de Heilige Schrift met

elkander in tegenspraak, die op hun eigen plaats niet met elkander

strijden [384], als men de verzekering van den beroemden Hieronymus

[385], die vijf talen verstond, mag gelooven. Hij verdraaide

namelijk een te Athene bij toeval ontdekt opschrift op een altaar,

om daaraan een bewijs voor het christelijke geloof te ontleenen, en

met voorbijgaan van al wat zijn zaak zou kunnen schaden, pikte hij

slechts de laatste woorden er af nl. deze: Aan den onbekenden God

[386], en veranderde ook deze nog een weinig. Immers het geheele

opschrift luidde aldus: "AAN DE GODEN VAN AZIË, EUROPA EN AFRICA,

AAN DE ONBEKENDE EN VREEMDE GODEN." Op zijn voetspoor plegen verder

de zonen der Theologen [387] zoo hier en daar vier of vijf woordjes,

uit hun verband gerukt en, zoo noodig, nog verdraaid, te hunnen

nutte aan te wenden, ofschoon het voorgaande en het volgende of

in het geheel niets ter zake afdoet of zelfs daarmede lijnrecht in

strijd is. En dit doen zij met zulk een gelukkige onbeschaamdheid,

dat de rechtsgeleerden dikwijls de Godgeleerden benijden. Wat toch zou

hun verder niet gelukken, nadat die groote--haast had ik zijn naam

uitgeflapt, maar al weer vrees ik voor het Grieksche spreekwoord

[388]--uit de woorden van Lucas een gevoelen gehaald heeft, dat

evenzeer met Christus' bedoeling strookt, als er overeenstemming

bestaat tusschen water en vuur? Want toen het uiterste gevaar [389]

dreigde, een oogenblik, waarop goede beschermelingen hun beschermheeren

het meest plegen ter zijde te staan en met alle mogelijke middelen in

den strijd te helpen, heeft Christus, wiens doel was al het vertrouwen

op dergelijke hulpmiddelen uit de gemoederen der zijnen te verdrijven,

hen gevraagd, of hun ergens iets ontbroken had, en dat, ofschoon

hij hen zoo zeer van alles, wat tot de reis noodig was, ontbloot had

uitgezonden, dat hij hen zelfs niet door schoeisel beschermde tegen

kwetsuren van dorens en steenen en hun zelfs geen knapzak gaf tegen

den honger. Toen zij zeiden, dat hun niets ontbroken had, ging hij

aldus voort: Maar nu, zeide hij, wie eenen buidel heeft, die neme

hem, desgelijks ook eene male [390], en die geen heeft, die verkoope

zijn kleed en koope een zwaard. Daar de geheele leer van Christus

ons niets anders inprent dan zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en

