HOOFDSTUK XXXIII.

Vervolg.

Toch zijn onder deze wetenschappen juist diegene het meest in

eere, welke het dichtst onder het bereik van een gewoon menschelijk

verstand m. a. w. van de Zotheid vallen. De godgeleerden hongeren, de

natuurkundigen zijn in minachting, de sterrekundigen worden uitgelachen

en om de professoren in de redeneerkunst bekommert zich niemand. Alleen

de geneesheer weegt tegen vele andere mannen op [152]. En zelfs van

dit slag van geleerden wordt iemand, hoe ongeleerder, vermeteler

en onbedachtzamer hij is, des te meer geëerd zelfs bij de hooge

heerschappen. En toch is de geneeskunde, vooral zooals zij nu door

verscheidenen wordt uitgeoefend, zeker niets anders dan een beetje

vleierij [153], even zoo goed als de redekunst. Na dezen wordt de

volgende plaats aan de wetsverdraaiers toegewezen--ja, misschien komt

hun de eerste wel toe--, wier beroep de wijsgeeren, om nu zelf niet

voor mijn eigen gevoelen uit te komen, eenstemmig een vak voor ezels

noemen. En toch worden de grootste zoowel als de kleinste zaken naar

de willekeur van deze ezels beslecht. Hun uitgestrekte landgoederen

nemen gaandeweg in omvang toe, terwijl de Godgeleerde intusschen,

na de geheimenissen der Godheid in al haar schuilhoeken te hebben

uitgevorscht, op zijn harde boonen blijft kauwen, in eeuwigen strijd

met wandluizen en ander ongedierte: Gelijk dus de wetenschappen meer

geluk hebben, die nauwer verwant zijn met de Zotheid, zoo zijn ook

die menschen verreweg het gelukkigst, wien het vergund was, zich

geheel te onthouden van alle verkeer met de wetenschappen en alleen

de natuur als leidsvrouw te volgen, die in geen enkel opzicht ons in

den steek laat, behalve wanneer wij soms in onzen overmoed de heilige

grenzen van hetgeen den sterveling vergund is, willen overschrijden. De

natuur haat al het gekunstelde en wat door geen kunst geleden heeft,

tiert verreweg het weligst.

De Lof der Zotheid · 第 40 / 79 题