HOOFDSTUK LXII.

Getuigenissen der ouden.

Vooreerst dan bestaat de algemeene overtuiging, die door het zeer

bekende spreekwoord wordt uitgedrukt, dat, waar de werkelijkheid

ontbreekt, daar de schijn het beste is, en daarom leert men te recht

reeds den knapen dezen versregel:

De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen [346].

Maakt hier nu zelf maar uit op, welk een onmetelijk goed de Zotheid

is, wier bedriegelijke schaduw zelfs en wier nabootsing alleen zich

zooveel lof bij de geleerden verwerft. Maar nog veel openhartiger

komt hiervoor uit dat vette en welgedane varkentje uit Epicurus' kudde

[347], dat raadt dwaasheid te vermengen met onze beraadslagingen, al

heeft hij er al erg onverstandig bijgevoegd, dat er slechts een kleine

dosis noodig is. Zoo zegt hij elders: Het is zoet bij gelegenheid

eens dol te zijn. Weer op een andere plaats wil hij liever voor zwak

van hoofd en een domoor doorgaan dan vol gemelijke wijsheid zijn.

Reeds bij Homerus wordt Telemachus [348], dien de dichter in allen

opzichte prijst, zoo nu en dan onnoozel genoemd en dienzelfden

voornaam, alsof die iets goeds voorspelde, plegen de treurspeldichters

gaarne aan knapen en jongelingen te geven. Wat bevat het heilige lied,

de Ilias, anders dan beschrijvingen van den toorn van dwaze vorsten

en volken [349]? Hoe onbeperkt is verder die lofspraak van Cicero:

"Alles is vol zotten!" Want wie weet niet, dat ieder goed des te

voortreffelijker is, naarmate het zich verder uitstrekt?

De Lof der Zotheid · 第 69 / 79 题