Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.
Al maak ik nog zulk een haast, kan ik toch hen niet met stilzwijgen
voorbijloopen, die, ofschoon zij in geen enkel opzicht van den
gemeensten handwerksman verschillen, toch zich heel wat laten voorstaan
op een ijdelen adellijken titel.
De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas [186], een tweede tot
Brutus [187], een derde tot Arcturus [188]. Zij laten u overal de
beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal
hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen,
terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast
nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin
leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst
leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort
van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek
ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen
genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk
gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap,
verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus [189] te zijn; een ander
gelooft, zoodra hij drie lijnen met een passer getrokken heeft, dat
hij op ende op een Euclides [190] is; een derde zingt bij de lier als
een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een
haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes
[191]. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin,
dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof
zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard
bij Seneca [192], die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven
bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja,
hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te
wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en
vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal
reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog
te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten
allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde,
dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken
op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft
afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van
tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper
het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof
verkondigt en overal rondbazuint. En--ieder vindt een spekje voor
zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets
is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met
al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen,
en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de
Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij
daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een
grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan
de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost,
hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in
den smaak valt?