Pausen.
En dan de Pausen, die Christus' plaatsvervangers zijn, als zij hem in
zijn leven trachten te evenaren, nl. in zijn armoede, werkzaamheid,
leer, kruis, levensverachting, als zij denken of aan hun naam Paus,
d.i. vader, of aan hun bijnaam, n.l. allerheiligste, wat is er dan
wel treurigers in de wereld denkbaar? Of wie zou die waardigheid
voor zijn gansche vermogen willen koopen, of haar, als hij haar door
geld verworven heeft, met het zwaard, met vergif en met allerlei
gewelddadige middelen verdedigen? Van hoeveel voordeelen zou de
wijsheid hen berooven, als zij eenmaal ingang bij hen vond? Wat zei
ik: de wijsheid? Neen, zelfs een korreltje van dat zout, waarvan
Christus melding maakt [328]. Zooveel schatten, zooveel eerbewijzen,
zooveel heerschappij, zooveel overwinningen, zooveel ambten, zooveel
dispensaties, zooveel inkomsten, zooveel aflaten, zooveel paarden,
muilezels, wachters, zooveel genietingen. Gij ziet, welk een markt,
welk een ruime oogst, welk een zee van goederen ik in weinig woorden
heb samengevat. In hun plaats zal zij (de wijsheid) vigiliën,
vasten, tranen, toespraken, preeken, studiën, zuchten en duizenden
dergelijke ellenden invoeren. Maar men moet niet over het hoofd zien,
dat dan zooveel schrijvers, zooveel kopiïsten, zooveel snelschrijvers,
zooveel advocaten, zooveel promotoren [329], zooveel secretarissen,
zooveel muilezeldrijvers, zooveel paardenknechten, zooveel wisselaars,
zooveel koppelaars (haast had ik er nog meer weekelijke benamingen aan
toegevoegd, maar ik vrees, dat die voor de ooren te hard zullen zijn),
kort en goed, een zoo groote drom van menschen, die den Roomschen
stoel tot schande, ik vergiste mij daar, tot sieraad strekt, meende
ik, honger zou moeten lijden.
Zeker zou dit een onmenschelijke en verfoeilijke daad zijn, maar
nog veel afschuwelijker zou het zijn, als zelfs de hoogstgeplaatste
kerkvorsten en de ware lichten der wereld, weer tot bedelzak en
bedelstaf werden gebracht. Nu echter, als er eenig moeilijk werk te
verrichten is, laten zij dit gewoonlijk aan Petrus en Paulus over,
die overvloed van tijd hebben, maar nemen al den glans en al het
genot voor zich. En zoo heeft zeker, door mijn toedoen, haast geen
soort van menschen een lekkerder en minder kommervol leven, daar zij
meenen hun plichten jegens Christus volop vervuld te hebben, als zij
door een mystischen en haast op het tooneel thuis behoorenden dos,
door ceremoniën, door de titels van "Zaligheid, Eerwaardigheid"
en "Heiligheid" en door zegeningen en vervloekingen den bisschop
spelen. Wonderen te verrichten is reeds lang verouderd en geheel uit
den tijd: het volk te onderwijzen is moeilijk; de Heilige Schrift te
verklaren schoolvossenwerk: bidden onnut: tranen te storten vervelend
en verwijfd: gebrek te lijden onfatsoenlijk: zich door anderen den
loef te laten afsteken schandelijk en weinig in overeenstemming met
de waardigheid van hem, die ternauwernood zelfs de aanzienlijkste
vorsten tot het kussen zijner zalige voeten toelaat: eindelijk
sterven onaangenaam: aan het kruis geslagen te worden schandelijk. Nu
blijft hun alleen dit over, de wapenen en de zoete zegeningen [330],
waarvan Paulus spreekt, en met deze zijn zij waarlijk mild genoeg,
banvonnissen, schorsingen, aggravaties en redaggravaties [331],
vervloekingen, schilderijen van helsche straffen en dien vrees
inboezemenden bliksem, waardoor zij met één wenk de zielen der menschen
zelfs dieper dan den Tartarus [332] zenden. Evenwel gebruiken die
allerheiligste vaders in Christus en Christus' stedehouders juist
dit wapen tegen niemand met grooter felheid dan tegen hen, die
op aanzetten van den duivel de bezittingen van Petrus trachten te
verminderen en te verkleinen. Ofschoon deze apostel in het Evangelie
zegt: Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd [333], noemen zij
desniettemin landen, steden, belastingen, tollen en heerschappijen
zijn bezitting. Als zij van ijver voor Christus blakend hiervoor
met vuur en zwaard strijden, niet zonder daarbij veel Christenbloed
te vergieten, dan eerst gelooven zij de kerk, Christus' bruid, als
apostelen te verdedigen, door haar vijanden, zooals zij ze noemen,
door hun dapperheid te verslaan. Alsof er verderfelijker vijanden voor
de kerk bestaan dan goddelooze pausen, die én door hun stilzwijgen
Christus doen vergeten én hem binden aan wetten, voordeelshalve
gegeven, én hem door gedwongen verklaringen geweld aandoen én hem
door hun verpestend levensgedrag vermoorden. Ofschoon verder de
Christelijke kerk door bloed is gesticht, door bloed versterkt en
door bloed in wasdom is toegenomen, verdedigen zij hun zaak met het
zwaard, alsof er geen Christus bestond, wiens gewoonte het was, de
zijnen te verdedigen: en ofschoon de oorlog een zoo gruwelijk iets
is, dat hij wilden beesten, niet menschen betaamt, zoo waanzinnig,
dat ook de dichters hem voorstellen als door de Furiën gezonden [334],
zoo verpestend, dat hij een algemeen zedenbederf in zijn gevolg heeft,
zoo onrechtvaardig, dat de gemeenste bandieten hem het best voeren, zoo
goddeloos, dat er tusschen Christus en hem volstrekt geen gemeenschap
bestaat, laten zij toch alle andere dingen achterwege en houden zich
alleen met hem bezig. Hierin kunt gij zelfs afgeleefde grijsaards [335]
een jeugdige kracht zien ontwikkelen, zonder zich te storen aan de
kosten of vermoeid te worden door de inspanning of zich door iets te
laten afschrikken, zoo het hun maar gelukt wetten, godsdienst, vrede
en alle menschelijke zaken onderste boven te werpen. Het ontbreekt ook
niet aan geleerde vleiers, die dezen handtastelijken waanzin ijver,
vroomheid, dapperheid noemen en een weg hebben weten te vinden,
waardoor het mogelijk wordt het doodelijke staal te trekken en in
het ingewand zijns broeders te drijven, zonder dat daardoor aan die
hoogste liefde eenige afbreuk wordt gedaan, die volgens Christus'
voorschrift de Christen zijn naaste schuldig is.