HOOFDSTUK XXXVI.

Vervolg.

Ja zelfs scheppen ook de aanzienlijkste vorsten [159] zooveel vermaak

in hen, dat sommigen zonder hen zelfs niet kunnen tafelen, noch

uitgaan, noch het zelfs een uur uithouden; en zij stellen deze zotten

niet weinig hooger dan die zwartkijkende wijzen, van welk soort zij

echter eershalve een stuk of wat plegen te onderhouden. De reden van

die voorkeur is, mijns inziens, echter niet duister en moet niemand

vreemd voorkomen, daar die wijzen hun gewoonlijk niets anders dan

akeligheid brengen en vol vertrouwen op hun geleerdheid zich niet

ontzien ettelijke malen hun teeder gehoor te kwetsen met stekelige

waarheden, terwijl de narren hun datgene geven, wat de aanzienlijken

meer dan iets anders met alle mogelijke middelen van heinde en verre

najagen, aardigheden, gelach, geschater en pret. Let verder op deze

lang niet te versmaden gave der zotten, dat zij alleen naief zijn

en de waarheid spreken. En bestaat er wel iets lofwaardigers dan

de waarheid? Want alhoewel een door Alcibiades bij Plato gebezigd

spreekwoord [160] de waarheid toeschrijft aan den wijn en den

kinderlijken leeftijd, komt mij toch in 't bijzonder al die lof toe,

zelfs volgens Euripides' [161] getuigenis, van wien dit beroemde

gezegde omtrent ons bestaat: dwaasheên immers zegt een dwaas. De

gelaatstrekken van een zot verraden wat er in zijn binnenste omgaat,

en hij flapt het er alles uit. De wijzen daarentegen bezitten,

volgens een opmerking van denzelfden Euripides, twee tongen; met

een van deze spreken zij de waarheid, met de andere zeggen zij wat

hun in zekere omstandigheden geschikt voorkomt. Zij kunnen daarom

ook wit zwart maken, met denzelfden mond blazend iets even goed koud

als warm laten worden [162] en de zaken in hun spreken geheel anders

voorstellen dan zij in hun binnenste er over denken. Voorts zijn,

naar het mij voorkomt, de vorsten, bij al hun geluk, evenwel in

dit opzicht hoogst ongelukkig, dat zij niemand hebben die hun de

waarheid zegt, en wel genoodzaakt zijn vleiers als hun vrienden te

beschouwen. Maar, zegt misschien iemand, de ooren der vorsten hebben

een afschuw van de waarheid en juist hierom ontvluchten zij die wijzen,

omdat zij vreezen, dat er soms een man zal opstaan, vrijmoedig genoeg

om hun woorden te durven zeggen, meer waar dan aangenaam. Het is er

inderdaad zoo mee gesteld: de koningen haten de waarheid. Maar juist

dit is zoo vreemd bij mijn dwazen, dat men niet slechts waarheden,

maar zelfs klinkklare smaadwoorden met genoegen van hen aanhoort,

zoodat hetzelfde gezegde, dat, indien het uit den mond van een wijze

kwam, hem het hoofd zou kosten, wanneer het van een zot komt een

ongeloofelijk genot verschaft. Want de waarheid heeft een zekere

natuurlijke kracht om te behagen, als er namelijk niets kwetsends

bijkomt, maar dit voorrecht hebben de Goden zeker alleen aan de zotten

geschonken. Om vrijwel dezelfde redenen hebben de vrouwen gewoonlijk in

dit slag van volkje zulk een innig genoegen, omdat zij van natuur een

grootere neiging tot genot en dwaasheden bezitten. Daarom noemen zij,

als zij iets dergelijks hebben uitgehaald, al is het soms van hoogst

ernstigen aard, het toch niet anders dan jok en scherts, geheel in

overeenstemming met het groote talent, dat die sekse bovenal bezit,

om een dekmantel te vinden voor haar zonden.

De Lof der Zotheid · 第 43 / 79 题