Zij maakt het leven dragelijk.
Als dan nu eens iemand als van een hoog gelegen punt rondzag,
gelijk de dichters dit met zooveel ophef van Jupiter verhalen,
aan hoeveel rampen 's menschen leven onderhevig is, hoe rampzalig
en hoe vuil hij geboren wordt, met hoeveel moeiten zijn opvoeding
gepaard gaat, aan hoeveel ongelukken zijn kindsheid is blootgesteld,
hoe hij in de kracht des levens moet zweeten en zwoegen, hoe zwaar
de ouderdom drukt, hoe hard de noodzakelijkheid van den dood is,
hoeveel drommen van ziekten hem bestoken, hoeveel ongevallen hem
bedreigen, hoeveel ongemakken hem treffen, hoe er nergens ter wereld
iets bestaat, dat niet met veel gal is bestreken, om niet van al het
leed te spreken, dat de eene mensch over den ander brengt, waartoe
behooren: armoede, gevangenis, oneer, schande, pijnbank, valstrikken,
verraad, scheldwoorden, rechtsgedingen, bedriegerijen--maar ik begin
daar waarlijk een werk, zoo onmogelijk als het tellen van het zand
der zee. Wat de menschen toch wel gedaan hebben, om dit alles te
verdienen of welke God in zijn toorn hen gedwongen heeft tot al deze
ellende geboren te worden, dat mag ik op dit oogenblik niet ronduit
zeggen. Maar wie dat alles nauwgezet overweegt, zal hij niet het
door de Milesische meisjes gegeven voorbeeld volgen [140], al is het
ook nog zoo beklagenswaardig? Wie hebben toch wel uit afkeer van het
leven den dood gezocht? Waren het niet zij, die zich tot de wijsheid
aangetrokken gevoelden? Onder hen, om nu niet te spreken van mannen
als Diogenes [141], Xenocrates [142], Cato [143], Cassius en Brutus
[144], gaf de bekende Chiron [145], ofschoon hij onsterfelijk mocht
zijn, voor zich de voorkeur aan den dood. Gij begrijpt nu, naar ik
geloof, wat het gevolg zou zijn, als de menschen over 't algemeen
wijs waren: men zou nieuw leven en een nieuwen vormer als Prometheus
[146] noodig hebben. Maar ik weet deels door onwetendheid, deels door
onnadenkendheid, soms door het vergeten van het leed, nu en dan door
de hoop op geluk, ettelijke malen door de genietingen met eenige
honingdroppels te besprenkelen, hen bij al 't groote leed zoo te
helpen, dat zij dan zelfs geen lust hebben het leven te verlaten, als
de draad der schikgodinnen is afgesponnen en het leven zelf hen reeds
lang bezig is te verlaten. Hoe minder reden er voor hen bestaat om in
't leven te moeten blijven, des te meer vinden zij er smaak in: zoover
is het er af, dat zij zich eenigszins levenszat voelen. Het is immers
aan mij te danken, dat gij overal grijsaards zoo oud als Nestor ziet,
bij wie zelfs geen schijn van een mensch over is, stamelende, soezende,
tandeloos, grijs, kaal, of om hen liever met Aristophanes' woorden
te beschrijven, morsig, gebogen, ellendig, rimpelig, kaalhoofdig,
tandeloos en wellustig. Zij vinden desniettemin zooveel genot in het
leven en voelen zich zoo jong, dat de een zijn grijze lokken verft,
de ander door een pruik zijn kaalheid tracht te verbergen, een derde
tanden bezigt, die hij misschien vroeger van het een of ander varken
ter leen genomen heeft, een vierde smoorlijk verliefd is op een meisje
en door zijn verliefde dwaasheden het nog van ieder jong kereltje wint.
Want dat reeds stokoude grijsaards, die al met het eene been in 't
graf staan, een jong deerntje tot vrouw nemen en dan nog wel zonder
huwelijksgift, terwijl anderen haar gunsten later zullen genieten,
dit komt zoo dikwijls voor, dat het bijna als een lofwaardige daad
beschouwd wordt. Maar het is nog veel aardiger op te merken, hoe
oude wijven, reeds door hoogen leeftijd tot mummies geworden en zoo
lijkachtig, dat men haast zou denken, dat zij uit de onderwereld zijn
teruggekeerd, toch altijd de woorden in den mond hebben "Hoe schoon is
het leven;" dat zij nog steeds dol verliefd zijn en den een of anderen
Phaon [147] voor een hoog loon huren en lokken, eeuwig haar gelaat
blanketten, van haar spiegel niet zijn af te slaan, zich de haartjes
uittrekken, haar slappen en verwelkten boezem bloot dragen en met haar
trillend gelach het verdoofde minnevuur trachten te wekken; dat zij
sterk drinken, in de reien der jonge meisjes dansen en minnebriefjes
schrijven. Wel, noemt de geheele wereld dit spottend de grootste
zotternij, wat het ook inderdaad is, maar zij behagen zichzelf en
smaken intusschen het hoogste genot en wentelen zich in weelde,
wat zij natuurlijk aan mijn goedheid te danken hebben. Verder zou ik
gaarne zien, dat zij, wien dit belachelijk voorkomt, dit bij zichzelf
overwogen, of zij het beter vinden door een dergelijke dwaasheid hun
leven in alle geneugten te slijten of, volgens een bekend gezegde, naar
een balk om te zien, waaraan zij zich kunnen ophangen. Wel staat zulk
een leefwijze gemeenlijk in een slechten reuk, maar hiermede hebben
mijn zotten volstrekt niets te maken, die dit kwaad of niet bemerken
of, als zij dit soms doen, zich er licht overheen zetten. Als iemand
een steen op het hoofd valt, dan is dit zeker inderdaad een kwaad. Maar
schande, oneer, verwijten en scheldwoorden kwetsen slechts in zooverre,
als men er gevoel voor heeft. Ontbreekt dit, dan is het zelfs geen
leed. Wat deert het u, als het geheele volk u uitjouwt, als gij u
zelf maar toejuicht? En het verlof hiertoe verleent de Zotheid alleen.