De Fortuin begunstigt de dwazen.
Want hoe zou dit mogelijk wezen, daar ook de Nemesis [340], die het
geluk der menschen in haar hand heeft, het zoozeer met mij eens is,
dat zij zich altijd een aartsvijandin van die wijzen betoond heeft
en daarentegen den dwazen zelfs in den slaap alle voordeelen heeft
bezorgd.
Gij herinnert u dien Timotheus [341], die hiervan zijn bijnaam ontving
en op wien het spreekwoord: "Hij vangt slapend visch in zijn net"
werd toegepast, en ook een ander: "De uil vliegt" [342]. Daarentegen
zijn op de wijzen deze bekende woorden van toepassing: "in het laatste
kwartier geboren" [343] en "hij bezit het paard van Seius" en "het
goud van Toulouse" [344]. Doch ik houd op spreekwoorden aan te halen
om niet den schijn op mij te laden, dat ik de aanteekeningen [345]
van mijn vriend Erasmus geplunderd heb.
Om mij derhalve tot mijn onderwerp te bepalen: de fortuin houdt van
de onbezonnenen, zij houdt van de waaghalzen en hen, wier zinspreuk
is: "men moet alles op één worp zetten." Maar de wijsheid maakt de
menschen een weinig te angstig en daarom ziet ge gewoonlijk, dat
armoede, honger, roest en vuil onafscheidelijk zijn van die wijzen en
dat zij vergeten, onberoemd en gehaat hun leven doorbrengen, terwijl
de dwazen overvloed hebben van geld, aan het roer van het schip van
staat geplaatst worden, kortom in allen opzichte een heerlijk leven
leiden. Want als iemand het een geluk acht, zich de goedkeuring van de
aanzienlijkste mannen verworven te hebben en te midden van die met
edelgesteenten beladen hooge heeren, mijn trouwe dienaars, te leven,
wat is dan onnutter dan wijsheid of liever, wat is bij dit slag van
menschen meer in den ban? Als er schatten moeten verdiend worden,
wat zal de koopman toch wel voor winst maken, als hij, volgens
de voorschriften der wijsheid, terugdeinst voor een valschen eed,
als hij, op een leugen betrapt, een kleur krijgt, en als hij aan al
die benepen gemoedsbezwaren der wijzen aangaande diefstal en rente
ook maar eenige waarde hecht? Verder, als iemand naar kerkelijke
eerambten of waardigheden staat, dan dient hij niet te vergeten,
dat zelfs een ezel of een buffel zich eerder daarheen een weg zal
banen dan een wijze. Verlangt men naar mingenot, welnu, de meisjes,
de hoofdpersonen van dit tooneelstuk, zijn den dwazen van ganscher
harte genegen, maar den wijze verafschuwen en vermijden zij als een
schorpioen. Allen eindelijk, die een prettig en vroolijk leventje
willen leiden, houden den wijze in de allereerste plaats buiten hun
kring, tot welken zij ieder dier nog liever zouden toelaten. Kortom,
waarheen gij u ook wendt, bij de pausen, vorsten, rechters, overheden,
vrienden en vijanden, grooten en kleinen kan men alles gedaan krijgen
voor contant geld en, omdat de wijze daaraan volstrekt geen waarde
toekent, plegen zij hem ook zorgvuldig te mijden. Maar ofschoon er paal
noch perk bestaat voor mijn loftuitingen, moet er toch eindelijk een
eind komen aan mijn redevoering. Daarom zal ik ophouden te spreken,
maar eerst na aangetoond te hebben, dat het niet ontbreekt aan groote
schrijvers, die mij zoowel door hun geschriften als door hun daden
verheerlijkt hebben, opdat niet de een of ander soms meene, dat ik op
de wijze der zotten alleen mijzelf behaag, en pedante wetgeleerden mij
lasterlijk beschuldigen, dat ik geen bewijsplaatsen aanhaal. Welnu, wij
zullen dan naar hun eigen voorbeeld aanhalingen ten beste geven--die
niets bewijzen.