HOOFDSTUK XXXII.

Van de wetenschappen, die in het algemeen tot verderf van het menschdom

zijn uitgevonden, bezitten zij, die het nauwst met de Zotheid verband

houden, de meeste waarde.

Maar ik hoor in mijn verbeelding de wijsgeeren hiertegen hun stem

verheffen. Juist hierin, zeggen zij, bestaat iemands ongeluk, dat hij

in de macht der Zotheid is, dat hij dwaalt, zich vergist, onwetend

is. Neen, dit is integendeel eerst mensch zijn. Waarom zij iemand om

deze reden wel ongelukkig noemen, zie ik niet in, dewijl gij door uw

geboorte, uw opvoeding, uw levensomstandigheden zoo geworden zijt en

dit aller gemeenschappelijk lot is. Er is echter niets ongelukkig,

wat in zijn natuurlijken toestand blijft, of iemand mocht misschien

den mensch beklagenswaardig achten, omdat hij niet met de vogels kan

vliegen, noch met de overige zoogdieren op vier voeten gaan, noch met

horens gewapend is, zooals de stieren. Maar deze man zal, om zichzelf

gelijk te blijven, ook het schoonste paard ongelukkig noemen, omdat

het geen spraakkunst geleerd heeft en geen koeken eet, den stier

ongelukkig, omdat hij ongeschikt is voor de gymnastiek. Derhalve,

evenals een paard, onervaren in de spraakkunst, niet rampzalig is, zoo

is ook een mensch door zijn dwaasheid niet ongelukkig, omdat zij een

natuurlijke eigenschap van hem is. Maar nu komen de woordenzifters het

ons weer lastig maken. Den mensch alleen, beweren zij, is de kennis der

wetenschappen gegeven, om met behulp van dezen hetgeen van de natuur

te weinig ontvangen is, door zijn verstand aan te vullen. Alsof het

eenige schijn van waarheid had, dat de natuur, die voor de muggen en

zelfs voor de kruiden en bloempjes zoo angstvallig gewaakt heeft, bij

den mensch alleen zoo zou gedut hebben, dat hij de wetenschappen noodig

had, welke Theut, de vijandige geest, tot verderf van het menschelijk

geslacht heeft uitgevonden, de wetenschappen, waardoor ons geluk zoo

weinig bevorderd wordt, dat zij juist datgene benadeelen, waartoe zij,

naar men wil, zijn uitgevonden, zooals die verstandige koning dit bij

Plato zoo keurig omtrent de uitvinding van het letterschrift betoogt

[148]. Daarom behooren ook de wetenschappen tot die inkruipsels, welke,

met zooveel andere, het menschelijke leven bedorven hebben en wel door

toedoen van diezelfde wezens, aan wie alle wandaden haar oorsprong te

danken hebben, de daemonen, die daaraan ook hun naam ontleenen, die

men door "wetenden" zou kunnen verklaren [149]. Dat eenvoudige volk

der gouden eeuw [150] kende immers de wapenen der wetenschappen niet en

leefde alleen volgens de leiding en de stem der natuur. Waartoe had men

toch de spraakkunst noodig, daar allen dezelfde taal bezigden en men

met het spreken geen ander doel beoogde dan elkaar te verstaan? Wat

nut had de redeneerkunst, toen er nooit verschil over tegenstrijdige

gevoelens bestond? Wat behoefte gevoelde men aan de redekunst, toen

niemand het zijn medemensch nog lastig maakte? Waartoe had men de

wijsheid der wetten noodig, toen er nog geen onzedelijkheid bestond,

waaruit ongetwijfeld de goede wetten zijn voortgekomen? Voorts waren

zij te godsdienstig om uit goddelooze nieuwsgierigheid de geheimen

der natuur, de afmetingen der gesternten, hun bewegingen, invloeden,

de geheime oorzaken der dingen uit te vorschen; zij achtten het een

gruwel, zoo een sterveling wijzer trachtte te zijn dan hem vergund

was. Natuurlijk kwam de onzinnige gedachte om te weten wat aan

gene zijde des hemels ligt, in het geheel niet bij hen op. Doch toen

langzamerhand de reinheid der gouden eeuw verdween, zijn eerst, gelijk

ik reeds opgemerkt heb, door die booze geesten kunsten en wetenschappen

uitgevonden, maar zij waren weinig in aantal en deze vonden nog bij

weinigen ingang. Later voegde het bijgeloof der Chaldeeërs [151] en de

ledige lichtzinnigheid der Grieken tallooze andere hierbij, enkel en

alleen tot pijniging der geesten, zoodat zeker de spraakkunst alleen

volop in staat is het leven tot een onafgebroken foltering te maken.

De Lof der Zotheid · 第 39 / 79 题