Waanzin is begeerenswaard.
Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa [163] tegen:
Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid
komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want
wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes? Maar zij
zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, als de
Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te
ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals
Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden
Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido's te
maken [164], zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van
krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden
van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid
maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben:
Of begoochelt me een beminlijke waanzin? en Plato niet de woede van
dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des
levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas
krankzinnig genoemd hebben [165]. Maar de krankzinnigheid is tweeledig:
het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld
naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een
hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst
naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord,
bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van
dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een
van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden
vervolgen [166]. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste
hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken
heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo
dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de
ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei
genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een
brief aan Atticus [167] als een groot geschenk der Goden en dat wel,
opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had
die inwoner van Argos [168] het nog niet zoo mis, die in zoo verre
krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat,
lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er
prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling
was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf
man gedroeg:
Voor zijn vrienden goed,
Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven,
Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.
Toen zijn bloedverwanten hem door het toedienen van geneesmiddelen van
zijn ziekte verlost hadden en hij weer geheel zichzelf was geworden,
voer hij op de volgende wijze tegen zijn vrienden uit:
Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan,
Geen redding schonkt ge mij, wien zoo 't genot ontwrongen
En met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling [169].
Hij had gelijk, want zij zelf verkeerden in dwaling en hadden meer
behoefte aan nieskruid [170], omdat zij meenden een zoo gelukkigen
en aangenamen waanzin met drankjes te moeten verdrijven, alsof het
een kwaad was. Ik ben het evenwel met mijzelf nog lang niet eens,
of elke zins- of geestverbijstering wel waanzin moet heeten. Want als
iemand, die slechte oogen heeft, een muilezel voor een ezel aanziet
of als een ander een leelijk gedicht als een meesterstuk bewondert,
behoeft hij daarom niet dadelijk voor waanzinnig door te gaan. Zoo
echter iemand niet slechts in zijn zinnelijke waarnemingen maar
ook in het oordeel zijns geestes op een dwaalspoor is, dan zal
die eerst, vooral als hij steeds van de gebruikelijke zienswijze
afwijkt, voor min of meer krankzinnig doorgaan, bijv. degene, die,
zoo vaak hij een ezel hoort balken, meent een prachtige symphonie
te hooren, of als een arme drommel van de laagste afkomst meent,
dat hij Croesus [171], de koning van Lydië is. Maar dit soort van
waanzin, wanneer het, zooals veelal het geval is, een neiging bezit
om te amuseeren, verschaft een meer dan gewoon genot zoowel aan hen,
die er mee behept zijn, als aan anderen, die dit opgemerkt hebben
zonder evenwel juist aan dezelfde krankzinnigheid te lijden. Want dit
soort van krankzinnigheid heeft een veel grooter uitbreiding dan het
gros der menschen wel inziet. Maar de eene gek lacht beurtelings om
den anderen en zij verschaffen elkaar wederkeerig genoegen. En ook
zal men niet zelden zien, dat de grootste gek lacht om den kleinsten.