De Zotheid schenkt aan alle menschen haar zegeningen.
Ook is het bezit van geen goed aangenaam zonder iemand, die het met
ons deelt. Immers wie weet niet, hoe klein het aantal wijzen is,
zoo er al één in de wereld gevonden wordt? Toch weten de Grieken er
uit zooveel eeuwen in 't geheel zeven [202] op te tellen, maar ik mag
sterven, als iemand bij een nauwkeuriger onderzoek onder hen wel een
half--of laat ik liever zeggen--een kwartwijze kan vinden.
Zeker staat onder de vele lofwaardige eigenschappen van Bacchus
deze terecht het hoogst, dat hij de muizenissen wegspoelt, maar
dit geschiedt slechts voor een korte poos, want zoodra iemand zijn
roes heeft uitgeslapen, komen de beslommeringen, aanstonds met een
wit vierspan [203], zooals men zegt, aanrennen. Hoeveel rijker
en krachtiger is niet mijn gave, waardoor ik den geest in een
voortdurenden roes doe verkeeren en hem volop vreugde en genot en
opgewondenheid schenk en wel, zonder dat het eenige moeite kost. Want
ik onthoud niemand ter wereld mijn weldaden, terwijl de overige goden
aan verschillende menschen verschillende voorrechten schenken. Niet
overal wast edele en zachte wijn [204] om de zorgen te verdrijven en
rijke hoop in de aderen te storten. Hoe weinigen viel een bevallige
gestalte, de gave van Venus, ten deel. Nog zeldzamer is Mercurius'
geschenk, de welsprekendheid. Niet bijzonder talrijk zijn zij, die
schatten aan Hercules' [205] gunst te danken hebben. De Homerische
Jupiter geeft niet den eersten den besten de heerschappij. Vaak
is Mars geen van beide legers gunstig. Niet weinigen gaan bedroefd
weg van Apollo's drievoet [206]. Dikwijls bliksemt Saturnus' zoon
[207]. Phoebus [208] zendt nu en dan door zijn schichten dood en
verderf. Neptunus vernietigt meer levens dan hij redt. Om nu niet
uit te weiden over wezens als die Veiovis [209], Pluto [210], Ate
[211], Poena [212], Febris [213] en andere van dit slag, geen goden
maar beulen,--ik, Zotheid, ben de eenige, wier zegeningen ten allen
tijde allen zonder onderscheid omvatten.