Godgeleerden.
Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te
gaan en niet in dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te
maken, omdat dit slag van menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar
is. Zij zouden mij misschien bij drommen met duizenden conclusies te
lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit mocht weigeren, op
staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij
staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst
aan te jagen, wien zij niet bijzonder genegen zijn. Inderdaad,
al valt het hun meer dan anderen zwaar mijn weldaden te erkennen,
toch hebben ook zij groote verplichting aan mij. Gelukkig door
hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel [263]
woonden, op alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte
haast met een gevoel van medelijden neer. Veilig achter een drom van
magistrale bepalingen, sluitredenen, gevolgtrekkingen, ontwikkelde en
ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal van schuilhoeken,
dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden
[264]. Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen,
waardoor zij alle knoopen als met een bijl van Tenedos doorhakken
[265], en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden en monsterachtige
uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun
goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze
de wereld geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde
over het nageslacht gekomen is; op welke wijzen, in welke grootte
en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der heilige maagd
voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstige dingen afgescheiden
van de substantie kunnen bestaan [266]. Maar dit is werk voor Jan
en alleman. De volgende strijdvragen achten zij eerst groote en, om
hun eigen woorden te bezigen, verlichte Godgeleerden waardig. Daarom
worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht wakker: kan er
sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is
Christus in meer dan één opzicht God's zoon? Is de stelling mogelijk:
God, de vader, haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een
vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen? Maar dan:
hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen verricht hebben en hoe had
hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd hebben, als hij het
misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus' lichaam aan
het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch
hebben kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten
of te drinken? Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen
nemen tegen dien honger en dorst in de toekomst. Zij beschikken
verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen, over
begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden,
wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die
zulke scherpe oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste
duisternis heen het nergens bestaande waar te nemen. Voeg hierbij
nu hun stelregels, zoo paradoxaal, dat zelfs die orakelspreuken der
Stoïcijnen [267], die men paradoxen pleegt te noemen, in vergelijking
hiermede voor de platste en meest alledaagsche volkswijsheid kunnen
doorgaan; zoo beweren zij bijv., dat het een lichter misdrijf is,
duizend menschen van kant te maken dan éénmaal op den dag des Heeren
een schoen voor een armen drommel te naaien, en dat het beter is de
geheele wereld met al haar hebben en houden te laten vergaan, dan
een enkel leugentje te zeggen, hoe onschuldig het ook moge zijn. Dan
maken zij deze haarfijne fijnigheden nog fijner door allerlei middelen
der scholastiek, zoodat men nog eerder uit de ergste doolhoven een
uitweg kan vinden dan uit de ingewikkelde vertoogen der Realisten,
Nominalisten, Thomisten, Albertisten, Occamisten, Scotisten [268];
en nu heb ik nog niet eens alle, maar slechts de voornaamste sekten
opgenoemd. Zij allen bezitten zooveel geleerdheid, maar zijn ook
zoo moeilijk te begrijpen, dat de apostelen zelf, naar ik meen,
een geheel anderen geest zouden noodig hebben, als zij over deze
onderwerpen met dit nieuwerwetsche geslacht van Godgeleerden moesten
handgemeen worden. Zeker Paulus zou zijn geloofsmoed kunnen toonen,
maar als hij zegt: [269] Het geloof is een vaste grond der dingen,
die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, dan strookt
zijn bepaling al zeer weinig met den geest onzer magisters. Al was
hij ook een voorbeeld van de christelijke liefde, zoo voldoen toch
zijn verdeelingen evenmin als zijn bepalingen in het 13de hoofdstuk
van den 1sten brief aan de Corinthiërs [270] aan de voorschriften
der disputeerkunst. Wel vierden de apostelen vroom het avondmaal,
maar als men hen ondervraagd had over de transsubstantiatie en de
tijdgrenzen, waarbinnen die valt, over de wijze, waarop hetzelfde
lichaam op verschillende plaatsen kan zijn, over het verschil tusschen
Christus' lichaam in den hemel, aan het kruis en bij het sacrament
van het avondmaal, op welk tijdstip de transsubstantiatie [271]
plaats heeft, daar toch het geheel der rede, waardoor zij tot stand
komt, zich in elkaar opvolgende woorden laat oplossen, dan zouden
zij, mijns bedunkens, niet met dezelfde scherpzinnigheid geantwoord
hebben, als waarmee de jongeren van Scotus dit alles bespreken en
onderscheiden. Zij kenden Jezus' moeder, maar wie hunner wist zoo
wijsgeerig als onze Godgeleerden aan te toonen, hoe zij bewaard is
gebleven voor de van Adam geërfde zonde? Petrus ontving de sleutels
en hij ontving ze van dengene, die ze zeker niet aan een onwaardige
zou toevertrouwen, maar toch geloof ik niet, dat hij de fijne kwestie
begrepen heeft--in alle gevalle heeft hij haar nergens aangeroerd--,
hoe de sleutel der wetenschap ook in het bezit van hem kan zijn,
die geen wetenschap bezit [272]. Zij doopten overal en toch hebben zij
nergens onderwezen, waarin de bepaling van den doop bestaat, wat vorm
en materie, bewerkende oorzaak en strekking betreft [273], en evenmin
vindt men bij hen van zijn uitwischbaar of onuitwischbaar karakter
[274] melding gemaakt. Zij baden wel, maar in den geest, zich houdend
aan het bekende Evangeliewoord: God is een geest, en die Hem aanbidden,
moeten Hem aanbidden in geest en waarheid [275]. Maar het blijkt niet,
dat hun toen geopenbaard is, dat men met denzelfden eerbied als tot
Christus zelf moet bidden tot een beeldje, met houtskool op een wand
geteekend, als het slechts twee uitgestoken vingers, lang haar en
aan den aan het achterhoofd bevestigden stralenkrans drie punten heeft.
