Aan een dergelijke krankzinnigheid lijden mannen, die hun vrouw
vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars.
Nu is volgens het oordeel der Zotheid ieder des te gelukkiger, naarmate
hij in meer opzichten aan waanzin lijdt, mits hij slechts blijft bij de
ons eigenaardige soort van waanzin, die zich zoover uitstrekt, dat ik
haast niet geloof onder het geheele menschdom iemand te kunnen vinden,
die te aller ure wijs is en die niet met eenig soort van waanzin behept
is. Het verschil bestaat slechts hierin: den man, die, als hij een
pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men krankzinnig,
omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand
bij kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit
hij met velen deelt, nog kuischer is dan Penelope [172], en zichzelf
nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige dwaling verkeert,
dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet,
dat dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt. Tot deze klasse
behooren ook zij, die de jacht boven alles stellen en hoog opgeven
van het ongeloofelijke zielsgenot, dat zij smaken, zoo vaak zij het
afschuwelijk horengeschetter en hondengejank hooren.
Vergis ik mij niet, dan lijkt hun de reuk van de uitwerpselen dezer
dieren even aangenaam als die van kaneel. Welk een genot vinden
zij verder in het afhakken van een stuk wild. Stieren en hamels mag
het gemeene volk afhakken, maar, dat een ander dan een edelman zulk
een dier in stukken snijdt, is allerminst geoorloofd. Hij hakt met
ontbloot hoofd, met gebogen knieën, met een opzettelijk daartoe bestemd
mes--want dit mag niet met het eerste het beste geschieden--,met
bepaalde gebaren, bepaalde stukken, in bepaalde volgorde van
het beest af, hoogst zorgvuldig, als gold het een godsdienstige
plechtigheid. Vol verbazing staat intusschen het volk zwijgend om
hem heen en kijkt de vertooning aan als een wonder, ofschoon het
iets dergelijks meer dan duizendmaal gezien heeft. En wien het geluk
ten deel valt iets van het beest te proeven, die meent inderdaad
heel wat deftiger te worden. Terwijl ze dus door het onafgebroken
vervolgen en eten van de wilde beesten niets anders bereiken, dan dat
ze zelf haast verdierlijken, gelooven zij desniettemin een leventje te
leiden als een koning. Hun slacht dat soort van menschen het meest,
die branden van een onverzadelijke lust tot bouwen, zoodat zij nu
eens het ronde door het vierkante en dan weer het vierkante door het
ronde vervangen. Hun hartstocht kent paal noch perk, totdat zij aan
den bedelstaf geraakt geen dak boven 't hoofd en niets meer te eten
hebben. Wat dan? Zij hebben intusschen ettelijke genotvolle jaren
doorgebracht. Het dichtst bij dezen komen, mijns inziens althans,
zij, die door nieuwe en geheime kunstmiddelen het wezen der dingen
trachten te veranderen en te land en ter zee jacht maken op een
vijfde grondstof, de quintessens [173]. Zij zijn zoo vervuld van
dit bekoorlijke droombeeld, dat hun moeilijkheden noch kosten ooit
verdrieten, en met een verbazende scherpzinnigheid denken zij telkens
iets uit om zichzelf opnieuw te foppen en het zelfbedrog aangenaam
te maken, totdat zij, na hun geheele vermogen te hebben doorgebracht,
volstrekt niets meer overhouden om hun oventje te stoken. Zij houden
evenwel niet op die zalige droomen te droomen en anderen naar hun beste
krachten tot het najagen van hetzelfde geluk aan te sporen. Voelen
zij zich eindelijk in al hun verwachtingen teleurgesteld, dan rest
hun toch nog één kernspreuk, waaruit volop troost te putten valt:
Bij groote daân is reeds de wil genoeg.
Dan geven zij den korten duur van het leven de schuld, als niet
toereikend voor den grooten omvang van hun taak. Wat verder de
dobbelaars aangaat, ik twijfel wel eenigszins, of hun een plaats in
ons gezelschap toekomt. Het is evenwel een in allen opzicht dwaas
en belachelijk schouwspel sommige menschen daaraan zoo verslaafd te
zien, dat, zoodra zij den klank der dobbelsteenen hooren, het hart
onmiddellijk in hen opspringt en hevig begint te kloppen. Als zij dan,
altijd weer verlokt door de hoop om te winnen, hun geheele vermogen
verloren hebben, hun scheepje op de klip van het spel, die vrij wat
meer te duchten is dan Malea [174], schipbreuk heeft geleden en zij
ternauwernood het bloote lijf er af gebracht hebben, dan bedriegen zij
nog alle anderen liever dan den winner, om niet voor mannen van weinig
karakter door te gaan. Zelfs op hun ouden dag en reeds half blind
spelen zij nog met behulp van glazen oogen. Eindelijk als de jicht,
het verdiende loon voor hun levenswijze, hun handen onbruikbaar maakt,
dan huren ze zelfs iemand om in hun plaats te werpen. Zeker is het
spel een aangenaam werk, maar het ontaardt gewoonlijk in een dollen
hartstocht en behoort dan bij de furiën, niet bij mij thuis.