Haar goedaardigheid.
Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn
geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd
is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden
te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm
der geslachte offerdieren [214]. Want de overige goden zijn op dit
punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger
is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als
sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat de grootste
verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar
niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar
een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb,
verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk
te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want
waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn
verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs
van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms
Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert [215]? Ik meen,
dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal,
zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt
en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de
Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet
voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als
't volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die
haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven
zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst
en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven,
waarom zou ik een tempel verlangen, daar toch de geheele wereld,
zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt
mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo
dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen [216]
eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en
stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden
aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun
plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel
standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen
wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij
volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in
verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst
en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan
Venus, te Argos [217] aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus
aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus [218] aan Priapus,
mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers
te brengen, die ik verre boven de andere verkies.