HOOFDSTUK XLIV.

De voordeelen, die de Eigenliefde en haar zuster, de Pluimstrijkerij,

verschaffen.

Om nu niet alles in bijzonderheden na te gaan, gij ziet nu zeker

wel in, hoeveel genot de eigenliefde overal aan alle menschen

afzonderlijk en tezamen verschaft, de Eigenliefde, met wie haar

zuster, de Pluimstrijkerij, bijna op één lijn te stellen is. Want

de Eigenliefde is niets anders dan het streelen van zichzelf: doet

men het een ander, dan is het zeker Vleierij. Deze staat echter

tegenwoordig in een kwaden reuk, doch alleen bij hen, die zich meer

storen aan de namen der zaken dan aan de zaken zelf. Men meent, dat

goede trouw kwalijk samengaat met vleierij; maar dat dit volstrekt

niet het geval is, had men zelfs uit het voorbeeld van stomme dieren

wel kunnen leeren. Want welk beest vleit meer dan de hond? Maar aan

den anderen kant, is er wel één getrouwer? Wat weet een eekhoorntje

niet den mensch te liefkoozen, wien hij toch meer dan alle andere

schepselen genegen is? Gij meent immers niet, dat wreede leeuwen,

bloedgierige tijgers of toornige panters van grooter nut zijn voor het

leven der menschen? Wel valt het niet te ontkennen, dat er een soort

van verderfelijke vleierij bestaat, waardoor sommige valschaards en

spotters stumpers ongelukkig maken, maar de mijne heeft haar oorsprong

in een soort van aangeboren welwillendheid en zij komt veel dichter bij

de deugd dan hetgeen men daartegenover stelt, de lompheid met de zoo

onaangename en vervelende norschheid, waarvan Horatius spreekt. Mijn

vleierij richt de terneergeslagen gemoederen op, troost de bedroefden,

prikkelt de soezers, maakt de slaapkoppen wakker, brengt de zieken weer

op de been, bedaart de hartstochten, knoopt liefdesbanden en houdt ze

in stand. De jeugd weet ze lust voor de beoefening der wetenschappen

in te boezemen, de grijsaards vervroolijkt ze, den vorsten weet ze,

onder den schijn van loftuitingen, vermaningen en wijze lessen toe

te dienen. Kortom zij bewerkt, dat ieder in zichzelf een grooter

welbehagen vindt, hetgeen toch zeker wel een hoogst belangrijk

gedeelte van het geluk uitmaakt. Bewijzen muilezels, wien het jeukt,

elkaar geen zeer gewichtigen dienst, wanneer de een den ander krabt

[195]? Laat ik er nu maar niet van spreken, dat die vleierij een groot

deel uitmaakt van die hooggeprezen welsprekendheid, een nog grooter

van de geneeskunde en het grootste van de dichtkunst: kortom, dat

door haar de geheele menschelijke samenleving verzoet en gekruid wordt.

De Lof der Zotheid · 第 51 / 79 题