Immers wie kan dat begrijpen zonder zes en dertig volle jaren te hebben
zoek gebracht met de natuurkunde en de bovennatuurkunde van Aristoteles
en Scotus? Telkens opnieuw prenten de apostelen ons de leer der genade
in, maar zij maken nergens een onderscheid tusschen de genade, die
iemand in het bijzonder geschonken wordt, en de heiligmakende genade
[276]. Zij sporen aan tot goede werken, maar maken geen onderscheid
tusschen het werk met het oog op den werker en het werk op zichzelf
beschouwd [277]. Zij prenten ons overal de christelijke liefde in
zonder de aangeborene van de verworvene te scheiden en verklaren niet,
of zij iets bijkomstigs dan wel iets essentieels, iets geschapens dan
wel iets ongeschapens is. Zij verfoeien de zonde, maar ik mag sterven,
zoo zij een wetenschappelijke bepaling hebben kunnen geven van hetgeen
wij onder zonde verstaan, of zij moesten het van den geest der
Scotisten geleerd hebben. Want ik kan maar niet gelooven, dat Paulus,
de eenige man, naar wiens geleerdheid men die van allen kan afmeten,
zoo herhaaldelijk onderzoekingen, geschillen, geslachtsregisters en,
zooals hij ze zelf noemt, woordentwisten zou veroordeeld hebben [278],
als hij zich op zulke spitsvondigheden verstaan had, terwijl nog
bovendien alle strijd en geschil dier dagen boersch en grof moet
heeten, vergeleken bij de meer dan Chrysippische [279] fijnheden van
onze magisters. De heeren zijn evenwel hoogst bescheiden, want als de
apostelen soms in hun geschriften te ruw en niet genoeg volgens de
regelen onzer magisters zijn te werk gegaan, dan zijn ze wel zoo goed
het niet te veroordeelen, maar er een geschikte uitlegging voor te
vinden. Dit doen ze uit eerbied deels voor de oudheid, deels voor den
apostolischen naam. Het zou dan waarachtig ook ver van billijk zijn
hun zulke hooge eischen te stellen in zaken, waarover zij van hun
leermeesters nooit zelfs een woord gehoord hadden. Als ditzelfde
gebeurt bij Chrysostomus [280], Basilius [281] en Hieronymus [282],
dan achten zij de kantteekening: "dit is niet houdbaar" voldoende.
En toch hebben de apostelen heidensche wijsgeeren en Joden, die uit
hun aard zeer stijfhoofdig zijn, weerlegd, maar meer door hun leven
en wonderen dan door hun sluitredenen, en verder lieden niet vlug
genoeg van begrip om, even als Scotus, het voor en het tegen van ook
maar één stelling te verdedigen. En nu? Welke heiden, welke ketter
zou niet terstond het veld ruimen voor zooveel ragfijne
haarklooverijen, tenzij hij te dom is om ze te begrijpen of
onbeschaamd genoeg om hen uit te jouwen of voorzien is van dezelfde
valstrikken, zoodat de strijd voortaan gelijk staat? Dan zou men een
gevecht hebben als tusschen twee toovenaars of tusschen twee
bezitters van een tooverzwaard en 't zou hun gaan als Penelope met
haar weefsel [283]. Zij zouden telkens weer opnieuw beginnen. Zelfs
zouden de Christenen, volgens mijn oordeel, wijs handelen, als zij
in plaats van die botte benden soldaten, waarvan zij sinds lang zich
in den krijg met twijfelachtigen uitslag bedienen, de schreeuwerigste
Scotisten en de stijfhoofdigste Occamisten en de onoverwinnelijke
Albertisten met den geheelen troep Sophisten tegen de Turken en
Saracenen lieten optrekken. Dan zouden zij zeker niet alleen een
alleraardigst gevecht, maar ook een vroeger nooit aanschouwde
overwinning te zien krijgen. Want wie is zoo koel, dat hij door hun
spitsvondigheden niet in geestdrift ontvlamt? Wie zoo lamlendig,
dat zulke prikkels hem niet in beweging brengen? Wie is zoo scherp
van gezicht, dat het hem hierdoor niet stikdonker voor de oogen
wordt? Maar gij meent zeker, dat al wat ik zeg, weinig meer is dan
scherts. Het zou waarlijk geen wonder zijn, daar er zich ook onder
de Godgeleerden zelf mannen bevinden van degelijker kennis, die
walgen van deze, huns inziens, beuzelachtige theologische
haarklooverijen. Er zijn er, die het als een soort van heiligschennis
verfoeien en het als de hoogste goddeloosheid beschouwen over zulke
geheimenissen, die meer aanbidding dan verklaring behoeven, met
onreinen mond te spreken, met zulke onheilige heidensche
spitsvondigheid te redeneeren, op zulk een aanmatigenden toon
bepalingen te geven en de majesteit der goddelijke theologie met
zulke platte, of laat ik liever zeggen, gemeene woorden en gedachten
te bezoedelen. Intusschen smaken genen toch maar de zaligheid van
zichzelf te behagen, ja, zichzelf toe te juichen, zoodat zij, dag en
nacht bezig met die heerlijke kleingeestigheden, zelfs geen oogenblik
beschikbaar hebben om ook maar éénmaal het evangelie of de brieven van
Paulus op te slaan. Dit neemt niet weg, dat zij door zulk beuzelen in
de scholen gelooven de geheele kerk--die anders zou instorten--even
goed te schragen met de pijlers hunner sluitredenen, als Atlas bij
de Dichters den hemel op zijn schouders torst.
