Taalmeesters.
Maar ik zou zelf al zeer dwaas zijn en het volkomen verdienen,
dat Democritus het over mij uitschaterde, indien ik voortging de
vormen, waarin zich 's volks dwaasheden en dolheden openbaren, op
te tellen. Ik wil mij tegen hen aangorden, die in de oogen van hun
medemenschen voor wijs doorgaan en, zooals het spreekwoord zegt,
dien gouden tak trachten te vinden [224]. Onder hen bekleeden de
taalmeesters den eersten rang, dat voorzeker het allerrampzaligste,
treurigste en het meest bij de goden gehate slag van menschen zou
zijn, als ik de ongemakken van hun zoo ellendig beroep niet door een
genoegelijk soort van waanzin verzachtte. Want niet een vijfvoudige
vloek, zooals een Grieksch puntdicht aantoont, rust op hen, maar
een duizendvoudige, daar zij altijd uitgehongerd en vuil hun leven
slijten in hun maar al te bekende scholen; wat zei ik, in scholen,
neen veeleer dienen ze vertrekken vol kwellingen des geestes en des
lichaams of rosmolens, of folterkamers te heeten. Daar worden zij,
omringd door troepen van jongens, oud onder hun moeilijk werk,
doof door al het geschreeuw en teren weg door al het vuil en den
stank. Nogthans, tengevolge van mijn goedertierenheid verbeelden
zij zich de eersten aller menschen te zijn. Zoozeer zijn zij met
zichzelf ingenomen, als zij hun schuw troepje door hun barsch
gezicht en dreigende woorden angstig maken, als ze met plakken,
roeden en zweepen den ongelukkigen het vleesch van het lijf halen en,
't voorbeeld van den ezel van Cyme [225] volgend, op alle mogelijke
wijzen hun wreedaardige luim botvieren. Intusschen verbeelden zij zich,
dat al dat vuil keurige netheid is, den stank vindt hun neus mariolein
en die ellendige slavernij gaat bij hen voor een koningschap door,
zoodat ze hun tirannie niet tegen de heerschappij van een Phalaris
[226] of Dionysius [227] willen ruilen. Maar nog veel gelukkiger zijn
zij door een ongehoord hoogen dunk van hun geleerdheid. Alhoewel zij
den knapen niets dan dolheden instampen, zien zij toch, God betere het,
uit de hoogte neer op iederen Palaemon en op iederen Donatus [228] en
zij weten het door allerlei kunstgrepen tot mijn verbazing zoo ver te
brengen, dat malle moertjes en stomme vaders hen voor diegenen houden,
voor wie zij zichzelf uitgeven. Hierbij dient men nog het eigenaardig
genot te voegen, telkens als er een van hen den naam van Anchises'
[229] moeder, of een niet algemeen bekend woord op een half vergaan
stuk perkament aantreft [230], of als iemand een oud stuk steen,
waarop zich eenige verminkte letters bevinden, ergens opgraaft. Goede
hemel, dan komt er geen eind aan hun uitgelatenheid, triomfkreten
en lofzangen; het is alsof zij Afrika ten onder gebracht of eenige
steden als Babylon ingenomen hebben [231]. En als zij bewonderaars
vinden voor hun zoutelooze verzen zonder eenig dichterlijk vuur,
waarmee ze overal te koop loopen, dan gelooven zij al dadelijk, dat
niets minder dan Maro's [232] geest in hun boezem is gevaren. Maar
het alleraardigste is, als zij elkander wederkeerig vol bewondering
prijzen en beurtelings in het zonnetje zetten. Als soms een ander zich
in een woordje vergist en het toeval wil, dat iemand van hen, wiens
gezicht wat scherper is, de fout merkt, hemelsche goedheid, wat heeft
men dan dadelijk de poppen aan het dansen! wat een vechten, schelden en
uitvaren tegen elkander! Ik mag mij de ongenade van alle taalmeesters
op den hals halen, als ik een enkele leugen zeg--ik ken een zeer
bekwaam man, een geleerde van den eersten rang in het Grieksch,
het Latijn, de Wiskunde, de Wijsbegeerte en de Geneeskunde. Hij
is reeds zestig jaar oud en kwelt en pijnigt zich sinds meer dan
twintig jaar met niets anders dan met de spraakkunst, in de meening,
dat zijn geluk dan volmaakt zal zijn, als hem een leven gegund wordt,
lang genoeg om zeker uit te maken, hoe de acht rededeelen behooren
onderscheiden te worden, iets, dat tot nog toe geen Griek of Romein
geheel heeft kunnen tot stand brengen [233]--alsof het een misdrijf
ware groot genoeg om zelfs een oorlog over te beginnen, zoo iemand
aan een voegwoord een beteekenis toekende, waarop slechts bijwoorden
aanspraak hebben. En hierom, al bestaan er evenveel spraakkunsten
als er spraakkunstenaars zijn, ja nog meer--immers mijn vriend Aldus
[234] alleen heeft meer dan vijfmaal een spraakkunst uitgegeven--,
toch komt er nooit zulk een boek uit, hoe barbaarsch en onaangenaam ook
geschreven, of hij leest het nauwkeurig door, naijverig op iedereen,
die op dit gebied met eenige nieuwe dwaasheid voor den dag komt en
steeds gefolterd door de vrees, dat soms iemand hem dezen roem voor
den neus zal wegkapen en den arbeid van zooveel jaren doen verloren
gaan. Wilt gij dit liever waanzin dan wel dwaasheid noemen? Mij is
het vrij onverschillig, mits gij slechts erkent, dat men het mij
te danken heeft, dat een overigens diep rampzalig schepsel zulk een
trap van geluk bereikt, dat het zijn lot zelfs niet met dat van een
Perzisch koning [235] wenscht te verruilen.