De voordeelen, die de Eigenliefde en haar zuster, de Pluimstrijkerij,
verschaffen.
Om nu niet alles in bijzonderheden na te gaan, gij ziet nu zeker
wel in, hoeveel genot de eigenliefde overal aan alle menschen
afzonderlijk en tezamen verschaft, de Eigenliefde, met wie haar
zuster, de Pluimstrijkerij, bijna op één lijn te stellen is. Want
de Eigenliefde is niets anders dan het streelen van zichzelf: doet
men het een ander, dan is het zeker Vleierij. Deze staat echter
tegenwoordig in een kwaden reuk, doch alleen bij hen, die zich meer
storen aan de namen der zaken dan aan de zaken zelf. Men meent, dat
goede trouw kwalijk samengaat met vleierij; maar dat dit volstrekt
niet het geval is, had men zelfs uit het voorbeeld van stomme dieren
wel kunnen leeren. Want welk beest vleit meer dan de hond? Maar aan
den anderen kant, is er wel één getrouwer? Wat weet een eekhoorntje
niet den mensch te liefkoozen, wien hij toch meer dan alle andere
schepselen genegen is? Gij meent immers niet, dat wreede leeuwen,
bloedgierige tijgers of toornige panters van grooter nut zijn voor het
leven der menschen? Wel valt het niet te ontkennen, dat er een soort
van verderfelijke vleierij bestaat, waardoor sommige valschaards en
spotters stumpers ongelukkig maken, maar de mijne heeft haar oorsprong
in een soort van aangeboren welwillendheid en zij komt veel dichter bij
de deugd dan hetgeen men daartegenover stelt, de lompheid met de zoo
onaangename en vervelende norschheid, waarvan Horatius spreekt. Mijn
vleierij richt de terneergeslagen gemoederen op, troost de bedroefden,
prikkelt de soezers, maakt de slaapkoppen wakker, brengt de zieken weer
op de been, bedaart de hartstochten, knoopt liefdesbanden en houdt ze
in stand. De jeugd weet ze lust voor de beoefening der wetenschappen
in te boezemen, de grijsaards vervroolijkt ze, den vorsten weet ze,
onder den schijn van loftuitingen, vermaningen en wijze lessen toe
te dienen. Kortom zij bewerkt, dat ieder in zichzelf een grooter
welbehagen vindt, hetgeen toch zeker wel een hoogst belangrijk
gedeelte van het geluk uitmaakt. Bewijzen muilezels, wien het jeukt,
elkaar geen zeer gewichtigen dienst, wanneer de een den ander krabt
[195]? Laat ik er nu maar niet van spreken, dat die vleierij een groot
deel uitmaakt van die hooggeprezen welsprekendheid, een nog grooter
van de geneeskunde en het grootste van de dichtkunst: kortom, dat
door haar de geheele menschelijke samenleving verzoet en gekruid wordt.