HOOFDSTUK LVIII.

Kardinalen.

Als de Kardinalen op dezelfde wijze bedenken, dat zij opvolgers der

apostelen geworden zijn en dat daarom van hen gevorderd wordt wat genen

verricht hebben; vervolgens, dat zij geen meesters, maar uitdeelers

aller geestelijke gaven zijn, waarvan zij spoedig zeer nauwkeurig

rekenschap zullen geven: ja, als zij zelfs een weinigje nadenken over

hun kleedij en zoo bij zichzelf redeneeren: wat beteekent deze blanke

kleedij? Niet soms een geheel vlekkeloozen levenswandel? Wat het purper

van mijn onderkleed? Niet soms de vurigste liefde tot God? Wat verder

het opperkleed, dat met zijn ruime plooien zoo wijd golft, dat het

zelfs het geheele muildier van den Hoogeerwaardigen heer omvat, hoewel

het alleen groot genoeg is om zelfs een kameel te bedekken? Beteekent

het niet de liefde, die zich zoo wijd mogelijk uitstrekt om allen

te hulp te komen, d. i. om te leeren, aan te sporen, te troosten,

te berispen, te vermanen, oorlogen bij te leggen, goddelooze vorsten

te weerstaan en niet alleen zijn schatten, maar zelfs zijn bloed

gaarne ten behoeve van de christelijke kudde ten beste te geven? En

waartoe dienen hun ook schatten, daar zij plaatsvervangers zijn van

de arme apostelen? Als zij dit alles overwogen, zeg ik, zouden zij

dat ambt niet begeeren, ja zelfs gaarne daarvan afstand doen of in

allen gevalle een zeer moeilijk en kommervol leven leiden, zooals

die oude apostelen gedaan hebben.

De Lof der Zotheid · 第 65 / 79 题