HOOFDSTUK XXXVIII.

Waanzin is begeerenswaard.

Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa [163] tegen:

Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid

komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want

wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes? Maar zij

zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, als de

Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te

ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals

Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden

Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido's te

maken [164], zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van

krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden

van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid

maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben:

Of begoochelt me een beminlijke waanzin? en Plato niet de woede van

dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des

levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas

krankzinnig genoemd hebben [165]. Maar de krankzinnigheid is tweeledig:

het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld

naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een

hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst

naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord,

bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van

dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een

van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden

vervolgen [166]. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste

hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken

heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo

dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de

ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei

genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een

brief aan Atticus [167] als een groot geschenk der Goden en dat wel,

opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had

die inwoner van Argos [168] het nog niet zoo mis, die in zoo verre

krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat,

lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er

prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling

was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf

man gedroeg:

Voor zijn vrienden goed,

Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven,

Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.

Toen zijn bloedverwanten hem door het toedienen van geneesmiddelen van

zijn ziekte verlost hadden en hij weer geheel zichzelf was geworden,

voer hij op de volgende wijze tegen zijn vrienden uit:

Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan,

Geen redding schonkt ge mij, wien zoo 't genot ontwrongen

En met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling [169].

Hij had gelijk, want zij zelf verkeerden in dwaling en hadden meer

behoefte aan nieskruid [170], omdat zij meenden een zoo gelukkigen

en aangenamen waanzin met drankjes te moeten verdrijven, alsof het

een kwaad was. Ik ben het evenwel met mijzelf nog lang niet eens,

of elke zins- of geestverbijstering wel waanzin moet heeten. Want als

iemand, die slechte oogen heeft, een muilezel voor een ezel aanziet

of als een ander een leelijk gedicht als een meesterstuk bewondert,

behoeft hij daarom niet dadelijk voor waanzinnig door te gaan. Zoo

echter iemand niet slechts in zijn zinnelijke waarnemingen maar

ook in het oordeel zijns geestes op een dwaalspoor is, dan zal

die eerst, vooral als hij steeds van de gebruikelijke zienswijze

afwijkt, voor min of meer krankzinnig doorgaan, bijv. degene, die,

zoo vaak hij een ezel hoort balken, meent een prachtige symphonie

te hooren, of als een arme drommel van de laagste afkomst meent,

dat hij Croesus [171], de koning van Lydië is. Maar dit soort van

waanzin, wanneer het, zooals veelal het geval is, een neiging bezit

om te amuseeren, verschaft een meer dan gewoon genot zoowel aan hen,

die er mee behept zijn, als aan anderen, die dit opgemerkt hebben

zonder evenwel juist aan dezelfde krankzinnigheid te lijden. Want dit

soort van krankzinnigheid heeft een veel grooter uitbreiding dan het

gros der menschen wel inziet. Maar de eene gek lacht beurtelings om

den anderen en zij verschaffen elkaar wederkeerig genoegen. En ook

zal men niet zelden zien, dat de grootste gek lacht om den kleinsten.

De Lof der Zotheid · 第 45 / 79 题