Verschillende soorten en vormen der Zotheid.
Mocht iemand soms meenen, dat deze beweringen meer aanmatigend
dan waar zijn, welnu, dan willen wij even een blik slaan in het
leven der menschen, opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel
zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten,
de hoogsten even goed als de laagsten. Wij zullen het leven van
elkeen wel niet behoeven na te gaan, want dit zou al te veel tijd
kosten, maar alleen dat van de hoogst geplaatsten, naar wie men de
overigen zeker gemakkelijk kan afmeten. Want waartoe zou het dienen,
te spreken over Jan Rap en zijn maat, die toch zonder kwestie geheel
mijn eigendom zijn? Zij vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een
rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe, dat zelfs
geen duizend Democritussen [219] daarover genoeg zouden kunnen lachen:
alhoewel er voor die Democritussen zelf dan weer een andere Democritus
noodig zoude zijn. Ja, gij kunt u zelfs niet voorstellen, wat al stof
tot gelach, spotternij en vreugde die menschenkinderen dagelijks
den Goden verschaffen. Deze besteden namelijk de voormiddaguren,
wanneer ze nog nuchter zijn, aan beraadslagingen, die veelal in
twisten ontaarden, en aan het luisteren naar geloften. Later, als
zij reeds vol nectar zijn en geen lust meer gevoelen om zich met
iets ernstigs bezig te houden, dan gaan ze zitten op het plekje van
den hemel, dat het meest naar voren uitsteekt, en nemen, met het
hoofd voorover, een kijkje van hetgeen de menschen zooal doen. Ze
kennen geen prettiger schouwspel. Lieve hemel, wat is dat voor een
tooneel! Wat krioelen de zotten dooreen! Want ik pleeg ook zelf
nu en dan in de rijen der dichtergoden zitting te nemen. Hier is
er een smoorlijk verliefd op een meisje en, hoe minder zij van hem
houdt, des te vuriger wordt zijn hartstocht. Daar trouwt er iemand
een bruidschat, niet een huisvrouw. Een derde heeft zijn vrouw voor
ieder veil. Weer een ander is jaloersch en bewaakt haar gangen als een
Argus [220]. Daar hebt ge iemand, die in rouw waarlijk ongeloofelijke
dwaasheden doet en zegt en zelfs als het ware tooneelspelers huurt
om de rouwkomedie op te voeren. Nog een ander stort tranen bij het
graf van zijn stiefmoeder. Deze legt alles, wat hij maar heeft kunnen
bijeenschrapen, aan zijn buikje ten koste, om na een korte poos dapper
honger te lijden. Het grootste geluk van gene bestaat in slapen en
leegloopen. Er zijn ook menschen, die het zich zeer druk maken met het
behartigen der zaken van anderen, maar hun eigen verwaarloozen. Enkelen
leenen geld en, terwijl zij in schulden steken, wanen zij zich rijk,
maar zij gaan spoedig over den kop. Voor een ander is het een zaligheid
zelf armoede te lijden om zijn erfgenaam rijk te maken. Deze vliegt om
een klein en dan nog wel onzeker winstje te behalen over alle zeeën
en geeft aan de golven en de winden zijn leven prijs, dat voor geen
geld weer te koop is. Gene wil zich liever door den oorlog schatten
verwerven dan zijn leven veilig in rust thuis doorbrengen. Er zijn
er ook, die meenen, dat men door jacht te maken op de erfenissen van
kinderlooze grijsaards het allergemakkelijkst tot rijkdom geraakt, en
het ontbreekt ook niet aan dezulken, die hetzelfde doel liever najagen
door smoorlijk te verlieven op oude vrouwen met veel geld. Maar dan
eerst vermaakt zich het godenpubliek het meest ten koste van die twee
soorten van lieden, als die visschers van menschen in hun eigen netten
gevangen worden. De allerzotste en gemeenste slag van menschen echter
zijn de kooplieden, daar zij het allergemeenste beroep uitoefenen
en dat wel op de gemeenste wijze. Alhoewel zij bij elke gelegenheid
liegen, valsch zweren, stelen, bedriegen en zwendelen, houden zij
toch hun stand voor den hoogsten op grond hiervan, dat zij om alle
vingers gouden ringen dragen. Het ontbreekt dan ook niet aan vleiende
kloosterbroertjes, die hen bewonderen en openlijk achtbare lieden
noemen, natuurlijk met het doel om zelf ook een beetje te krijgen van
het onrechtvaardig verworven goed. Elders kan men eenige Pythagoreeërs
[221] zien, die alles zoo zeer als gemeen goed beschouwen, dat zij al
wat zij ergens onbewaakt aantreffen, kalmpjes wegnemen, alsof het hun
bij erfenis ware ten deel gevallen. Er zijn er ook, die alleen rijk
in hun wenschen zijn en meenen, dat eenige lieflijke droombeelden,
die zij zich scheppen, voor hun geluk voldoende zijn. Sommigen willen
gaarne buitenshuis voor rijk doorgaan en lijden thuis met mannenmoed
honger. Deze haast zich al wat hij bezit, door te brengen, gene gaart
schatten bijeen door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Deze
werft om de volksgunst en eereambten, gene vindt zijn genoegen aan
den huiselijken haard. Niet weinigen voeren eindelooze processen en
doen om strijd hun best ten einde een steeds uitstellenden rechter en
een even oneerlijken advocaat te verrijken. Deze zint op nieuwigheden,
gene zet iets groots op het touw. Een ander gaat naar Jeruzalem, Rome
of naar den heiligen Jacobus [222], waar hij niets te maken heeft,
terwijl hij thuis vrouw en kinderen achterlaat. Kortom zaagt ge die
ontelbare beroeringen onder de menschen van de maan af, zooals vroeger
Menippus [223], dan zoudt ge meenen een troep vliegen of muggen te
zien, die met elkander twisten, oorlog voeren, elkaar lagen leggen,
rooven, spelen, dartelen, geboren worden, vallen en sterven. Neen,
het is haast ongelooflijk, welk een beweging zulk een klein en kort
levend schepseltje maakt en hoeveel treurigs het te zien geeft. Want
menigmaal ziet men het geweld zelfs van een onbeduidenden oorlog of
van een besmettelijke ziekte vele duizenden te gelijker tijd wegsleepen
en verdelgen.