Van de wetenschappen, die in het algemeen tot verderf van het menschdom
zijn uitgevonden, bezitten zij, die het nauwst met de Zotheid verband
houden, de meeste waarde.
Maar ik hoor in mijn verbeelding de wijsgeeren hiertegen hun stem
verheffen. Juist hierin, zeggen zij, bestaat iemands ongeluk, dat hij
in de macht der Zotheid is, dat hij dwaalt, zich vergist, onwetend
is. Neen, dit is integendeel eerst mensch zijn. Waarom zij iemand om
deze reden wel ongelukkig noemen, zie ik niet in, dewijl gij door uw
geboorte, uw opvoeding, uw levensomstandigheden zoo geworden zijt en
dit aller gemeenschappelijk lot is. Er is echter niets ongelukkig,
wat in zijn natuurlijken toestand blijft, of iemand mocht misschien
den mensch beklagenswaardig achten, omdat hij niet met de vogels kan
vliegen, noch met de overige zoogdieren op vier voeten gaan, noch met
horens gewapend is, zooals de stieren. Maar deze man zal, om zichzelf
gelijk te blijven, ook het schoonste paard ongelukkig noemen, omdat
het geen spraakkunst geleerd heeft en geen koeken eet, den stier
ongelukkig, omdat hij ongeschikt is voor de gymnastiek. Derhalve,
evenals een paard, onervaren in de spraakkunst, niet rampzalig is, zoo
is ook een mensch door zijn dwaasheid niet ongelukkig, omdat zij een
natuurlijke eigenschap van hem is. Maar nu komen de woordenzifters het
ons weer lastig maken. Den mensch alleen, beweren zij, is de kennis der
wetenschappen gegeven, om met behulp van dezen hetgeen van de natuur
te weinig ontvangen is, door zijn verstand aan te vullen. Alsof het
eenige schijn van waarheid had, dat de natuur, die voor de muggen en
zelfs voor de kruiden en bloempjes zoo angstvallig gewaakt heeft, bij
den mensch alleen zoo zou gedut hebben, dat hij de wetenschappen noodig
had, welke Theut, de vijandige geest, tot verderf van het menschelijk
geslacht heeft uitgevonden, de wetenschappen, waardoor ons geluk zoo
weinig bevorderd wordt, dat zij juist datgene benadeelen, waartoe zij,
naar men wil, zijn uitgevonden, zooals die verstandige koning dit bij
Plato zoo keurig omtrent de uitvinding van het letterschrift betoogt
[148]. Daarom behooren ook de wetenschappen tot die inkruipsels, welke,
met zooveel andere, het menschelijke leven bedorven hebben en wel door
toedoen van diezelfde wezens, aan wie alle wandaden haar oorsprong te
danken hebben, de daemonen, die daaraan ook hun naam ontleenen, die
men door "wetenden" zou kunnen verklaren [149]. Dat eenvoudige volk
der gouden eeuw [150] kende immers de wapenen der wetenschappen niet en
leefde alleen volgens de leiding en de stem der natuur. Waartoe had men
toch de spraakkunst noodig, daar allen dezelfde taal bezigden en men
met het spreken geen ander doel beoogde dan elkaar te verstaan? Wat
nut had de redeneerkunst, toen er nooit verschil over tegenstrijdige
gevoelens bestond? Wat behoefte gevoelde men aan de redekunst, toen
niemand het zijn medemensch nog lastig maakte? Waartoe had men de
wijsheid der wetten noodig, toen er nog geen onzedelijkheid bestond,
waaruit ongetwijfeld de goede wetten zijn voortgekomen? Voorts waren
zij te godsdienstig om uit goddelooze nieuwsgierigheid de geheimen
der natuur, de afmetingen der gesternten, hun bewegingen, invloeden,
de geheime oorzaken der dingen uit te vorschen; zij achtten het een
gruwel, zoo een sterveling wijzer trachtte te zijn dan hem vergund
was. Natuurlijk kwam de onzinnige gedachte om te weten wat aan
gene zijde des hemels ligt, in het geheel niet bij hen op. Doch toen
langzamerhand de reinheid der gouden eeuw verdween, zijn eerst, gelijk
ik reeds opgemerkt heb, door die booze geesten kunsten en wetenschappen
uitgevonden, maar zij waren weinig in aantal en deze vonden nog bij
weinigen ingang. Later voegde het bijgeloof der Chaldeeërs [151] en de
ledige lichtzinnigheid der Grieken tallooze andere hierbij, enkel en
alleen tot pijniging der geesten, zoodat zeker de spraakkunst alleen
volop in staat is het leven tot een onafgebroken foltering te maken.