HOOFDSTUK XXXIX.

Aan een dergelijke krankzinnigheid lijden mannen, die hun vrouw

vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars.

Nu is volgens het oordeel der Zotheid ieder des te gelukkiger, naarmate

hij in meer opzichten aan waanzin lijdt, mits hij slechts blijft bij de

ons eigenaardige soort van waanzin, die zich zoover uitstrekt, dat ik

haast niet geloof onder het geheele menschdom iemand te kunnen vinden,

die te aller ure wijs is en die niet met eenig soort van waanzin behept

is. Het verschil bestaat slechts hierin: den man, die, als hij een

pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men krankzinnig,

omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand

bij kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit

hij met velen deelt, nog kuischer is dan Penelope [172], en zichzelf

nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige dwaling verkeert,

dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet,

dat dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt. Tot deze klasse

behooren ook zij, die de jacht boven alles stellen en hoog opgeven

van het ongeloofelijke zielsgenot, dat zij smaken, zoo vaak zij het

afschuwelijk horengeschetter en hondengejank hooren.

Vergis ik mij niet, dan lijkt hun de reuk van de uitwerpselen dezer

dieren even aangenaam als die van kaneel. Welk een genot vinden

zij verder in het afhakken van een stuk wild. Stieren en hamels mag

het gemeene volk afhakken, maar, dat een ander dan een edelman zulk

een dier in stukken snijdt, is allerminst geoorloofd. Hij hakt met

ontbloot hoofd, met gebogen knieën, met een opzettelijk daartoe bestemd

mes--want dit mag niet met het eerste het beste geschieden--,met

bepaalde gebaren, bepaalde stukken, in bepaalde volgorde van

het beest af, hoogst zorgvuldig, als gold het een godsdienstige

plechtigheid. Vol verbazing staat intusschen het volk zwijgend om

hem heen en kijkt de vertooning aan als een wonder, ofschoon het

iets dergelijks meer dan duizendmaal gezien heeft. En wien het geluk

ten deel valt iets van het beest te proeven, die meent inderdaad

heel wat deftiger te worden. Terwijl ze dus door het onafgebroken

vervolgen en eten van de wilde beesten niets anders bereiken, dan dat

ze zelf haast verdierlijken, gelooven zij desniettemin een leventje te

leiden als een koning. Hun slacht dat soort van menschen het meest,

die branden van een onverzadelijke lust tot bouwen, zoodat zij nu

eens het ronde door het vierkante en dan weer het vierkante door het

ronde vervangen. Hun hartstocht kent paal noch perk, totdat zij aan

den bedelstaf geraakt geen dak boven 't hoofd en niets meer te eten

hebben. Wat dan? Zij hebben intusschen ettelijke genotvolle jaren

doorgebracht. Het dichtst bij dezen komen, mijns inziens althans,

zij, die door nieuwe en geheime kunstmiddelen het wezen der dingen

trachten te veranderen en te land en ter zee jacht maken op een

vijfde grondstof, de quintessens [173]. Zij zijn zoo vervuld van

dit bekoorlijke droombeeld, dat hun moeilijkheden noch kosten ooit

verdrieten, en met een verbazende scherpzinnigheid denken zij telkens

iets uit om zichzelf opnieuw te foppen en het zelfbedrog aangenaam

te maken, totdat zij, na hun geheele vermogen te hebben doorgebracht,

volstrekt niets meer overhouden om hun oventje te stoken. Zij houden

evenwel niet op die zalige droomen te droomen en anderen naar hun beste

krachten tot het najagen van hetzelfde geluk aan te sporen. Voelen

zij zich eindelijk in al hun verwachtingen teleurgesteld, dan rest

hun toch nog één kernspreuk, waaruit volop troost te putten valt:

Bij groote daân is reeds de wil genoeg.

Dan geven zij den korten duur van het leven de schuld, als niet

toereikend voor den grooten omvang van hun taak. Wat verder de

dobbelaars aangaat, ik twijfel wel eenigszins, of hun een plaats in

ons gezelschap toekomt. Het is evenwel een in allen opzicht dwaas

en belachelijk schouwspel sommige menschen daaraan zoo verslaafd te

zien, dat, zoodra zij den klank der dobbelsteenen hooren, het hart

onmiddellijk in hen opspringt en hevig begint te kloppen. Als zij dan,

altijd weer verlokt door de hoop om te winnen, hun geheele vermogen

verloren hebben, hun scheepje op de klip van het spel, die vrij wat

meer te duchten is dan Malea [174], schipbreuk heeft geleden en zij

ternauwernood het bloote lijf er af gebracht hebben, dan bedriegen zij

nog alle anderen liever dan den winner, om niet voor mannen van weinig

karakter door te gaan. Zelfs op hun ouden dag en reeds half blind

spelen zij nog met behulp van glazen oogen. Eindelijk als de jicht,

het verdiende loon voor hun levenswijze, hun handen onbruikbaar maakt,

dan huren ze zelfs iemand om in hun plaats te werpen. Zeker is het

spel een aangenaam werk, maar het ontaardt gewoonlijk in een dollen

hartstocht en behoort dan bij de furiën, niet bij mij thuis.

De Lof der Zotheid · 第 46 / 79 题