Bisschoppen.
Reeds sinds langen tijd trachten de Pausen, Kardinalen en Bischoppen
met allen ijver de vorsten in hun levensopvatting te evenaren en zij
winnen het zelfs haast van hen. Maar als men eens ernstig overweegt,
waaraan het linnen kleed van sneeuwwitte kleur herinnert, namelijk aan
een in allen opzichte onberispelijk levensgedrag: wat de tweehoornige
myter beteekent, wier beide toppen door denzelfden knoop zijn
samengebonden, b.v. een volmaakte kennis van het nieuwe, zoowel als
van het oude verbond: wat de handen door handschoenen beveiligd, nl. de
reine, van alle besmetting der menschelijke zaken vrije bediening der
Sacramenten: wat de herdersstaf, nl. de nimmer slapende zorg voor de
toevertrouwde kudde: wat het kruis, dat voor hen uit wordt gedragen,
nl. het overwinnen van alle menschelijke hartstochten: als iemand
dit alles, zeg ik, en nog zooveel meer overweegt, zal hij dan geen
droevig en kommervol leven leiden? Maar nu hebben zij een lekker
leventje, terwijl zij zichzelf vet mesten. En wat verder de zorg
voor hun schapen aangaat, die laten zij of aan Christus zelf over,
of zij dragen haar op aan de broeders, zooals zij ze noemen, en aan
plaatsvervangers. Zij herinneren zich zelfs de beteekenis van hun naam,
bisschop (opziener), niet, waardoor toch arbeid, zorg en kommer wordt
aangeduid. Maar als het aankomt op het inpalmen van geld, dan treden
zij geheel als bisschoppen op en dan is hun bisschopschap niet ijdel.