Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen.
Anderzijds stelt hij [155] de gewone menschen in veel opzichten boven
de geleerden en groote mannen, en die Gryllus [156] was vrij wat
wijzer dan de schrandere Ulixes, daar hij liever in een varkenskot
wilde knorren dan met hem de speelbal worden van zooveel rampzalige
ongevallen. Mijns inziens is Homerus, de vader der guiterijen, van geen
ander gevoelen, daar hij niet alleen alle stervelingen herhaaldelijk
rampzalige zwoegers noemt maar zelfs aan Ulixes, zijn model van
wijsheid, meermalen den naam Ongelukskind geeft, zonder evenwel Paris
of Aiax of Achilles [157] ergens zoo te betitelen. Waarom doet hij
dit dan? Wel, omdat die slimme vos alles deed op raad van Pallas en
al te wijs was, terwijl hij zich zoo ver mogelijk van de leiding der
natuur verwijderde. Evenals dus onder de stervelingen zij het verst
van het geluk afstaan, die zich op de wijsheid toeleggen, daar zij
zeer zeker hierom juist dubbel dwaas zijn, omdat zij, ofschoon als
menschen geboren, zonder om hun stand te denken, uit zucht om als de
onsterfelijke Goden te leven, op het voorbeeld der Giganten [158],
met den stormram der geleerdheid der natuur den oorlog aandoen, zoo
zijn ook zij, mijns bedunkens, het allerminst ongelukkig, die het
naast bij den aanleg en de dwaasheid der redelooze dieren komen en
in niets verder gaan dan een mensch geoorloofd is.
Kom, laten wij eens beproeven, of wij dit ook, niet door een
stoische bewijsvoering, maar door een doodeenvoudig voorbeeld
kunnen aantoonen. En bij de onsterfelijke Goden, bestaat er wel iets
gelukkigers in de wereld dan dat slag van menschen, dat men gewoonlijk
narren, dwazen, zotten en domkoppen noemt, de schoonste bijnamen,
die men naar mijn meening dragen kan? Deze bewering klinkt misschien,
als men haar voor 't eerst hoort, dwaas en ongerijmd en toch is haar
waarheid boven allen twijfel verheven. Vooreerst kennen zij volstrekt
geen vrees voor den dood, een kwaad, dat waarachtig niet gering te
schatten is. Ook kennen zij geen gewetenswroegingen. Zij laten zich
niet verschrikken door al de sprookjes over het schimmenrijk; zij
sidderen niet voor spoken en geestverschijningen; hun hart wordt niet
toegenepen door vrees voor dreigende rampen en evenmin foltert hen
de hoop op een toekomstig geluk. Om kort te gaan, zij zijn niet ten
prooi aan de duizenden zorgen, waaraan dit leven onderhevig is. Zij
kennen geen schaamte, geen vrees, geen eerzucht, geen afgunst, geen
liefde. Als zij ten slotte nog nader bij het onverstand der redelooze
dieren komen, dan kunnen zij, volgens het beweren der Godgeleerden,
zelfs niet meer zondigen. Doe mij nu het genoegen, gij allerdwaaste
wijze, eens goed te overwegen, door hoeveel muizenissen uw ziel nacht
en dag van alle kanten gekweld wordt. Breng al de ongemakken uws
levens op een hoop: dan eerst zult gij inzien, van hoeveel leed ik
mijn zotten bevrijd heb. Voeg hierbij nog, dat zij niet alleen zelf
voortdurend vroolijk zijn, spelen, neuriën en lachen, maar ook voor
al hun medemenschen, waar zij komen, genot, scherts, vroolijkheid
en gelach meebrengen, alsof zij juist met dit doel door de goedheid
der goden geschonken zijn, om de droefheid van het menschelijk leven
te vervroolijken.
Dit is de reden, waarom, ofschoon de menschen jegens elkander zeer
verschillend gezind zijn, zij hen allen gelijkelijk als hun eigen
familie erkennen, zoeken, onthalen, vertroetelen en omhelzen, in nood
helpen, en al wat zij zeggen of doen, ongestraft laten. Het is er
zelfs zoo ver af, dat iemand hen wil schaden, dat ook de wilde beesten,
door een soort van natuurlijk gevoel voor de onschuld gedreven, zich
wachten hen kwaad te doen. Want zij zijn inderdaad den Goden heilig,
bovenal aan mij, en daarom wordt hun niet ten onrechte door allen
deze eer bewezen.