HOOFDSTUK XLII.

Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.

Al maak ik nog zulk een haast, kan ik toch hen niet met stilzwijgen

voorbijloopen, die, ofschoon zij in geen enkel opzicht van den

gemeensten handwerksman verschillen, toch zich heel wat laten voorstaan

op een ijdelen adellijken titel.

De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas [186], een tweede tot

Brutus [187], een derde tot Arcturus [188]. Zij laten u overal de

beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal

hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen,

terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast

nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin

leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst

leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort

van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek

ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen

genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk

gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap,

verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus [189] te zijn; een ander

gelooft, zoodra hij drie lijnen met een passer getrokken heeft, dat

hij op ende op een Euclides [190] is; een derde zingt bij de lier als

een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een

haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes

[191]. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin,

dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof

zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard

bij Seneca [192], die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven

bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja,

hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te

wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en

vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal

reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog

te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten

allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde,

dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken

op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft

afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van

tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper

het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof

verkondigt en overal rondbazuint. En--ieder vindt een spekje voor

zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets

is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met

al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen,

en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de

Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij

daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een

grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan

de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost,

hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in

den smaak valt?

De Lof der Zotheid · 第 49 / 79 题