verachting des levens, wien is het dan niet zonneklaar, wat hij met

deze plaats bedoelt? Natuurlijk zijn gezanten nog meer te ontwapenen,

zoodat zij niet slechts om schoeisel en knapzak zich weinig zullen

bekommeren, maar ook het kleed daarenboven wegwerpen en naakt, zonder

eenige belemmering, hun evangelische taak aanvaarden. Niets moeten

zij zich aanschaffen dan een zwaard, niet zulk een, waarmee roovers

en vadermoorders hun wandaden plegen, maar het zwaard des geestes,

doordringende zelfs in de diepste schuilhoeken des harten, dat in

één keer alle hartstochten zóó besnoeit, dat men zich verder om niets

bekommert, behalve om de vroomheid. Maar let nu eens op, bid ik U, in

welke richting die beroemde Godgeleerde deze woorden verdraait. Het

zwaard vat hij op als de verdediging tegen de vervolging, den zak

als een voldoenden voorraad leeftocht, even alsof Christus, geheel

van gevoelen veranderd, omdat hij zijn gezanten bij hun vertrek niet

vorstelijk genoeg van alles voorzien scheen te hebben, zijn vroeger

gebod herriep en alsof hij, vergetend wat hij vroeger had verkondigd,

dat zij zalig zouden zijn, als men hen met smaadwoorden, beleedigingen

en straffen vervolgde [391], hun verbiedend om zich te eeniger tijd

tegen het kwaad te verzetten [392], want dat de zachtmoedigen zalig

zijn [393], niet de strijdlustigen, en ook vergetend, dat hij hun

de musschen en de leliën [394] ten voorbeeld gesteld heeft, nu zelfs

niet wilde, dat zij zonder zwaard vertrokken, zoo zelfs, dat hij hun

beveelt hun onderkleed te verkoopen voor een zwaard en liever wil,

dat zij zich naakt op weg begeven dan zonder een zwaard. Daarenboven,

evenals hij onder den naam zwaard alles begrepen acht, wat strekt om

zich tegen geweld te verzetten, zoo bevat, volgens hem, ook het woord

knapzak al wat tot de nooddruft behoort. En zoo laat die vertolker

van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen,

slingers en bombarden uittrekken, om den gekruisigde te prediken. Hij

belaadt hen daarenboven met kisten, koffers en allerlei bagage,

opdat zij niet soms zonder ontbijt uit hun herberg zouden moeten

weggaan. Zelfs maakt het geen indruk op den man, dat hij [395] hen het

zwaard, dat hij zoo dringend geraden had te koopen, kort daarop met

een scherpe berisping weer laat opsteken [396] en dat men zelfs bij

geruchte er nooit van gehoord heeft, dat de apostelen zich van zwaarden

of schilden bedienden om het geweld der heidenen te keeren hetgeen zij

zeker gedaan zouden hebben, zoo Christus van dat gevoelen geweest was,

dat hij in deze woorden zoekt. Er is een ander, wiens naam ik eershalve

niet vermeld, ofschoon hij waarlijk niet slecht bekend staat [397], die

uit de tenten, waarvan Habakuk spreekt met de woorden: De vellen van

het land Madian zullen geschud worden [398], het vel van den gevilden

Bartholomaeus [399] gemaakt heeft. Zelf heb ik onlangs een theologisch

twistgesprek bijgewoond; want dit doe ik dikwijls. Toen iemand bij die

gelegenheid de vraag stelde, welke bewijsplaats er wel in de Heilige

Schrift voorkwam, op grond waarvan men de ketters liever door het

vuur moest overwinnen dan door redevoeringen van dwaling overtuigen,

gaf een grijsaard met een streng gelaat en zeker--dit bewees zijn

laatdunkend uiterlijk--een Theoloog in hevigen toorn ten antwoord,

dat de apostel Paulus dit bevel had gegeven: Snijd eenen ketterschen

mensch na de eerste en tweede vermaning af [400]. Toen hij die woorden

telkens opnieuw met een donderende stem herhaalde en zeer velen vol

verbazing vroegen, wat den man toch overkomen was, gaf hij eindelijk

de verklaring, dat men een ketter den hals moest afsnijden. Eenigen

lachten, maar het ontbrak ook niet aan toehoorders, die dit verzinsel

volkomen theologisch vonden. Toen echter sommigen zich tegen deze

verklaring luide bleven verzetten, nam een ander het voor hem op,

die de knoop met een bijl doorhakte, zoodat verder niets tegen hem te

zeggen viel. Hoort, zeide hij, wat de zaak is: Daar staat geschreven:

Laat den boosdoener niet leven [401]; ieder ketter is een boosdoener,

dus, enz. De geheele vergadering bewonderde het vernuft van den man

en door middel van de voeten, die nog wel in groote laarzen staken,

gaf men zijn goedkeuring te kennen. Niemand kwam op de gedachte,

dat dit voorschrift betrekking heeft op de waarzeggers, bezweerders

en toovenaars, die in het Hebreeuwsch Mekaschephim heeten; anders

had men ook hoererij en dronkenschap met den dood moeten straffen.

De Lof der Zotheid · 第 71 / 79 题