HOOFDSTUK LIX.

Pausen.

En dan de Pausen, die Christus' plaatsvervangers zijn, als zij hem in

zijn leven trachten te evenaren, nl. in zijn armoede, werkzaamheid,

leer, kruis, levensverachting, als zij denken of aan hun naam Paus,

d.i. vader, of aan hun bijnaam, n.l. allerheiligste, wat is er dan

wel treurigers in de wereld denkbaar? Of wie zou die waardigheid

voor zijn gansche vermogen willen koopen, of haar, als hij haar door

geld verworven heeft, met het zwaard, met vergif en met allerlei

gewelddadige middelen verdedigen? Van hoeveel voordeelen zou de

wijsheid hen berooven, als zij eenmaal ingang bij hen vond? Wat zei

ik: de wijsheid? Neen, zelfs een korreltje van dat zout, waarvan

Christus melding maakt [328]. Zooveel schatten, zooveel eerbewijzen,

zooveel heerschappij, zooveel overwinningen, zooveel ambten, zooveel

dispensaties, zooveel inkomsten, zooveel aflaten, zooveel paarden,

muilezels, wachters, zooveel genietingen. Gij ziet, welk een markt,

welk een ruime oogst, welk een zee van goederen ik in weinig woorden

heb samengevat. In hun plaats zal zij (de wijsheid) vigiliën,

vasten, tranen, toespraken, preeken, studiën, zuchten en duizenden

dergelijke ellenden invoeren. Maar men moet niet over het hoofd zien,

dat dan zooveel schrijvers, zooveel kopiïsten, zooveel snelschrijvers,

zooveel advocaten, zooveel promotoren [329], zooveel secretarissen,

zooveel muilezeldrijvers, zooveel paardenknechten, zooveel wisselaars,

zooveel koppelaars (haast had ik er nog meer weekelijke benamingen aan

toegevoegd, maar ik vrees, dat die voor de ooren te hard zullen zijn),

kort en goed, een zoo groote drom van menschen, die den Roomschen

stoel tot schande, ik vergiste mij daar, tot sieraad strekt, meende

ik, honger zou moeten lijden.

Zeker zou dit een onmenschelijke en verfoeilijke daad zijn, maar

nog veel afschuwelijker zou het zijn, als zelfs de hoogstgeplaatste

kerkvorsten en de ware lichten der wereld, weer tot bedelzak en

bedelstaf werden gebracht. Nu echter, als er eenig moeilijk werk te

verrichten is, laten zij dit gewoonlijk aan Petrus en Paulus over,

die overvloed van tijd hebben, maar nemen al den glans en al het

genot voor zich. En zoo heeft zeker, door mijn toedoen, haast geen

soort van menschen een lekkerder en minder kommervol leven, daar zij

meenen hun plichten jegens Christus volop vervuld te hebben, als zij

door een mystischen en haast op het tooneel thuis behoorenden dos,

door ceremoniën, door de titels van "Zaligheid, Eerwaardigheid"

en "Heiligheid" en door zegeningen en vervloekingen den bisschop

spelen. Wonderen te verrichten is reeds lang verouderd en geheel uit

den tijd: het volk te onderwijzen is moeilijk; de Heilige Schrift te

verklaren schoolvossenwerk: bidden onnut: tranen te storten vervelend

en verwijfd: gebrek te lijden onfatsoenlijk: zich door anderen den

loef te laten afsteken schandelijk en weinig in overeenstemming met

de waardigheid van hem, die ternauwernood zelfs de aanzienlijkste

vorsten tot het kussen zijner zalige voeten toelaat: eindelijk

sterven onaangenaam: aan het kruis geslagen te worden schandelijk. Nu

blijft hun alleen dit over, de wapenen en de zoete zegeningen [330],

waarvan Paulus spreekt, en met deze zijn zij waarlijk mild genoeg,

banvonnissen, schorsingen, aggravaties en redaggravaties [331],

vervloekingen, schilderijen van helsche straffen en dien vrees

inboezemenden bliksem, waardoor zij met één wenk de zielen der menschen

zelfs dieper dan den Tartarus [332] zenden. Evenwel gebruiken die

allerheiligste vaders in Christus en Christus' stedehouders juist

dit wapen tegen niemand met grooter felheid dan tegen hen, die

op aanzetten van den duivel de bezittingen van Petrus trachten te

verminderen en te verkleinen. Ofschoon deze apostel in het Evangelie

zegt: Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd [333], noemen zij

desniettemin landen, steden, belastingen, tollen en heerschappijen

zijn bezitting. Als zij van ijver voor Christus blakend hiervoor

met vuur en zwaard strijden, niet zonder daarbij veel Christenbloed

te vergieten, dan eerst gelooven zij de kerk, Christus' bruid, als

apostelen te verdedigen, door haar vijanden, zooals zij ze noemen,

door hun dapperheid te verslaan. Alsof er verderfelijker vijanden voor

de kerk bestaan dan goddelooze pausen, die én door hun stilzwijgen

Christus doen vergeten én hem binden aan wetten, voordeelshalve

gegeven, én hem door gedwongen verklaringen geweld aandoen én hem

door hun verpestend levensgedrag vermoorden. Ofschoon verder de

Christelijke kerk door bloed is gesticht, door bloed versterkt en

door bloed in wasdom is toegenomen, verdedigen zij hun zaak met het

zwaard, alsof er geen Christus bestond, wiens gewoonte het was, de

zijnen te verdedigen: en ofschoon de oorlog een zoo gruwelijk iets

is, dat hij wilden beesten, niet menschen betaamt, zoo waanzinnig,

dat ook de dichters hem voorstellen als door de Furiën gezonden [334],

zoo verpestend, dat hij een algemeen zedenbederf in zijn gevolg heeft,

zoo onrechtvaardig, dat de gemeenste bandieten hem het best voeren, zoo

goddeloos, dat er tusschen Christus en hem volstrekt geen gemeenschap

bestaat, laten zij toch alle andere dingen achterwege en houden zich

alleen met hem bezig. Hierin kunt gij zelfs afgeleefde grijsaards [335]

een jeugdige kracht zien ontwikkelen, zonder zich te storen aan de

kosten of vermoeid te worden door de inspanning of zich door iets te

laten afschrikken, zoo het hun maar gelukt wetten, godsdienst, vrede

en alle menschelijke zaken onderste boven te werpen. Het ontbreekt ook

niet aan geleerde vleiers, die dezen handtastelijken waanzin ijver,

vroomheid, dapperheid noemen en een weg hebben weten te vinden,

waardoor het mogelijk wordt het doodelijke staal te trekken en in

het ingewand zijns broeders te drijven, zonder dat daardoor aan die

hoogste liefde eenige afbreuk wordt gedaan, die volgens Christus'

voorschrift de Christen zijn naaste schuldig is.

De Lof der Zotheid · 第 66 / 79 题