Getuigenissen uit de Heilige Schrift.
Maar misschien hechten de Christenen aan het aangevoerde weinig
waarde. Laten wij daarom ook, zoo gij het goedvindt, den lof, dien wij
ons zelf toekennen, met getuigenissen uit de Heilige Schrift schragen
of, zooals de geleerden zeggen, er een fundament aan geven, na eerst
verlof aan de Godgeleerden gevraagd te hebben, dat het met hun genadig
goedvinden ons geoorloofd zij; voorts, omdat wij een moeilijke taak
aanvaarden en het misschien verkeerd zou zijn opnieuw de Muzen van den
Helicon te roepen [350] tot het ondernemen van zulk een lange reis,
vooral daar de zaak minder bij haar thuis behoort, zal het misschien
gepaster zijn te wenschen, dat, zoolang ik als Godgeleerde optreed
en mij temidden van die doornen voortbeweeg, de geest van Scotus,
die nog stekeliger is dan een stekelvarken of een egel, een tijd lang
uit zijn Sorbonne in mijn binnenste zijn intrek neme [351] en spoedig
daarop weder verhuize, waarheen hij wil, desnoods naar de hel. Het zij
mij geoorloofd ook een ander gelaat aan te nemen en mij te kleeden als
een Theoloog. Ik vrees echter hiervoor, dat men mij van diefstal zal
aanklagen, alsof ik heimelijk de papieren onzer Magisters weggenomen
heb, omdat ik zooveel van de theologie weet. Maar het moet u niet zoo
bijzonder vreemd voorkomen, als ik uit den langdurigen innigen omgang,
dien ik met de theologie heb, het een en ander heb opgedaan, daar zelfs
die god uit vijgenboomhout, Priapus [352], eenige Grieksche woorden,
doordat zijn heer hardop las, opteekende en onthield en de haan van
Lucianus door een lang verkeer met menschen de menschelijke taal op en
top verstond [353]. Maar eindelijk ter zake--onder goede voorteekenen.
De Prediker schreef in zijn eerste hoofdstuk: Der zotten aantal is
eindeloos [354]. Als hij hun aantal eindeloos noemt, schijnt hij
dan niet hieronder alle menschen zonder onderscheid te verstaan,
behalve eenige zeer weinige, die misschien niemand ooit heeft kunnen
ontdekken? Maar ruiterlijker erkent dit Jeremia in het tiende hoofdstuk
[355], waar hij zegt: Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat
hij geene wetenschap heeft. Aan God alleen schrijft hij wijsheid toe
[356], terwijl hij den menschen gezamenlijk de dwaasheid overlaat. En
hij zegt wederom een weinig vroeger: Een wijze beroeme zich niet in
zijn wijsheid [357]. Waarom wilt gij niet dat de mensch zich in zijn
wijsheid beroemt, mijn beste Jeremia? Zeker hierom, omdat hij geen
wijsheid bezit. Maar ik keer tot den Prediker terug. Als hij uitroept:
IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid [358], meent gij
dan, dat hij iets anders bedoeld heeft dan dit, wat wij beweerden,
dat namelijk het menschelijke leven niets anders is dan een spel der
dwaasheid? Zonder twijfel vereenigt hij zich volkomen met den lof, door
Cicero gegeven, wiens bekende uitspraak, door ons boven aangehaald,
met volle recht geroemd wordt: Alles is vol zotten [359]. En wederom
die wijze Prediker, die gezegd heeft: De dwaas verandert als de maan,
de wijze blijft dezelfde als de zon [360], wat bedoelt hij anders
dan dit, dat alle menschenkinderen dwaas zijn, maar dat aan God
alleen de naam van wijs toekomt? Men verstaat immers onder de maan
de menschelijke natuur en onder de zon, de bron van alle licht, God.
Hiermede komt overeen het gezegde van Christus zelf in het Evangelie,
dat men niemand goed moet noemen, dan God alleen [361]. Verder, als
op gezag der Stoïcijnen, ieder dwaas moet heeten, die niet wijs is,
en ieder die goed is, ook wijs, dan moet de Zotheid ongetwijfeld alle
stervelingen omvatten. Wederom zegt Salomo in het 15de hoofdstuk
[362]: De dwaasheid is den verstandelooze blijdschap, waardoor hij
zeker duidelijk erkent, dat er zonder dwaasheid geen zoetheid in het
leven is. Hiertoe behoort ook dit bekende gezegde: Die wetenschap
vermeerdert, vermeerdert smart en in veel wijsheid is veel verdriet
[363]. Erkent dit ook niet openlijk die uitstekende Prediker in het
7de hoofdstuk [364]: Het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar
het hart der zotten in het huis der vreugde? En daarom stelde hij
zich niet tevreden met de beoefening der wijsheid, maar voegde er ook
zelfkennis aan toe. Als gij mij niet geheel vertrouwt, hoort dan zijn
eigene woorden, die hij neerschreef in het 1ste hoofdstuk [365]: En ik
begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en
dwaasheid. Hierbij valt zeker op te merken, dat het is om de dwaasheid
te eeren, dat hij haar achteraan geplaatst heeft. De Prediker heeft
het geschreven en gij weet, dat deze volgorde bij de predikers bestaat,
dat hij, die de eerste in rang is, de laatste plaats inneemt, waarbij
hij ongetwijfeld het voorschrift des Evangelies volgt [366]. Maar
dat de dwaasheid voortreffelijker is dan de wijsheid, dat getuigt ook
zonneklaar die Prediker [367], wie hij dan ook moge geweest zijn, in
