HOOFDSTUK LVII.

Bisschoppen.

Reeds sinds langen tijd trachten de Pausen, Kardinalen en Bischoppen

met allen ijver de vorsten in hun levensopvatting te evenaren en zij

winnen het zelfs haast van hen. Maar als men eens ernstig overweegt,

waaraan het linnen kleed van sneeuwwitte kleur herinnert, namelijk aan

een in allen opzichte onberispelijk levensgedrag: wat de tweehoornige

myter beteekent, wier beide toppen door denzelfden knoop zijn

samengebonden, b.v. een volmaakte kennis van het nieuwe, zoowel als

van het oude verbond: wat de handen door handschoenen beveiligd, nl. de

reine, van alle besmetting der menschelijke zaken vrije bediening der

Sacramenten: wat de herdersstaf, nl. de nimmer slapende zorg voor de

toevertrouwde kudde: wat het kruis, dat voor hen uit wordt gedragen,

nl. het overwinnen van alle menschelijke hartstochten: als iemand

dit alles, zeg ik, en nog zooveel meer overweegt, zal hij dan geen

droevig en kommervol leven leiden? Maar nu hebben zij een lekker

leventje, terwijl zij zichzelf vet mesten. En wat verder de zorg

voor hun schapen aangaat, die laten zij of aan Christus zelf over,

of zij dragen haar op aan de broeders, zooals zij ze noemen, en aan

plaatsvervangers. Zij herinneren zich zelfs de beteekenis van hun naam,

bisschop (opziener), niet, waardoor toch arbeid, zorg en kommer wordt

aangeduid. Maar als het aankomt op het inpalmen van geld, dan treden

zij geheel als bisschoppen op en dan is hun bisschopschap niet ijdel.

De Lof der Zotheid · 第 64 / 79 题