Vorsten.
Maar ik laat die acteurs, die even ondankbare verloochenaars mijner
weldaden als goddelooze schijnheiligen zijn, gaarne rusten. Want ik
wensch reeds lang het een en ander in het midden te brengen over de
vorsten en hooggeplaatste hovelingen, die mij zoo ongehuicheld en met
een zulken edelen mannen waardige rondborstigheid dienen. Als zij maar
een greintje gezond verstand hadden, zou er dan iets droevigers of
afschuwelijkers bestaan dan hun leven? Want geen mensch ter wereld zal
wel door een meineed of vadermoord de heerschappij meer willen koopen,
als hij bedenkt, welk een reusachtigen last hij op zijn schouders
torst, die inderdaad als vorst wil optreden. Immers hij, die het
roer van staat hanteert, heeft de algemeene, niet zijn eigen zaken
te behartigen; hij behoort over niets dan over de staatsbelangen te
denken; hij mag van de wetten, die hij zelf niet alleen geeft, maar ook
uitvoert, zelfs geen duimbreed afwijken; hij moet de eerlijkheid van
alle overheden en beambten waarborgen; hij alleen is aan aller blikken
blootgesteld, daar hij of als een goed gesternte door onbesproken
gedrag de wereld hoogst gelukkig, of als een verderfelijke komeet
haar diep ongelukkig kan maken. Hij vergete niet, dat de ondeugden
van andere menschen niet zoozeer gevoeld worden noch haar gevolgen
zich zoover uitstrekken; dat een vorst op zulk een hoog standpunt zich
bevindt, dat, als hij maar een weinig van den weg der deugd afwijkt,
hij al dadelijk het leven van een groot aantal menschen bederft,
voorts omdat de bevoorrechte toestand der vorsten zooveel meebrengt,
dat hen op een dwaalspoor voert, als daar zijn genietingen, vrijheid,
pluimstrijkerij, weelde, hij daarom des te meer zijn best moet doen en
zorgvuldiger waken, dat hij zelfs niet door het bedrog van anderen in
het vervullen van zijn plichten te kort schiet: eindelijk, om nu niet
te spreken van al de lagen en den haat, waaraan hij blootgesteld is,
en al wat hem gevaar en vrees veroorzaakt, dat hem het oordeel van
dien waren koning boven het hoofd hangt, die na korten tijd van hem
rekenschap zal vorderen van ook het kleinste vergrijp en dit des te
strenger, hoe hooger hij in het bewind geplaatst is geweest. Als een
vorst dit, zeg ik, en zeer veel van dien aard bij zich overwoog,--en
dit zou hij doen, als hij wijs was--dan zou hij evenmin lekker kunnen
slapen als eten. Maar nu hebben zij 't aan mijn goedheid te danken dat
zij al deze zorgen aan de goden overlaten, zelf een lekker leventje
leiden en naar niemand luisteren behalve naar hem, die hun iets
aangenaams weet te zeggen, om zoo van alle kommer vrij te blijven. Zij
gelooven hun taak als vorst in alle opzichten vervuld te hebben, als
zij gedurig jagen, als zij mooie paarden houden, als zij ambten en
posten te hunnen bate verkoopen, als zij dagelijks nieuwe middelen
uitdenken om de beurzen hunner onderdanen lichter en hun schatkist
zwaarder te maken, maar zoo, dat zij geschikte gronden weten te vinden
om deze handelwijze, ook al is zij hoogst onbillijk, toch eenigen
schijn van billijkheid te geven. Zij voegen daarbij met opzet een
weinig vleierij om zoo de gemoederen van hun volk, hoe dan ook, voor
zich in te nemen. Stelt u hen eens voor oogen, zooals zij niet zelden
zijn, onbekend met de wetten, schier vijanden van de staatsbelangen,
immer tuk op hun eigen voordeel, de slaven der zinnelijkheid, vol
afkeer van geleerdheid, vol afkeer ook van de vrijheid en waarheid,
over niets minder dan over het heil van den staat denkende, maar alles
naar hun willekeur en naar hun belang afmetende; geeft vervolgens zulk
een vorst een gouden halsketting, het toonbeeld van alle eendrachtig
samenhangende deugden; voorts een met paarlen versierde kroon, zeker
bestemd om hem te herinneren, dat hij in alle heldendeugden boven zijn
medemenschen moet uitmunten; daarenboven een schepter, het symbool
der rechtvaardigheid en volslagen onomkoopbaarheid; eindelijk den
purperen mantel, het bewijs van een warme liefde jegens den staat:
als een vorst deze dracht vergeleek met zijn levenswandel, dan geloof
ik, dat hij zich diep zou schamen over zijn sieraden en vreezen,
dat de een of ander neuswijze schelm dezen tragischen opschik zoo
zou verklaren, dat de drager een voorwerp van den algemeenen spot werd.