HOOFDSTUK XLVIII.

Verschillende soorten en vormen der Zotheid.

Mocht iemand soms meenen, dat deze beweringen meer aanmatigend

dan waar zijn, welnu, dan willen wij even een blik slaan in het

leven der menschen, opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel

zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten,

de hoogsten even goed als de laagsten. Wij zullen het leven van

elkeen wel niet behoeven na te gaan, want dit zou al te veel tijd

kosten, maar alleen dat van de hoogst geplaatsten, naar wie men de

overigen zeker gemakkelijk kan afmeten. Want waartoe zou het dienen,

te spreken over Jan Rap en zijn maat, die toch zonder kwestie geheel

mijn eigendom zijn? Zij vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een

rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe, dat zelfs

geen duizend Democritussen [219] daarover genoeg zouden kunnen lachen:

alhoewel er voor die Democritussen zelf dan weer een andere Democritus

noodig zoude zijn. Ja, gij kunt u zelfs niet voorstellen, wat al stof

tot gelach, spotternij en vreugde die menschenkinderen dagelijks

den Goden verschaffen. Deze besteden namelijk de voormiddaguren,

wanneer ze nog nuchter zijn, aan beraadslagingen, die veelal in

twisten ontaarden, en aan het luisteren naar geloften. Later, als

zij reeds vol nectar zijn en geen lust meer gevoelen om zich met

iets ernstigs bezig te houden, dan gaan ze zitten op het plekje van

den hemel, dat het meest naar voren uitsteekt, en nemen, met het

hoofd voorover, een kijkje van hetgeen de menschen zooal doen. Ze

kennen geen prettiger schouwspel. Lieve hemel, wat is dat voor een

tooneel! Wat krioelen de zotten dooreen! Want ik pleeg ook zelf

nu en dan in de rijen der dichtergoden zitting te nemen. Hier is

er een smoorlijk verliefd op een meisje en, hoe minder zij van hem

houdt, des te vuriger wordt zijn hartstocht. Daar trouwt er iemand

een bruidschat, niet een huisvrouw. Een derde heeft zijn vrouw voor

ieder veil. Weer een ander is jaloersch en bewaakt haar gangen als een

Argus [220]. Daar hebt ge iemand, die in rouw waarlijk ongeloofelijke

dwaasheden doet en zegt en zelfs als het ware tooneelspelers huurt

om de rouwkomedie op te voeren. Nog een ander stort tranen bij het

graf van zijn stiefmoeder. Deze legt alles, wat hij maar heeft kunnen

bijeenschrapen, aan zijn buikje ten koste, om na een korte poos dapper

honger te lijden. Het grootste geluk van gene bestaat in slapen en

leegloopen. Er zijn ook menschen, die het zich zeer druk maken met het

behartigen der zaken van anderen, maar hun eigen verwaarloozen. Enkelen

leenen geld en, terwijl zij in schulden steken, wanen zij zich rijk,

maar zij gaan spoedig over den kop. Voor een ander is het een zaligheid

zelf armoede te lijden om zijn erfgenaam rijk te maken. Deze vliegt om

een klein en dan nog wel onzeker winstje te behalen over alle zeeën

en geeft aan de golven en de winden zijn leven prijs, dat voor geen

geld weer te koop is. Gene wil zich liever door den oorlog schatten

verwerven dan zijn leven veilig in rust thuis doorbrengen. Er zijn

er ook, die meenen, dat men door jacht te maken op de erfenissen van

kinderlooze grijsaards het allergemakkelijkst tot rijkdom geraakt, en

het ontbreekt ook niet aan dezulken, die hetzelfde doel liever najagen

door smoorlijk te verlieven op oude vrouwen met veel geld. Maar dan

eerst vermaakt zich het godenpubliek het meest ten koste van die twee

soorten van lieden, als die visschers van menschen in hun eigen netten

gevangen worden. De allerzotste en gemeenste slag van menschen echter

zijn de kooplieden, daar zij het allergemeenste beroep uitoefenen

en dat wel op de gemeenste wijze. Alhoewel zij bij elke gelegenheid

liegen, valsch zweren, stelen, bedriegen en zwendelen, houden zij

toch hun stand voor den hoogsten op grond hiervan, dat zij om alle

vingers gouden ringen dragen. Het ontbreekt dan ook niet aan vleiende

kloosterbroertjes, die hen bewonderen en openlijk achtbare lieden

noemen, natuurlijk met het doel om zelf ook een beetje te krijgen van

het onrechtvaardig verworven goed. Elders kan men eenige Pythagoreeërs

[221] zien, die alles zoo zeer als gemeen goed beschouwen, dat zij al

wat zij ergens onbewaakt aantreffen, kalmpjes wegnemen, alsof het hun

bij erfenis ware ten deel gevallen. Er zijn er ook, die alleen rijk

in hun wenschen zijn en meenen, dat eenige lieflijke droombeelden,

die zij zich scheppen, voor hun geluk voldoende zijn. Sommigen willen

gaarne buitenshuis voor rijk doorgaan en lijden thuis met mannenmoed

honger. Deze haast zich al wat hij bezit, door te brengen, gene gaart

schatten bijeen door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Deze

werft om de volksgunst en eereambten, gene vindt zijn genoegen aan

den huiselijken haard. Niet weinigen voeren eindelooze processen en

doen om strijd hun best ten einde een steeds uitstellenden rechter en

een even oneerlijken advocaat te verrijken. Deze zint op nieuwigheden,

gene zet iets groots op het touw. Een ander gaat naar Jeruzalem, Rome

of naar den heiligen Jacobus [222], waar hij niets te maken heeft,

terwijl hij thuis vrouw en kinderen achterlaat. Kortom zaagt ge die

ontelbare beroeringen onder de menschen van de maan af, zooals vroeger

Menippus [223], dan zoudt ge meenen een troep vliegen of muggen te

zien, die met elkander twisten, oorlog voeren, elkaar lagen leggen,

rooven, spelen, dartelen, geboren worden, vallen en sterven. Neen,

het is haast ongelooflijk, welk een beweging zulk een klein en kort

levend schepseltje maakt en hoeveel treurigs het te zien geeft. Want

menigmaal ziet men het geweld zelfs van een onbeduidenden oorlog of

van een besmettelijke ziekte vele duizenden te gelijker tijd wegsleepen

en verdelgen.

De Lof der Zotheid · 第 55 / 79 题