Religieuzen en monniken.
Het dichtst bij hun geluk komen zij, die zich gewoonlijk religieuzen
en monniken [294] noemen: beide benamingen zijn geheel onjuist, omdat
niet alleen een aanzienlijk gedeelte van hen verre van religieus is,
maar men hen ook meer dan andere menschen op alle plaatsen aantreft. Ik
ben overtuigd, dat nergens ellendiger wezens zouden bestaan, als ik
hun niet in veel opzichten te hulp kwam. Want ofschoon allen dit slag
van menschen zoozeer verfoeien, dat ook een toevallige ontmoeting vast
voor een slecht voorteeken doorgaat, koesteren zij in hun eigenliefde
van zichzelf toch de hoogste gedachten. Vooreerst achten zij het
een bewijs van de hoogste vroomheid, als zij zich zoo ver houden van
alle wetenschap, dat zij zelfs niet kunnen lezen. Voorts als zij hun
psalmen, die zij wel tellen, maar niet begrijpen, met hun ezelsstemmen
in de kerken uitbalken, dan gelooven zij de ooren der heiligen
hoogst aangenaam te streelen. Er bevinden zich ook eenigen onder hen,
die met hun morsigheid en armoede te koop loopen en voor de deuren
met luid gebrul brood vorderen, ja zelfs in alle herbergen, voer-
en vaartuigen het hoogste woord voeren, waarlijk niet zonder groote
schade voor de overige bedelaars. En op zulke wijze beweren die lieve
luidjes door smerigheid, onwetendheid, lompheid en onbeschaamdheid
ons het beeld van de apostelen weer voor oogen te stellen! Maar wat
is koddiger dan hen alles te zien doen volgens een voorschrift, als
het ware onder toepassing van wiskundige berekeningen, die het zonde
zou zijn te verwaarloozen! Dit geldt van het aantal knoopen van hun
sandalen, van de kleur hunner gordels, van het verschil in kleeding en
de stof, waaruit die vervaardigd is, van de breedte van hun gordel in
stroohalmen gemeten, van den vorm en omvang, die hun kap moet bezitten,
van de grootte hunner tonsuur in duimen uitgedrukt en van de uren,
die men behoort te slapen. En toch ziet iedereen duidelijk in,
hoe ongelijk deze gelijkheid is bij zulk een verschil tusschen de
menschen naar lichaam en geest. Zij echter achten zich op grond van
deze beuzelingen niet slechts hoog boven anderen verheven, maar zij
minachten ook elkander onderling en die belijders van de apostolische
liefde brengen hemel en aarde in beweging wegens een kleed met een
gordel buiten model of eenigszins te donker van kleur. Men kan onder
hen eenigen aantreffen, die zoo streng religieus zijn, dat zij geen
ander opperkleed willen gebruiken dan van geitenhaar en geen ander
onderkleed dan van fijne wol; anderen daarentegen dragen boven linnen,
onder wol; weder anderen zijn even bang voor het aanraken van geld
als voor het zwaarste vergif, zonder dat zij zich daarom van wijn of
vrouwen onthouden. Eindelijk geven zij zich hiervoor verbazend veel
moeite om onderling in levenswijze geheel te verschillen. Wel verre
van zich in te spannen om aan Christus gelijk te worden, is het hun
veeleer te doen om ongelijk te zijn aan elkander. Voorts bestaat een
groot gedeelte van hun geluk in hun bijnamen. Dezen scheppen behagen
in den naam van Koorddragers (Kordeliers), van wie eenigen Coleten
[295], anderen Minderbroeders [296], weer anderen Minstebroeders [297],
nog anderen Bullisten [298] heeten. Dezen noemen zich Benedictijnen
[299], genen Bernardijnen [300], dezen Brigidensen [301], genen
