Vervolg.
Toch zijn onder deze wetenschappen juist diegene het meest in
eere, welke het dichtst onder het bereik van een gewoon menschelijk
verstand m. a. w. van de Zotheid vallen. De godgeleerden hongeren, de
natuurkundigen zijn in minachting, de sterrekundigen worden uitgelachen
en om de professoren in de redeneerkunst bekommert zich niemand. Alleen
de geneesheer weegt tegen vele andere mannen op [152]. En zelfs van
dit slag van geleerden wordt iemand, hoe ongeleerder, vermeteler
en onbedachtzamer hij is, des te meer geëerd zelfs bij de hooge
heerschappen. En toch is de geneeskunde, vooral zooals zij nu door
verscheidenen wordt uitgeoefend, zeker niets anders dan een beetje
vleierij [153], even zoo goed als de redekunst. Na dezen wordt de
volgende plaats aan de wetsverdraaiers toegewezen--ja, misschien komt
hun de eerste wel toe--, wier beroep de wijsgeeren, om nu zelf niet
voor mijn eigen gevoelen uit te komen, eenstemmig een vak voor ezels
noemen. En toch worden de grootste zoowel als de kleinste zaken naar
de willekeur van deze ezels beslecht. Hun uitgestrekte landgoederen
nemen gaandeweg in omvang toe, terwijl de Godgeleerde intusschen,
na de geheimenissen der Godheid in al haar schuilhoeken te hebben
uitgevorscht, op zijn harde boonen blijft kauwen, in eeuwigen strijd
met wandluizen en ander ongedierte: Gelijk dus de wetenschappen meer
geluk hebben, die nauwer verwant zijn met de Zotheid, zoo zijn ook
die menschen verreweg het gelukkigst, wien het vergund was, zich
geheel te onthouden van alle verkeer met de wetenschappen en alleen
de natuur als leidsvrouw te volgen, die in geen enkel opzicht ons in
den steek laat, behalve wanneer wij soms in onzen overmoed de heilige
grenzen van hetgeen den sterveling vergund is, willen overschrijden. De
natuur haat al het gekunstelde en wat door geen kunst geleden heeft,
tiert verreweg het weligst.