HOOFDSTUK XLVII.

Haar goedaardigheid.

Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn

geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd

is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden

te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm

der geslachte offerdieren [214]. Want de overige goden zijn op dit

punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger

is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als

sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat de grootste

verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar

niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar

een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb,

verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk

te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want

waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn

verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs

van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms

Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert [215]? Ik meen,

dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal,

zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt

en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de

Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet

voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als

't volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die

haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven

zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst

en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven,

waarom zou ik een tempel verlangen, daar toch de geheele wereld,

zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt

mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo

dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen [216]

eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en

stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden

aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun

plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel

standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen

wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij

volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in

verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst

en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan

Venus, te Argos [217] aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus

aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus [218] aan Priapus,

mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers

te brengen, die ik verre boven de andere verkies.

De Lof der Zotheid · 第 54 / 79 题