Augustijnen [302], dezen Willemieten [303], genen Jacobieten [304],
alsof het waarachtig te min ware Christenen te heeten. Velen hunner
hechten zooveel aan hun ceremoniën en kinderachtige, door menschen
geschapen, gewoonten, dat zij één hemel nog een schrale belooning
achten voor hun schitterende verdiensten, waarbij zij niet bedenken,
dat Christus, zonder op dit alles te letten, rekenschap van hen zal
vorderen omtrent het opvolgen van zijn hoofdgebod, dat der christelijke
liefde. De een zal dan op zijn buikje wijzen, dat dik en gespannen
is door 't eten van allerlei visch [305]. Een ander zal optellen,
hoe duizenden malen hij gevast heeft en zal in rekening brengen,
dat zijn buik zoo vaak door een enkelen maaltijd haast gebarsten
is. Nog een ander zal met een hoop ceremoniën aankomen, zoo groot,
dat ze nauwelijks op zeven vrachtschepen kunnen vervoerd worden. Nog
een ander zal er zich op beroemen, dat hij gedurende zestig jaar nooit
een stuk geld heeft aangeraakt, dan met twee paar handschoenen om de
vingers. Nog een ander zal met een monnikskap komen aandragen, zoo
vuil en grof, dat zelfs geen schipper die aan zijn lijf zou willen
hebben. Weer een ander zal in herinnering brengen, dat hij meer dan
vijf en vijftig jaar als een spons zijn leven gesleten heeft, altijd
vastgehecht aan dezelfde plek. Nog een ander zal aankomen met een stem
heesch door zijn onafgebroken zingen, weer een ander met slaapziekte,
die hij zich door het leven in de eenzaamheid op den hals heeft
gehaald, een ander met een tong, die onbruikbaar is geworden door
zijn onafgebroken stilzwijgen. Maar Christus zal hen in hun anders
eindelooze snoeverijen stuiten met de vraag: "Vanwaar komt toch wel
dit nieuwe soort van Joden [306]? Slechts één enkele wet erken ik in
waarheid als de mijne, de eenige, waarover ik niets hoor. Reeds vroeger
heb ik openlijk en onbewimpeld, zonder mij van eenige gelijkenis te
bedienen, de erfenis mijns vaders beloofd niet aan monnikskappen,
schietgebedjes of langdurig vasten, maar aan het betrachten van
de liefde. Evenmin ken ik hen, die hun eigen goede werken maar al
te goed kennen: zij, die voor nog heiliger dan ik willen doorgaan,
mogen, zoo 't hun lust, zich een plaats verwerven in de hemelen der
Abraxiërs [307] of voor zich een nieuwen hemel laten bouwen door hen,
wier praatjes zij gesteld hebben boven mijn lessen."
Als zij die woorden hooren en zien, dat schippers en voerlieden hen
voorgaan, met welke gezichten zullen zij dan, denkt gij wel, elkaar
aanzien? Maar intusschen gevoelen zij zich door hun hoop gelukkig,
hetgeen zij zeker in niet geringe mate aan mijn goedheid te danken
hebben. Ofschoon zij zich niet met het staatsbestuur inlaten, heeft
ieder toch met hen te rekenen, vooral met de bedelmonniken, omdat zij
alle geheimen van de geheele wereld kennen uit den biechtstoel. Wel
achten zij het ongeoorloofd deze geheimen te verraden, maar zij
doen het toch, als zij soms te veel gedronken hebben en elkander met
prettige verhaaltjes willen amuseeren: zij laten dan enkel de zaak
gissen en verzwijgen de namen. Als iemand die wespen vertoornt, weten
zij zich in hun volkssermoenen maar al te goed te wreken en hekelen
hun vijand door hatelijke toespelingen, zoo ondubbelzinnig, dat men
al heel dom moet zijn om hen niet te verstaan. Zij houden niet op
tegen hem te blaffen, voordat men hun een lekker hapje toewerpt [308].