het 44ste hoofdstuk [368], wiens woorden ik echter U niet eerder zal
mededeelen, voordat gij mij bij mijn inductieve bewijsvoering door een
gepast antwoord helpt, zooals bij Plato zij doen, die met Socrates
redetwisten [369]. Wat van beiden past het eerder op te bergen,
wat zeldzaam en kostbaar of wat algemeen verkrijgbaar en goedkoop
is? Waarom antwoordt gij niet? Ook al wilt gij voor uw gevoelens niet
uitkomen, dan antwoordt toch het bekende Grieksche spreekwoord in
uw plaats, dat zegt "de waterkruik aan de deur" [370], en opdat men
niet de snoodheid bega dit te verwerpen: Aristoteles [371], de God
onzer Magisters, haalt het aan. Is er wel iemand uwer zoo dwaas, dat
hij edelgesteenten en goud op de straat laat staan? Waarachtig niet,
zou ik denken. In de binnenste binnenkameren van uw huis bewaart
gij het en daarmee nog niet tevreden, in de geheimste hoeken van
de allerstevigste kasten, terwijl gij het slijk op de straten laat:
Derhalve als het kostbaarste wordt opgeborgen, maar wat weinig waarde
bezit, voor iedereen te zien blijft, is het dan niet duidelijk, dat
de wijsheid, die hij [372] niet wil wegbergen, minder waarde heeft
dan de dwaasheid, die hij wenscht opgeborgen te zien? Hoort dan nu
zijn eigen woorden: Beter is de man, die zijn dwaasheid verbergt,
dan de man, die zijn wijsheid verbergt. Zelfs kent de Heilige Schrift
den dwaas bescheidenheid toe, terwijl de wijze daarentegen niemand
aan zichzelf gelijk acht. Want zoo versta ik hetgeen de Prediker in
het 10de hoofdstuk zegt [373]: Maar de dwaas op den weg wandelende
beschouwt, terwijl hij zelf onverstandig is, allen als dwaas. Is
dat niet een bewijs van bijzondere bescheidenheid, allen aan u zelf
gelijk te stellen, en terwijl ieder immers hooge gedachten omtrent
zichzelf koestert, toch uw lof te deelen met allen? Daarom schaamde
zelfs die groote koning zich dien bijnaam niet, want hij zegt in het
30ste hoofdstuk zijner spreuken [374]: Voorwaar, ik ben onvernuftiger
dan iemand. Ook Paulus, die groote leeraar der Heidenen, laat in
zijn brief aan de Corinthiërs [375] zich niet ongaarne den bijnaam
van dwaas welgevallen: Als een dwaas, zegt hij, spreek ik: meer ben
ik [376], even alsof het schandelijk is, zich in dwaasheid te laten
overtreffen. Maar intusschen schreeuwen mij eenige ellendige Grieken
[377] de ooren doof, die zooveel knappen Godgeleerden van onze dagen
de loef trachten af te steken door met hun onbekookte aanteekeningen
de oogen van anderen te verblinden, onder welk troepje mijn Erasmus,
zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt, wiens
naam ik meermalen met eerbied noem. "Welk een inderdaad zotte en der
Zotheid zelve waardige aanhaling" zeggen zij. "De apostel bedoelt
geheel iets anders dan waarvan gij droomt. Want het is hem met deze
woorden er niet om te doen, voor dwazer dan de overigen door te gaan,
maar na gezegd te hebben: zij zijn dienaars van Christus, en ik (ook),
en zich, als het ware met zelfverheffing, ook in dit opzicht met de
overigen gelijk te hebben gesteld, voegde hij er verbeterend bij:
meer ben ik, in de overtuiging, dat hij niet slechts met de overige
apostelen in de bediening des Evangelies op één lijn stond, maar
zelfs nog eenigszins hooger. En alhoewel hij wenschte, dat zij dit
als waar erkenden, heeft hij de dwaasheid als voorwendsel gebezigd
om te zorgen, dat dit gezegde niet als te aanmatigend hun ooren zou
kwetsen. Hij bezigde de woorden: als minder wijs spreek ik, omdat
hij wist, dat het een voorrecht der dwazen is om alleen zonder te
kwetsen de waarheid te spreken" [378]. Maar ik laat het aan hen zelf
over om te beredeneeren, wat Paulus bedoeld heeft. Ik houd mij aan
de groote, vette, dikke en algemeen geprezen Theologen, met wie, bij
den Hemel, een groot gedeelte der geleerden zeker liever wil dwalen
dan een juist inzicht hebben met die mannen, die de drie talen [379]
verstaan. Niemand schat die ellendige Grieken dan ook hooger dan
kraaien [380], vooral omdat een zeker roemruchtig Theoloog, wiens
naam ik met opzet verzwijg, opdat niet onze kraaien al aanstonds
hem dit schimpwoord naar het hoofd werpen: "De ezel en de lier"
[381], op magistrale en theologale wijze deze plaats verklarende,
met deze woorden: Als minder wijs spreek ik, meer ben ik, een nieuw
hoofdstuk begint en--hetgeen slechts met de grootste inspanning
zijner redekunstige krachten kon geschieden--er een nieuwe afdeeling
bijvoegt, waarin hij op de volgende wijze een uitlegging geeft (ik
wil zijn eigen woorden aanhalen niet slechts in den vorm [382], maar
ook naar den inhoud): Als minder wijs spreek ik, d.i. als ik u dwaas
voorkom door mij gelijk te stellen met de valsche apostelen [383],
zal ik u nog minder wijs voorkomen door mij boven hen te stellen. En
toch komt diezelfde man, alsof hij zichzelf vergeten had, een weinig
later tot een geheel ander besluit.