Rechtsgeleerden.
Onder de geleerden matigen de rechtsgeleerden zich wel de allereerste
plaats aan en meer dan iemand anders zijn zij met zichzelf
ingenomen. Door den steen van Sisyphus [256] aanhoudend voort te
wentelen en duizend wetten in één adem samen te flansen, onverschillig
omtrent welk onderwerp, door verklaringen op verklaringen, zienswijzen
op zienswijzen te stapelen, maken zij, dat de beoefening van dat vak
voor het allermoeilijkst doorgaat. Want al wat veel inspanning kost,
dat houden zij aanstonds ook voor voortreffelijk. Laten wij bij dezen
nog de beoefenaars van de kunst van disputeeren en de sophisten [257]
voegen, een slag van menschen, nog klapachtiger dan al de bekkens te
Dodona [258], zoodat ieder hunner het gerust tegen twintig uitgezochte
babbelaarsters kan opnemen. Zeker zouden ze nog gelukkiger zijn,
als zij enkel goed van den tongriem gesneden waren en niet tevens
zoo twistziek, dat ze altijd door over 's keizers baard te vechten
en uit overdreven strijdlust gewoonlijk de waarheid uit het oog
verloren. Hen maakt echter hun eigenliefde recht gelukkig, want met
een paar sluitredenen gewapend durven zij onverwijld iedereen over
ieder onderwerp te lijf gaan. Trouwens hun stijfhoofdigheid maakt hen
onoverwinnelijk, ook al hadden zij een tegenpartij even krachtig van
longen als Stentor [259].