Hovelingen.
Wat zal ik nu van de hovelingen zeggen? Ofschoon de meesten van hen de
meest kruipende, slaafsche, laffe en lage wezens zijn, willen zij toch
voor de eersten in alles doorgaan. Slechts in dit ééne opzicht zijn
zij hoogst bescheiden, dat zij zich tevreden stellen goud, paarlen,
purper en de overige teekenen van deugd en wijsheid te pronk te dragen,
maar de beoefening dier eigenschappen zelf gaarne in haar geheel aan
anderen overlaten. Zij verbeelden zich hierom volop gelukkig te zijn,
omdat zij den koning "Heer" mogen noemen, omdat zij met drie woorden
[326] hebben leeren groeten, omdat zij hoofsche titels telkens weten
te pas te brengen: "zijn Doorluchtigheid, zijn Hoogheid" en "zijn
Majesteit," omdat zij alle schaamtegevoel volkomen hebben afgelegd en
aardig weten te vleien. Want dat zijn de eigenschappen, die een waar
edelman en hoveling behoort te bezitten. Maar als gij hun levenswijze
meer van nabij bekijkt, dan zult ge ongetwijfeld vinden, dat zij,
evenals de Phaeaciërs en de vrijers van Penelope, een lui en lekker
leventje leiden; het overige van het liedje kent ge wel, zoodat de
Echo het U beter zal verhalen dan ik [327]. Men slaapt tot den middag;
dan staat er een huiskapelaan bij hun bed om, terwijl men nog haast
op bed ligt, vlug een mis te lezen. Dan spoedig iets gebruiken en
men heeft dit nauwelijks op, of het tweede ontbijt wacht. Daarna
houdt men zich bezig met dobbelen, schaakspel, loterij, hansworsten,
narren, lichtekooien, aardigheden, onwelvoegelijkheden. Intusschen
neemt men weer de een of andere versnapering. Dan is de beurt weer aan
het middagmaal, waarop drinkgelagen volgen, die zich waarachtig niet
tot één bepalen. En zoo gaan, zonder dat het leventje ooit verveelt,
uren, dagen, maanden, jaren en geslachten voorbij. Zelf ga ik soms
met een gevoel van welgedaanheid heen, als ik hen een grooten staat
zie maken, terwijl onder de hofdames ieder zich des te nader bij
de goden rekent, naarmate zij een grooter sleep draagt, terwijl de
eene edelman den ander met zijn arm voortduwt om zoo te schijnen
dichter bij zijn Jupiter te zijn, terwijl ieder des te hooger dunk
van zichzelf heeft, naarmate de ketting, die hij torst, zwaarder is,
opdat hij zoo ook zijn kracht, niet slechts zijn rijkdom kan toonen.