HOOFDSTUK XXXV.

Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen.

Anderzijds stelt hij [155] de gewone menschen in veel opzichten boven

de geleerden en groote mannen, en die Gryllus [156] was vrij wat

wijzer dan de schrandere Ulixes, daar hij liever in een varkenskot

wilde knorren dan met hem de speelbal worden van zooveel rampzalige

ongevallen. Mijns inziens is Homerus, de vader der guiterijen, van geen

ander gevoelen, daar hij niet alleen alle stervelingen herhaaldelijk

rampzalige zwoegers noemt maar zelfs aan Ulixes, zijn model van

wijsheid, meermalen den naam Ongelukskind geeft, zonder evenwel Paris

of Aiax of Achilles [157] ergens zoo te betitelen. Waarom doet hij

dit dan? Wel, omdat die slimme vos alles deed op raad van Pallas en

al te wijs was, terwijl hij zich zoo ver mogelijk van de leiding der

natuur verwijderde. Evenals dus onder de stervelingen zij het verst

van het geluk afstaan, die zich op de wijsheid toeleggen, daar zij

zeer zeker hierom juist dubbel dwaas zijn, omdat zij, ofschoon als

menschen geboren, zonder om hun stand te denken, uit zucht om als de

onsterfelijke Goden te leven, op het voorbeeld der Giganten [158],

met den stormram der geleerdheid der natuur den oorlog aandoen, zoo

zijn ook zij, mijns bedunkens, het allerminst ongelukkig, die het

naast bij den aanleg en de dwaasheid der redelooze dieren komen en

in niets verder gaan dan een mensch geoorloofd is.

Kom, laten wij eens beproeven, of wij dit ook, niet door een

stoische bewijsvoering, maar door een doodeenvoudig voorbeeld

kunnen aantoonen. En bij de onsterfelijke Goden, bestaat er wel iets

gelukkigers in de wereld dan dat slag van menschen, dat men gewoonlijk

narren, dwazen, zotten en domkoppen noemt, de schoonste bijnamen,

die men naar mijn meening dragen kan? Deze bewering klinkt misschien,

als men haar voor 't eerst hoort, dwaas en ongerijmd en toch is haar

waarheid boven allen twijfel verheven. Vooreerst kennen zij volstrekt

geen vrees voor den dood, een kwaad, dat waarachtig niet gering te

schatten is. Ook kennen zij geen gewetenswroegingen. Zij laten zich

niet verschrikken door al de sprookjes over het schimmenrijk; zij

sidderen niet voor spoken en geestverschijningen; hun hart wordt niet

toegenepen door vrees voor dreigende rampen en evenmin foltert hen

de hoop op een toekomstig geluk. Om kort te gaan, zij zijn niet ten

prooi aan de duizenden zorgen, waaraan dit leven onderhevig is. Zij

kennen geen schaamte, geen vrees, geen eerzucht, geen afgunst, geen

liefde. Als zij ten slotte nog nader bij het onverstand der redelooze

dieren komen, dan kunnen zij, volgens het beweren der Godgeleerden,

zelfs niet meer zondigen. Doe mij nu het genoegen, gij allerdwaaste

wijze, eens goed te overwegen, door hoeveel muizenissen uw ziel nacht

en dag van alle kanten gekweld wordt. Breng al de ongemakken uws

levens op een hoop: dan eerst zult gij inzien, van hoeveel leed ik

mijn zotten bevrijd heb. Voeg hierbij nog, dat zij niet alleen zelf

voortdurend vroolijk zijn, spelen, neuriën en lachen, maar ook voor

al hun medemenschen, waar zij komen, genot, scherts, vroolijkheid

en gelach meebrengen, alsof zij juist met dit doel door de goedheid

der goden geschonken zijn, om de droefheid van het menschelijk leven

te vervroolijken.

Dit is de reden, waarom, ofschoon de menschen jegens elkander zeer

verschillend gezind zijn, zij hen allen gelijkelijk als hun eigen

familie erkennen, zoeken, onthalen, vertroetelen en omhelzen, in nood

helpen, en al wat zij zeggen of doen, ongestraft laten. Het is er

zelfs zoo ver af, dat iemand hen wil schaden, dat ook de wilde beesten,

door een soort van natuurlijk gevoel voor de onschuld gedreven, zich

wachten hen kwaad te doen. Want zij zijn inderdaad den Goden heilig,

bovenal aan mij, en daarom wordt hun niet ten onrechte door allen

deze eer bewezen.

De Lof der Zotheid · 第 42 / 79 题