HOOFDSTUK L.

Dichters.

Minder verplichting aan mij hebben de dichters, ofschoon zij zeker uit

den aard van hun beroep tot mijn partij behooren, want zij zijn vrije

menschen, zooals het spreekwoord [236] wil, wier eenig genot bestaat

in het streelen van de ooren der dwazen en dan nog wel met loutere

nietigheden en belachelijke verhaaltjes. Desniettemin meenen zij,

hoe vreemd het moge klinken, op grond hiervan niet alleen zichzelf,

maar ook anderen de onsterfelijkheid en een godenleven te mogen

beloven. Met deze bent staan bovenal Eigenliefde en Vleierij [237]

op een zeer vertrouwelijken voet en bij geen enkel slag van menschen

vind ik oprechter of standvastiger aanbidders. Verder behooren de

redekunstenaars, hoewel zij soms valsch spel spelen en heulen met

de wijsgeeren, zeker ook tot onze partij, hetgeen vooral hieruit

blijkt, dat ze, behalve andere beuzelarijen, zoo nauwkeurig en zoo

veel over de kunst van schertsen geschreven hebben [238]. Zoo geeft

de schrijver van de aan Herennius opgedragen Redekunst [239], wie

hij dan ook moge geweest zijn, de dwaasheid zelfs een plaats onder

de soorten van geestigheden en komt bij Quintilianus [240], verreweg

den eersten man van dezen kring, een hoofdstuk voor over het lachen,

dat nog uitvoeriger is dan de Ilias [241], en hechten zij zooveel

waarde aan de zotheid, dat dikwijls een uit gebrek aan bewijsgronden

verloren zaak, desniettemin door lachen gewonnen wordt. Niemand zal

toch wel van oordeel zijn, dat het buiten het gebied der Zotheid

ligt door lachwekkende gezegden de menschen te doen schateren en dat

nog wel volgens de regelen der kunst. Tot deze klasse behooren ook

zij, die door het uitgeven van boeken jacht maken op onsterfelijken

roem. Zij hebben allen de hoogste verplichting aan mij, maar in de

eerste plaats zij, die louter beuzelarijen op het papier kladden. Want

zij, die hun wetenschappelijke geschriften inrichten naar den smaak

van een paar geleerden en geen bezwaar hebben tegen een vonnis van

Persius of Laelius [242], zijn, mijns inziens, meer te beklagen dan

te benijden, omdat zij zichzelf voortdurend kwellen. Zij voegen in,

veranderen, schrappen, schrijven opnieuw, herhalen, werken om, dikken

aan, houden negen jaar lang hun werk weggesloten [243], zonder zichzelf

ooit te voldoen, en koopen een ijdele belooning bestaande in den lof

van zeer weinigen, tot zulk een hoogen prijs, ten koste van zooveel

nachtwaken en met zooveel opoffering van den zoo genotrijken slaap,

voor zooveel zweetdroppels, voor zooveel kruisen. Voeg nu daarbij het

verlies van gezondheid, het ruïneeren der schoonheid des lichaams,

slechte oogen of zelfs blindheid, armoede, den haat der menschen,

onthouding van alle genoegens, een vroegen ouderdom, een ontijdigen

dood en wat dies meer zij. Ten koste van zooveel leed meent die wijze

de goedkeuring van een paar leepoogen [244] te moeten koopen. Maar

de schrijver naar mijn hart--hoeveel gelukkiger is zijn waanzin,

als hij zonder eenig hoofdbreken alles, juist zooals het hem invalt

of uit de pen vloeit, zelfs zijn droomerijen op staanden voet te

boek stelt, wat hem alleen maar een beetje papier kost, overtuigd,

dat hoe beuzelachtiger beuzelarijen hij neerschrijft, hij op de

goedkeuring van des te meer menschen, namelijk van alle zotten en

stommeriken, mag rekenen. Het valt toch zeker niet moeilijk zich

onverschillig te toonen voor het oordeel van anderhalven geleerde,

zoo zij al die geschriften lezen. Of wat zal de stem van enkele

wijzen beteekenen te midden van den ontelbaren hoop van lieden, die

daartegenin schreeuwen? Maar nog wijzer zijn zij, die werken van

anderen voor de hunne uitgeven en den roem, door dezen ten koste

van veel arbeid verkregen, op hun naam weten over te brengen, in

't vertrouwen natuurlijk, dat al worden zij ook volkomen overtuigd

van letterdieverij, hun intusschen toch het genot voor eenigen tijd

ten goede zal komen. Het is de moeite waard op te letten, hoezeer zij

met zichzelf ingenomen zijn, als zij algemeen geprezen worden, als men

onder het volk op hen wijst zeggend "daar heb je dien knappen kerel,"

als hun werken bij de boekverkoopers te koop liggen, als er aan het

hoofd van alle bladzijden drie namen [245] te lezen staan, vooral

als deze uit den vreemde zijn en gelijken op tooverwoorden. Maar

bij den Hemel, wat zijn het anders dan namen? Voorts, hoe weinigen

zullen ze kennen, als men let op den reusachtigen omvang der wereld,

en hoeveel kleiner zal nog het aantal zijn van hen, die ze zullen

prijzen, in aanmerking genomen, dat de smaken ook van de ongeleerden

zoo verschillend zijn. Daarenboven worden die namen zelf niet zelden

verdicht of aan de boeken der ouden ontleend, daar de een gaarne

Telemachus [246] wil heeten, een ander Sthenelus [247] of Laërtes

[248], deze Polycrates [249], gene Thrasymachus [250], zoodat men

al even goed op den titel den naam Kameleon of Pompoen, of in de

taal der wijsgeeren Alpha of Beta [251] zou kunnen zetten. Maar het

aardigste is, als die dwazen en domooren elkander over en weer in

brieven, gedichten en lofzangen ophemelen. Zoo verklaart deze genen

voor een Alcaeus, gene hem voor een Callimachus [252], gene staat

volgens dezen boven M. Tullius [253], deze acht hem geleerder dan

Plato. Ook zoeken zij soms een tegenstander om door een wedstrijd

met hem zich een grooteren naam te verwerven:

En weiflend splitst 't gemeen zich in vijand'ge kampen [254],

totdat beide legerhoofden na den gelukkig gevoerden strijd als

overwinnaar heengaan en beide een zegepraal vieren. De wijze lacht

hierom wetend, dat het inderdaad een groote dwaasheid is. Want wie

kan dat loochenen? Maar zij leiden intusschen door mijn goedheid

een aangenaam leventje en zouden hun zegepralen zelfs niet met die

der Scipio's [255] willen ruilen. Toch hebben ondertusschen ook de

verstandigen zelf geen geringe verplichting aan mij, doordat zij er

steeds recht hartelijk om lachen en genieten van den waanzin van

anderen: dit kunnen zij zeker niet ontkennen zonder zich aan de

allergrofste ondankbaarheid schuldig te maken.

De Lof der Zotheid · 第 57 / 79 题