Zeg mij eens, welken potsenmaker, welken marktschreeuwer zoudt gij
liever willen zien dan die luidjes, wanneer zij bij hun preeken zoo
allerpotsierlijkst redevoeren en toch daarbij, tot aller vermaak,
de voorschriften trachten op te volgen, welke de meesters in de
welsprekendheid gegeven hebben? Goede hemel, wat maken zij een
gebaren, wat weten zij naar omstandigheden hun stem te veranderen,
wat spreken zij zangerig, wat zwaaien zij heen en weer, wat trekken
zij telkens weer andere gezichten, wat vullen zij de heele kerk met
hun geschreeuw! En deze kunst van preeken gaat van hand tot hand
van het eene broedertje naar het andere, alsof het een groot geheim
was. Ofschoon ik er eigenlijk niets van mag weten, wil ik toch op de
gis af het een en ander daaromtrent meedeelen. Eerst roepen zij de
hulp van boven in, een gewoonte, die zij van de dichters overgenomen
hebben; vervolgens, als zij over de christelijke liefde het woord
zullen voeren, ontleenen zij hun inleiding aan de Egyptische rivier
den Nijl, of als zij de geheimenis van het kruis zullen uiteenzetten,
dan is het zeker een gelukkige vondst met den Babylonischen draak
Bel [309] te beginnen, of als zij over het vasten willen spreken,
dan vangen zij aan met de twaalf teekens van den dierenriem, of als
zij het geloof tot hun onderwerp gekozen hebben, houden zij een lange
voorafspraak over de kwadratuur van den cirkel. Zelf ben ik onder het
gehoor geweest van iemand, die bij uitstek zot was--ik vergiste me,
geleerd was, wilde ik zeggen--: toen hij voor een zeer talrijk gehoor
de geheimenis van de goddelijke drieëenheid zou uiteenzetten sloeg hij,
om een proef te geven van zijn buitengewone geleerdheid en tevens de
ooren der Godgeleerden te voldoen, een geheel nieuwen weg in. Hij begon
namelijk met de letters, de lettergrepen en de woorden en behandelde
verder de overeenstemming van naamwoord en werkwoord, van bijvoegelijk
en zelfstandig naamwoord tot groote bevreemding van velen, van wie
sommigen reeds het bekende gezegde van Horatius in hun baard bromden:
Wat wil hij toch met al dien flauwen onzin? Ten slotte kwam zijn betoog
hierop neer, dat in de eerste beginselen der spraakkunst het beeld
der geheele drieëenheid in zulke scherpe omtrekken voorhanden was,
dat geen wiskunstenaar het op het bord duidelijker kon teekenen. Aan
deze rede had deze groote godgeleerde volle acht maanden zoo in
het zweet zijns aanschijns gewerkt, dat hij ook thans nog slechter
ziet dan een mol; geen wonder, want hij heeft zeker al de scherpte
zijner oogen verbruikt aan het wetten van zijn geest. Maar de man
voelt volstrekt geen spijt over het verlies van zijn gezicht en hij
gelooft veeleer, dat hij zijn roem voor een geringen prijs heeft
gekocht. Ik heb ook onder het gehoor van een anderen prediker van
tachtig jaar gezeten, die zulk een Godgeleerde was, dat men kon
meenen Scotus zelf in levenden lijve weer voor zich te zien. Toen
hij de geheimenis van Jezus' naam den volke zou uitleggen, betoogde
hij met een verbazende scherpzinnigheid, dat al wat daaromtrent kan
gezegd worden, reeds in de letters zelf van het woord school. Want dat
het woord slechts in drie naamvallen verbogen wordt, was volgens hem,
blijkbaar een beeld van de goddelijke drieëenheid. Voorts was hierin
een onuitsprekelijke geheimenis verborgen, dat de eerste naamval
Jesus uitging op s, de vierde Jesum op m en de derde Jesu op u,
want door deze drie lettertjes werd aangeduid, dat hij de summus,
medius en ultimus [310] is. Met den passer was een nog diepzinniger
geheim in het woord te vinden. Hij splitste Jesus zoo in twee
gelijke deelen, dat natuurlijk de derde letter in het midden bleef
staan. Vervolgens bewees hij, dat die letter in het Hebreeuwsch Syn
heet, welk woord in de Schotsche taal, zoo ik mij niet vergis, zonde
[311] beteekent, waaruit zonneklaar zou blijken, dat Jesus de zonden
der wereld wegneemt. Naar dezen zoo vreemden aanhef zaten allen,
bovenal de Godgeleerden, van verbazing met open mond te luisteren,
zoodat het weinig scheelde, of het ware hun gegaan als vroeger Niobe
[312]; maar mij zou haast hetzelfde overkomen zijn als den Priapus van
vijgenhout, die tot zijn ongeluk toeschouwer was van Canidia en Sagana
[313]. Daar bestond waarlijk wel reden voor. Want wanneer heeft bij
de Grieken de beroemde Demosthenes, of bij de Romeinen Cicero zulk
een slimme inleiding uitgedacht? Zij beschouwden elke inleiding
als gebrekkig, die niet behoorlijk samenhing met hun onderwerp:
