Ieder mensch, volk of stad is de eigenliefde ingeplant.
Verder ben ik overtuigd, dat de natuur, zooals zij in ieder mensch
zijn bijzondere, zoo ook in ieder volk en haast iedere stad een
eigenliefde heeft geplant, die ik een gemeenschappelijke zou kunnen
noemen. Dit is de reden, waarom de Britten voor zich aanspraak maken
op schoonheid, muzikaal talent en een rijkelijk voorzienen disch;
de Schotten trotsch zijn op hun adel en verwantschap met vorsten en
daarenboven op hun spitsvondige redeneeringen; de Franschen meenen,
dat zij beschaafde manieren op alle andere volken voor hebben; de
Parijzenaars den roem van kennis der godgeleerdheid, met uitsluiting
van bijna alle andere stervelingen, zich in 't bijzonder aanmatigen;
[193] de Italianen zich begaafdheid voor de fraaie letteren en
welsprekendheid toeschrijven, en allen zich op dezen grond vermeien
in de verbeelding, dat zij alleen ter wereld geen barbaren zijn. In
dit orkest van gelukkigen spelen de Romeinen de eerste viool en zij
droomen nog altijd allergenoegelijkst van dat beroemde oude Rome. De
Venetianen zijn gelukkig door den dunk, dien zij koesteren omtrent hun
adel; de Grieken beschouwen zich als de vaders der wetenschappen en
pochen op de oude eeretitels hunner hooggeprezen helden; de Turken en
dat geheele samenraapsel van werkelijk barbaarsche volken matigen zich
zelf den lof van godsdienstigheid aan en spotten met het bijgeloof der
Christenen. Maar het is nog veel mooier, dat de Joden ook thans nog
steeds op hun Messias blijven wachten en tot op den huidigen dag met
hand en tand aan hun Mozes [194] vasthouden. De Spanjaarden behouden
zich alleen allen krijgsroem voor en de Duitschers verheffen zich op
de lengte hunner lichamen en hun kennis van de tooverkunst.