Kardinalen.
Als de Kardinalen op dezelfde wijze bedenken, dat zij opvolgers der
apostelen geworden zijn en dat daarom van hen gevorderd wordt wat genen
verricht hebben; vervolgens, dat zij geen meesters, maar uitdeelers
aller geestelijke gaven zijn, waarvan zij spoedig zeer nauwkeurig
rekenschap zullen geven: ja, als zij zelfs een weinigje nadenken over
hun kleedij en zoo bij zichzelf redeneeren: wat beteekent deze blanke
kleedij? Niet soms een geheel vlekkeloozen levenswandel? Wat het purper
van mijn onderkleed? Niet soms de vurigste liefde tot God? Wat verder
het opperkleed, dat met zijn ruime plooien zoo wijd golft, dat het
zelfs het geheele muildier van den Hoogeerwaardigen heer omvat, hoewel
het alleen groot genoeg is om zelfs een kameel te bedekken? Beteekent
het niet de liefde, die zich zoo wijd mogelijk uitstrekt om allen
te hulp te komen, d. i. om te leeren, aan te sporen, te troosten,
te berispen, te vermanen, oorlogen bij te leggen, goddelooze vorsten
te weerstaan en niet alleen zijn schatten, maar zelfs zijn bloed
gaarne ten behoeve van de christelijke kudde ten beste te geven? En
waartoe dienen hun ook schatten, daar zij plaatsvervangers zijn van
de arme apostelen? Als zij dit alles overwogen, zeg ik, zouden zij
dat ambt niet begeeren, ja zelfs gaarne daarvan afstand doen of in
allen gevalle een zeer moeilijk en kommervol leven leiden, zooals
die oude apostelen gedaan hebben.