zij vroegen, of niet ook de zwijnenhoeders op zoo'n wijze beginnen,
wier eenige leermeesteres immers de natuur is. Maar deze geleerde
lui meenen, dat hun "voorlooper"--zoo noemen zij het--dan eerst bij
uitstek aan de eischen der redekunst zal voldoen, als hij nergens
iets met den overigen inhoud gemeen heeft, zoodat hun hoorder vol
verwondering die bekende woorden [314] bij zichzelf mompelt: Waar moet
dat nu heen? In de derde plaats [315] verklaren zij, als eigenlijke
preek, een klein stukje uit het evangelie, maar zij doen dit haastig
en oppervlakkig, terwijl dit alleen hoofdzaak behoorde te zijn. In de
vierde plaats neemt de spreker een geheel ander karakter aan en brengt
een theologische kwestie ter sprake, welke dikwijls tusschen hemel en
aarde zweeft, in de meening, dat ook dit tot de kunst behoort. Dan
eerst komt de theologische trots recht voor den dag en zij proppen
ons de ooren vol met allerlei prachtige namen, als daar zijn: verheven
leeraars, scherpzinnige en hoogstscherpzinnige leeraars, onweerlegbare
leeraars [316], enz. Dan schermen zij tegenover het domme volk met
syllogismen, maior's, minor's [317], conclusies, corollariën [318],
de flauwste supposities en meer dan scholastieken onzin. Zoo rest nog
het vijfde bedrijf, waarin de spreker zich een volmaakt kunstenaar
behoort te toonen. Dan komen zij me aan met het een of ander zot en
dom sprookje, ontleend, zoo ik het wel heb, aan den Spieghel historiael
[319] of de Jeesten der Romeinen [320], en geven er een allegorische,
zedekundige en godsdienstige verklaring van. En op deze wijze raken
zij gereed met hun Chimaera, een monster, zooals zelfs Horatius zich
niet kon voorstellen, toen hij een schilderij beschreef waarop een
wezen voorkwam o.a. met een vrouwenkop op een paardennek [321]. Maar
zij hebben een klokje hooren luiden, dat het begin eener rede bedaard
en volstrekt niet schreeuwerig behoort te zijn. Daarom beginnen zij,
als zij aanheffen, zoo zacht, dat zij zelf hun eigen stem niet hooren,
alsof het eenig nut had iets te zeggen, dat niemand verstaat. Hun is
ter oore gekomen, dat men nu en dan heftige uitroepen moet gebruiken
om de harten der hoorders te roeren. Daarom verheffen zij, terwijl ze
overigens zacht spreken, nu en dan plotseling hun stem en schreeuwen
als bezetenen, ook wanneer dit volstrekt niet noodig is. Men zou
zweren, dat de man nieskruid [322] noodig heeft, daar hij meent, dat
zoo'n stemverheffing een onverschillige zaak is. Daarenboven omdat
zij gehoord hebben, dat de taal der preek gaandeweg warmer behoort te
worden, zetten zij bij de verschillende deelen, na het begin, zoo goed
als het gaat, te hebben voorgedragen, spoedig hun stem ook bij het
dorste onderwerp op een verbazende wijze uit, zoodat men eindelijk,
als zij ophouden, denkt, dat hun de adem begeven heeft. Ten slotte
hebben zij geleerd, dat ook de boert een eisch der redekunst is,
en daarom trachten zij ook zelf hun rede met eenige kwinkslagen te
kruiden, maar lieve Venus [323], zoo geestig en zoo van pas, dat men
er niets anders van kan zeggen dan: Een ezel bij de lier [324]. Ook
bijten zij somtijds, maar zij doen dit zoo, dat ze meer kittelen
dan wonden. Dán kan men hen het zekerst vleiers noemen, als zij het
willen doen voorkomen, dat zij ronduit de waarheid zeggen. Kortom hun
geheele voordracht is van dien aard, dat men zou zweren, dat zij alles
van marktschreeuwers geleerd hebben, die het trouwens verre van hen
winnen. Toch gelijken beide soorten van lieden zoozeer op elkander,
dat niemand kan twijfelen, of dezen hebben van genen of genen van
dezen hun kunst van spreken geleerd. Natuurlijk door mijn toedoen
vinden dezen toch nog lieden, die, als zij naar hen luisteren,
meenen zich onder het gehoor van onvervalschte Demosthenessen en
Cicero's te bevinden. Hiertoe behooren voornamelijk de kooplieden
en de vrouwen, wier ooren zij alleen trachten te behagen, omdat de
eersten hun een klein gedeelte van het oneerlijk verworven goed
als buit plegen af te staan, als zij hun maar goed naar den mond
weten te praten. De laatsten zijn om deze reden vooral dien stand
genegen, omdat zij gewoonlijk in hun boezem alle grieven uitstorten,
die zij soms tegen hun mannen koesteren. Nu ziet ge, geloof ik, wel
in, hoeveel verplichting dit slag van menschen jegens mij heeft,
daar zij door allerlei onbeduidende plechtigheden en belachelijke
dwaasheden, gepaard aan een hard geschreeuw, een soort van tirannie
over de wereld uitoefenen en zich met mannen als Paulus en Antonius
[325] op een lijn stellen.