HOOFDSTUK LV.

Vorsten.

Maar ik laat die acteurs, die even ondankbare verloochenaars mijner

weldaden als goddelooze schijnheiligen zijn, gaarne rusten. Want ik

wensch reeds lang het een en ander in het midden te brengen over de

vorsten en hooggeplaatste hovelingen, die mij zoo ongehuicheld en met

een zulken edelen mannen waardige rondborstigheid dienen. Als zij maar

een greintje gezond verstand hadden, zou er dan iets droevigers of

afschuwelijkers bestaan dan hun leven? Want geen mensch ter wereld zal

wel door een meineed of vadermoord de heerschappij meer willen koopen,

als hij bedenkt, welk een reusachtigen last hij op zijn schouders

torst, die inderdaad als vorst wil optreden. Immers hij, die het

roer van staat hanteert, heeft de algemeene, niet zijn eigen zaken

te behartigen; hij behoort over niets dan over de staatsbelangen te

denken; hij mag van de wetten, die hij zelf niet alleen geeft, maar ook

uitvoert, zelfs geen duimbreed afwijken; hij moet de eerlijkheid van

alle overheden en beambten waarborgen; hij alleen is aan aller blikken

blootgesteld, daar hij of als een goed gesternte door onbesproken

gedrag de wereld hoogst gelukkig, of als een verderfelijke komeet

haar diep ongelukkig kan maken. Hij vergete niet, dat de ondeugden

van andere menschen niet zoozeer gevoeld worden noch haar gevolgen

zich zoover uitstrekken; dat een vorst op zulk een hoog standpunt zich

bevindt, dat, als hij maar een weinig van den weg der deugd afwijkt,

hij al dadelijk het leven van een groot aantal menschen bederft,

voorts omdat de bevoorrechte toestand der vorsten zooveel meebrengt,

dat hen op een dwaalspoor voert, als daar zijn genietingen, vrijheid,

pluimstrijkerij, weelde, hij daarom des te meer zijn best moet doen en

zorgvuldiger waken, dat hij zelfs niet door het bedrog van anderen in

het vervullen van zijn plichten te kort schiet: eindelijk, om nu niet

te spreken van al de lagen en den haat, waaraan hij blootgesteld is,

en al wat hem gevaar en vrees veroorzaakt, dat hem het oordeel van

dien waren koning boven het hoofd hangt, die na korten tijd van hem

rekenschap zal vorderen van ook het kleinste vergrijp en dit des te

strenger, hoe hooger hij in het bewind geplaatst is geweest. Als een

vorst dit, zeg ik, en zeer veel van dien aard bij zich overwoog,--en

dit zou hij doen, als hij wijs was--dan zou hij evenmin lekker kunnen

slapen als eten. Maar nu hebben zij 't aan mijn goedheid te danken dat

zij al deze zorgen aan de goden overlaten, zelf een lekker leventje

leiden en naar niemand luisteren behalve naar hem, die hun iets

aangenaams weet te zeggen, om zoo van alle kommer vrij te blijven. Zij

gelooven hun taak als vorst in alle opzichten vervuld te hebben, als

zij gedurig jagen, als zij mooie paarden houden, als zij ambten en

posten te hunnen bate verkoopen, als zij dagelijks nieuwe middelen

uitdenken om de beurzen hunner onderdanen lichter en hun schatkist

zwaarder te maken, maar zoo, dat zij geschikte gronden weten te vinden

om deze handelwijze, ook al is zij hoogst onbillijk, toch eenigen

schijn van billijkheid te geven. Zij voegen daarbij met opzet een

weinig vleierij om zoo de gemoederen van hun volk, hoe dan ook, voor

zich in te nemen. Stelt u hen eens voor oogen, zooals zij niet zelden

zijn, onbekend met de wetten, schier vijanden van de staatsbelangen,

immer tuk op hun eigen voordeel, de slaven der zinnelijkheid, vol

afkeer van geleerdheid, vol afkeer ook van de vrijheid en waarheid,

over niets minder dan over het heil van den staat denkende, maar alles

naar hun willekeur en naar hun belang afmetende; geeft vervolgens zulk

een vorst een gouden halsketting, het toonbeeld van alle eendrachtig

samenhangende deugden; voorts een met paarlen versierde kroon, zeker

bestemd om hem te herinneren, dat hij in alle heldendeugden boven zijn

medemenschen moet uitmunten; daarenboven een schepter, het symbool

der rechtvaardigheid en volslagen onomkoopbaarheid; eindelijk den

purperen mantel, het bewijs van een warme liefde jegens den staat:

als een vorst deze dracht vergeleek met zijn levenswandel, dan geloof

ik, dat hij zich diep zou schamen over zijn sieraden en vreezen,

dat de een of ander neuswijze schelm dezen tragischen opschik zoo

zou verklaren, dat de drager een voorwerp van den algemeenen spot werd.

De Lof der Zotheid · 第 62 / 79 题