Gij kunt u hun zaligheid moeilijk voorstellen, als zij de woorden
der heilige schriften als was naar willekeur kneden en herkneden, als
zij voor hun alreeds door eenige schoolvossen goedgekeurde conclusies
meer gezag eischen dan voor Solon's [284] wetten, ja ze zelfs boven
de pauselijke decreten willen gesteld hebben. Zich opwerpende tot
zederechters der wereld dwingen zij om alles te herroepen, wat
niet geheel strookt met hun directe en indirecte conclusies, en als
orakeltaal klinkt hun verklaring: "Deze stelling geeft aanstoot, gene
is te oneerbiedig, deze riekt naar ketterij, gene klinkt slecht." Ten
slotte zou noch de doop, noch het evangelie, noch Paulus of Petrus,
noch de heilige Hieronymus of Augustinus [285], noch zelfs Thomas
[286], de grootste volgeling van Aristoteles, iemand tot een Christen
kunnen maken zonder bekrachtiging der baccalaureï [287]. Want wie
had wel ooit gedacht, dat hij geen Christen is, die zeide, dat deze
twee uitdrukkingen: "gij pot stinkt" en "de pot stinkt".... hetzelfde
beteekenden [288], indien die wijzen het niet geleeraard hadden? Hoe
zou de kerk van zulke dikke nevels van dwalingen bevrijd zijn,
die zelfs niemand ooit bij 't lezen zou gemerkt hebben, als zij die
niet in stukken, voorzien van het grootzegel der Universiteit, aan
het licht hadden gebracht? Maar voelen zij zich, dit doende, niet
hoogst gelukkig? Is dit ook niet het geval, wanneer zij alles wat in
de hel geschiedt, zoo haarfijn afschilderen, alsof zij in dien staat
verscheiden jaren hadden doorgebracht? Voorts, als zij naar willekeur
nieuwe hemels scheppen, waarbij zij ten slotte dien uitgestrekten en
prachtigen voegen [289], ten einde den zielen der zaligen voldoende
ruimte te geven om te kunnen wandelen of feestvieren of ook met den
bal spelen. Met deze en duizenden andere dergelijke dwaasheden zijn
hun hoofden zoo tot barstens toe opgevuld, dat, mijns bedunkens,
zelfs Jupiters hersens niet zoo zwanger waren, toen hij van Pallas
moest bevallen en de hulp van Vulcanus' bijl inriep [290].
Het moet u daarom niet bevreemden, als gij hun hoofd bij openbare
disputen met tal van banden omwonden [291] ziet: Anders zouden zij
immers geheel uiteenbarsten. Daarom pleeg ik zelf ook somtijds er om
te lachen, wanneer zij zich verbeelden dan eerst echte Godgeleerden
te zijn, als zij een taal voeren zoo barbaarsch en gemeen mogelijk;
en terwijl zij zoo stamelen, dat ze slechts door iemand, die zelf
stamelt, kunnen begrepen worden, noemen zij scherpzinnigheid, wat
het volk niet kan begrijpen. Want zij achten het in strijd met de
waardigheid der Heilige Schrift, als zij gedwongen worden zich aan
de wetten der taalkenners te onderwerpen. Waarachtig, het is een
vreemd soort majesteit der Theologen, als zij alleen het recht hebben
gebrekkig te spreken, al hebben zij dit speciaal met veel onbeschaafde
werklui gemeen. Ten slotte achten zij zich haast den goden gelijk,
zoo vaak zij als het ware met heiligen eerbied als "Magister noster"
[292] begroet worden, en zij meenen, dat in dien naam zelfs iets
schuilt van hetzelfde gehalte als het vierletterig woord [293] bij de
Joden. Daarom verklaren zij het voor ongeoorloofd, "MAGISTER NOSTER"
anders dan met kapitale letters te schrijven, en als iemand averechts
mocht zeggen "noster magister," dan heeft hij eens voor al de geheele
majesteit van den Theologischen naam vernietigd.