HOOFDSTUK LX.

De bisschoppen der Duitschers.

Tot nog toe verkeer ik in onzekerheid, of sommige bisschoppen der

Duitschers hiertoe het voorbeeld gegeven, dan of zij veeleer hun

levenswijze hieraan ontleend hebben. Zij laten eenvoudig zelfs den

eeredienst, het uitspreken van den zegen en alle dergelijke ceremoniën

achterwege en gedragen zich geheel als wereldlijke landvoogden,

zoodat zij het haast laf en voor een bisschop weinig betamelijk

achten, elders dan op het slagveld hun dapperen geest aan God te

geven. Natuurlijk, dat het gros der priesters het als een gruwel

beschouwt in heiligheid voor zijn voorgangers onder te doen en als

echte soldaten voor zijn tiendrecht met zwaarden, schichten, steenen,

en allerlei wapentuig oorlog voert. En wat zijn ze scherp van gezicht

op dit ééne punt, of er iets uit de geschriften der ouden te halen

valt om hun kuddeke bang te maken en hen te overtuigen, dat men

nog meer dan tienden verschuldigd is! Maar intusschen komt het hun

niet in den zin, hoeveel er overal te lezen is over den plicht, dien

zij op hun beurt jegens het volk te vervullen hebben. En allerminst

herinnert hen de geschoren kruin, dat een priester van alle begeerten

dezer wereld vrij behoort te zijn en dat hij over niets dan over de

hemelsche zaken behoort te peinzen. Maar die lieve menschen beweren

zich van hun plicht al duchtig gekweten te hebben, als zij hun gebeden,

hoe dan ook, hebben afgepreveld, ofschoon het mij waarlijk zeer zou

bevreemden, als eenige god deze of hoorde of begreep, daar zij zelf,

als zij ze opdreunen, ze haast evenmin hooren als verstaan. Maar dit

hebben de priesters zeker met de oningewijden gemeen, dat zij allen

goed wakker zijn, als het er op aankomt om voordeelen binnen te halen,

en dat geen van hen dan onbekend is met de wetten [336]. Maar is er

hun soms een last opgelegd, dan schuiven zij dien zeer wijselijk op

de schouders van anderen en kaatsen elkander den bal toe. Zoo gaat

het immers ook met de wereldlijke vorsten: evenals zij de taak van het

rijksbestuur aan plaatsvervangers opdragen, en de eene plaatsvervanger

die weer aan een ander overdoet, zoo laten ook zij uit zedigheid de

betrachting der godsdienstplichten geheel aan het volk over. Het volk

schuift deze weer op hen, die het de mannen der kerk noemt, alsof

het zelf in 't geheel geen gemeenschap heeft met de kerk, alsof de

geloften van den doop volstrekt niets te beteekenen hadden. Van hun

kant wentelen de priesters, die zich wereldlijke noemen, alsof zij

der wereld, niet Christus gewijd waren, dezen last op de regulieren

[337], de regulieren op de monniken, de monniken van een ruimeren op

die van een strengeren leefregel, allen te zamen op de bedelmonniken,

de bedelmonniken op de kartuizers [338], die de eenigen zijn, bij

wie de vroomheid begraven en verscholen ligt, en wel zoo, dat men ze

schier nooit te zien kan krijgen.

Zoo dragen ook de pausen, die bij den geldoogst zeer nauwlettend

zijn, die al te apostolische werkzaamheden aan de bisschoppen op,

de bisschoppen aan de pastoors, de pastoors aan hun kapelaans,

de kapelaans aan de bedelmonniken. Deze wijzen voor dit werk weer

anderen aan, door wie de schapen geschoren worden. Het ligt echter

niet in mijn plan het leven van pausen en priesters uit te kleeden,

want men zou dan kunnen denken, dat ik een satire wilde schrijven,

niet een lofrede voordragen, en men zou kunnen meenen, dat de goede

vorsten door mij werden doorgehaald, dewijl ik de slechte prijs

[339]. Maar hierom heb ik dit onderwerp ter sprake gebracht, opdat

het zou blijken, dat er geen mensch ter wereld aangenaam kan leven,

wanneer hij niet tot mijn ingewijden behoort en ik hem genadig ben.

De Lof der Zotheid · 第 67 / 79 题