HOOFDSTUK LI.

Rechtsgeleerden.

Onder de geleerden matigen de rechtsgeleerden zich wel de allereerste

plaats aan en meer dan iemand anders zijn zij met zichzelf

ingenomen. Door den steen van Sisyphus [256] aanhoudend voort te

wentelen en duizend wetten in één adem samen te flansen, onverschillig

omtrent welk onderwerp, door verklaringen op verklaringen, zienswijzen

op zienswijzen te stapelen, maken zij, dat de beoefening van dat vak

voor het allermoeilijkst doorgaat. Want al wat veel inspanning kost,

dat houden zij aanstonds ook voor voortreffelijk. Laten wij bij dezen

nog de beoefenaars van de kunst van disputeeren en de sophisten [257]

voegen, een slag van menschen, nog klapachtiger dan al de bekkens te

Dodona [258], zoodat ieder hunner het gerust tegen twintig uitgezochte

babbelaarsters kan opnemen. Zeker zouden ze nog gelukkiger zijn,

als zij enkel goed van den tongriem gesneden waren en niet tevens

zoo twistziek, dat ze altijd door over 's keizers baard te vechten

en uit overdreven strijdlust gewoonlijk de waarheid uit het oog

verloren. Hen maakt echter hun eigenliefde recht gelukkig, want met

een paar sluitredenen gewapend durven zij onverwijld iedereen over

ieder onderwerp te lijf gaan. Trouwens hun stijfhoofdigheid maakt hen

onoverwinnelijk, ook al hadden zij een tegenpartij even krachtig van

longen als Stentor [259].

De Lof der Zotheid · 第 58 / 79 题