HOOFDSTUK LII.

Wijsgeeren.

Na dezen komen de wijsgeeren aan de beurt, eerbiedwaardig door hun

baard en mantel, die ronduit verklaren dat zíj alleen wijs, maar

alle overige stervelingen rondwarende schimmen [260] zijn. Maar hoe

vermakelijk is niet de waanzin dier bouwmeesters van tallooze werelden,

wanneer zij de zon, de maan, de sterren en andere hemellichamen als

met duim of koord meten, van bliksemwinden, eklipsen en al wat verder

onverklaarbaar is, zonder eenige aarzeling rekenschap geven, even alsof

de natuur, toen zij de wereld schiep, hen in het geheim had genomen

en zij uit de raadsvergadering der goden tot ons kwamen. Intusschen

vermaakt de natuur zich kostelijk met hen en hun gissingen. Want

dat er in hun kring volstrekt geen zekerheid bestaat, dat bewijzen

ongetwijfeld de eindelooze geschillen, die over elk onderdeel tusschen

henzelf gevoerd worden. En ofschoon zij volstrekt niets weten, geven

zij zich toch voor alwetend uit en, terwijl zij zichzelf niet kennen

en niet zelden geen sloot of steen op hun weg zien, hetzij omdat zij

meestal slechte oogen hebben, hetzij omdat hun gedachten op den loop

zijn, beroemen zij er zich toch op, dat zij voorstellingen, algemeene

begrippen, afzonderlijke vormen, grondstoffen, eigenaardigheden en

wezenlijkheden [261] zien, onderscheidingen zoo fijn, dat ik zelfs

niet geloof, dat Lynceus [262] ze zou kunnen doorschouwen. Maar dan

vooral zien zij laag neer op het oningewijde gemeen, als zij drie-

en vierhoeken, cirkels en andere dergelijke meetkundige figuren,

de een over de andere teekenen en als in een doolhof dooreen laten

loopen, vervolgens letters als in slagorde scharen, die ze telkens

en telkens weer nu eens op deze, dan weer op gene wijze rangschikken,

om zoo onervarenen zand in de oogen te strooien. Het ontbreekt in hun

kring ook niet aan lieden, die de toekomst uit de sterren voorspellen

en mirakelen beloven, zooals geen toovenaar ze zou kunnen volbrengen,

en zij zijn zoo gelukkig menschen te vinden, die ook dit geloovig

aannemen.

De Lof der Zotheid · 第 59 / 79 题