Getuigenissen der ouden.
Vooreerst dan bestaat de algemeene overtuiging, die door het zeer
bekende spreekwoord wordt uitgedrukt, dat, waar de werkelijkheid
ontbreekt, daar de schijn het beste is, en daarom leert men te recht
reeds den knapen dezen versregel:
De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen [346].
Maakt hier nu zelf maar uit op, welk een onmetelijk goed de Zotheid
is, wier bedriegelijke schaduw zelfs en wier nabootsing alleen zich
zooveel lof bij de geleerden verwerft. Maar nog veel openhartiger
komt hiervoor uit dat vette en welgedane varkentje uit Epicurus' kudde
[347], dat raadt dwaasheid te vermengen met onze beraadslagingen, al
heeft hij er al erg onverstandig bijgevoegd, dat er slechts een kleine
dosis noodig is. Zoo zegt hij elders: Het is zoet bij gelegenheid
eens dol te zijn. Weer op een andere plaats wil hij liever voor zwak
van hoofd en een domoor doorgaan dan vol gemelijke wijsheid zijn.
Reeds bij Homerus wordt Telemachus [348], dien de dichter in allen
opzichte prijst, zoo nu en dan onnoozel genoemd en dienzelfden
voornaam, alsof die iets goeds voorspelde, plegen de treurspeldichters
gaarne aan knapen en jongelingen te geven. Wat bevat het heilige lied,
de Ilias, anders dan beschrijvingen van den toorn van dwaze vorsten
en volken [349]? Hoe onbeperkt is verder die lofspraak van Cicero:
"Alles is vol zotten!" Want wie weet niet, dat ieder goed des te
voortreffelijker is, naarmate het zich verder uitstrekt?