Vervolg.
Ja zelfs scheppen ook de aanzienlijkste vorsten [159] zooveel vermaak
in hen, dat sommigen zonder hen zelfs niet kunnen tafelen, noch
uitgaan, noch het zelfs een uur uithouden; en zij stellen deze zotten
niet weinig hooger dan die zwartkijkende wijzen, van welk soort zij
echter eershalve een stuk of wat plegen te onderhouden. De reden van
die voorkeur is, mijns inziens, echter niet duister en moet niemand
vreemd voorkomen, daar die wijzen hun gewoonlijk niets anders dan
akeligheid brengen en vol vertrouwen op hun geleerdheid zich niet
ontzien ettelijke malen hun teeder gehoor te kwetsen met stekelige
waarheden, terwijl de narren hun datgene geven, wat de aanzienlijken
meer dan iets anders met alle mogelijke middelen van heinde en verre
najagen, aardigheden, gelach, geschater en pret. Let verder op deze
lang niet te versmaden gave der zotten, dat zij alleen naief zijn
en de waarheid spreken. En bestaat er wel iets lofwaardigers dan
de waarheid? Want alhoewel een door Alcibiades bij Plato gebezigd
spreekwoord [160] de waarheid toeschrijft aan den wijn en den
kinderlijken leeftijd, komt mij toch in 't bijzonder al die lof toe,
zelfs volgens Euripides' [161] getuigenis, van wien dit beroemde
gezegde omtrent ons bestaat: dwaasheên immers zegt een dwaas. De
gelaatstrekken van een zot verraden wat er in zijn binnenste omgaat,
en hij flapt het er alles uit. De wijzen daarentegen bezitten,
volgens een opmerking van denzelfden Euripides, twee tongen; met
een van deze spreken zij de waarheid, met de andere zeggen zij wat
hun in zekere omstandigheden geschikt voorkomt. Zij kunnen daarom
ook wit zwart maken, met denzelfden mond blazend iets even goed koud
als warm laten worden [162] en de zaken in hun spreken geheel anders
voorstellen dan zij in hun binnenste er over denken. Voorts zijn,
naar het mij voorkomt, de vorsten, bij al hun geluk, evenwel in
dit opzicht hoogst ongelukkig, dat zij niemand hebben die hun de
waarheid zegt, en wel genoodzaakt zijn vleiers als hun vrienden te
beschouwen. Maar, zegt misschien iemand, de ooren der vorsten hebben
een afschuw van de waarheid en juist hierom ontvluchten zij die wijzen,
omdat zij vreezen, dat er soms een man zal opstaan, vrijmoedig genoeg
om hun woorden te durven zeggen, meer waar dan aangenaam. Het is er
inderdaad zoo mee gesteld: de koningen haten de waarheid. Maar juist
dit is zoo vreemd bij mijn dwazen, dat men niet slechts waarheden,
maar zelfs klinkklare smaadwoorden met genoegen van hen aanhoort,
zoodat hetzelfde gezegde, dat, indien het uit den mond van een wijze
kwam, hem het hoofd zou kosten, wanneer het van een zot komt een
ongeloofelijk genot verschaft. Want de waarheid heeft een zekere
natuurlijke kracht om te behagen, als er namelijk niets kwetsends
bijkomt, maar dit voorrecht hebben de Goden zeker alleen aan de zotten
geschonken. Om vrijwel dezelfde redenen hebben de vrouwen gewoonlijk in
dit slag van volkje zulk een innig genoegen, omdat zij van natuur een
grootere neiging tot genot en dwaasheden bezitten. Daarom noemen zij,
als zij iets dergelijks hebben uitgehaald, al is het soms van hoogst
ernstigen aard, het toch niet anders dan jok en scherts, geheel in
overeenstemming met het groote talent, dat die sekse bovenal bezit,
om een dekmantel te vinden voor haar zonden.