Wijsgeeren.
Na dezen komen de wijsgeeren aan de beurt, eerbiedwaardig door hun
baard en mantel, die ronduit verklaren dat zíj alleen wijs, maar
alle overige stervelingen rondwarende schimmen [260] zijn. Maar hoe
vermakelijk is niet de waanzin dier bouwmeesters van tallooze werelden,
wanneer zij de zon, de maan, de sterren en andere hemellichamen als
met duim of koord meten, van bliksemwinden, eklipsen en al wat verder
onverklaarbaar is, zonder eenige aarzeling rekenschap geven, even alsof
de natuur, toen zij de wereld schiep, hen in het geheim had genomen
en zij uit de raadsvergadering der goden tot ons kwamen. Intusschen
vermaakt de natuur zich kostelijk met hen en hun gissingen. Want
dat er in hun kring volstrekt geen zekerheid bestaat, dat bewijzen
ongetwijfeld de eindelooze geschillen, die over elk onderdeel tusschen
henzelf gevoerd worden. En ofschoon zij volstrekt niets weten, geven
zij zich toch voor alwetend uit en, terwijl zij zichzelf niet kennen
en niet zelden geen sloot of steen op hun weg zien, hetzij omdat zij
meestal slechte oogen hebben, hetzij omdat hun gedachten op den loop
zijn, beroemen zij er zich toch op, dat zij voorstellingen, algemeene
begrippen, afzonderlijke vormen, grondstoffen, eigenaardigheden en
wezenlijkheden [261] zien, onderscheidingen zoo fijn, dat ik zelfs
niet geloof, dat Lynceus [262] ze zou kunnen doorschouwen. Maar dan
vooral zien zij laag neer op het oningewijde gemeen, als zij drie-
en vierhoeken, cirkels en andere dergelijke meetkundige figuren,
de een over de andere teekenen en als in een doolhof dooreen laten
loopen, vervolgens letters als in slagorde scharen, die ze telkens
en telkens weer nu eens op deze, dan weer op gene wijze rangschikken,
om zoo onervarenen zand in de oogen te strooien. Het ontbreekt in hun
kring ook niet aan lieden, die de toekomst uit de sterren voorspellen
en mirakelen beloven, zooals geen toovenaar ze zou kunnen volbrengen,
en zij zijn zoo gelukkig menschen te vinden, die ook dit geloovig
aannemen.