HOOFDSTUK XXXI.

Zij maakt het leven dragelijk.

Als dan nu eens iemand als van een hoog gelegen punt rondzag,

gelijk de dichters dit met zooveel ophef van Jupiter verhalen,

aan hoeveel rampen 's menschen leven onderhevig is, hoe rampzalig

en hoe vuil hij geboren wordt, met hoeveel moeiten zijn opvoeding

gepaard gaat, aan hoeveel ongelukken zijn kindsheid is blootgesteld,

hoe hij in de kracht des levens moet zweeten en zwoegen, hoe zwaar

de ouderdom drukt, hoe hard de noodzakelijkheid van den dood is,

hoeveel drommen van ziekten hem bestoken, hoeveel ongevallen hem

bedreigen, hoeveel ongemakken hem treffen, hoe er nergens ter wereld

iets bestaat, dat niet met veel gal is bestreken, om niet van al het

leed te spreken, dat de eene mensch over den ander brengt, waartoe

behooren: armoede, gevangenis, oneer, schande, pijnbank, valstrikken,

verraad, scheldwoorden, rechtsgedingen, bedriegerijen--maar ik begin

daar waarlijk een werk, zoo onmogelijk als het tellen van het zand

der zee. Wat de menschen toch wel gedaan hebben, om dit alles te

verdienen of welke God in zijn toorn hen gedwongen heeft tot al deze

ellende geboren te worden, dat mag ik op dit oogenblik niet ronduit

zeggen. Maar wie dat alles nauwgezet overweegt, zal hij niet het

door de Milesische meisjes gegeven voorbeeld volgen [140], al is het

ook nog zoo beklagenswaardig? Wie hebben toch wel uit afkeer van het

leven den dood gezocht? Waren het niet zij, die zich tot de wijsheid

aangetrokken gevoelden? Onder hen, om nu niet te spreken van mannen

als Diogenes [141], Xenocrates [142], Cato [143], Cassius en Brutus

[144], gaf de bekende Chiron [145], ofschoon hij onsterfelijk mocht

zijn, voor zich de voorkeur aan den dood. Gij begrijpt nu, naar ik

geloof, wat het gevolg zou zijn, als de menschen over 't algemeen

wijs waren: men zou nieuw leven en een nieuwen vormer als Prometheus

[146] noodig hebben. Maar ik weet deels door onwetendheid, deels door

onnadenkendheid, soms door het vergeten van het leed, nu en dan door

de hoop op geluk, ettelijke malen door de genietingen met eenige

honingdroppels te besprenkelen, hen bij al 't groote leed zoo te

helpen, dat zij dan zelfs geen lust hebben het leven te verlaten, als

de draad der schikgodinnen is afgesponnen en het leven zelf hen reeds

lang bezig is te verlaten. Hoe minder reden er voor hen bestaat om in

't leven te moeten blijven, des te meer vinden zij er smaak in: zoover

is het er af, dat zij zich eenigszins levenszat voelen. Het is immers

aan mij te danken, dat gij overal grijsaards zoo oud als Nestor ziet,

bij wie zelfs geen schijn van een mensch over is, stamelende, soezende,

tandeloos, grijs, kaal, of om hen liever met Aristophanes' woorden

te beschrijven, morsig, gebogen, ellendig, rimpelig, kaalhoofdig,

tandeloos en wellustig. Zij vinden desniettemin zooveel genot in het

leven en voelen zich zoo jong, dat de een zijn grijze lokken verft,

de ander door een pruik zijn kaalheid tracht te verbergen, een derde

tanden bezigt, die hij misschien vroeger van het een of ander varken

ter leen genomen heeft, een vierde smoorlijk verliefd is op een meisje

en door zijn verliefde dwaasheden het nog van ieder jong kereltje wint.

Want dat reeds stokoude grijsaards, die al met het eene been in 't

graf staan, een jong deerntje tot vrouw nemen en dan nog wel zonder

huwelijksgift, terwijl anderen haar gunsten later zullen genieten,

dit komt zoo dikwijls voor, dat het bijna als een lofwaardige daad

beschouwd wordt. Maar het is nog veel aardiger op te merken, hoe

oude wijven, reeds door hoogen leeftijd tot mummies geworden en zoo

lijkachtig, dat men haast zou denken, dat zij uit de onderwereld zijn

teruggekeerd, toch altijd de woorden in den mond hebben "Hoe schoon is

het leven;" dat zij nog steeds dol verliefd zijn en den een of anderen

Phaon [147] voor een hoog loon huren en lokken, eeuwig haar gelaat

blanketten, van haar spiegel niet zijn af te slaan, zich de haartjes

uittrekken, haar slappen en verwelkten boezem bloot dragen en met haar

trillend gelach het verdoofde minnevuur trachten te wekken; dat zij

sterk drinken, in de reien der jonge meisjes dansen en minnebriefjes

schrijven. Wel, noemt de geheele wereld dit spottend de grootste

zotternij, wat het ook inderdaad is, maar zij behagen zichzelf en

smaken intusschen het hoogste genot en wentelen zich in weelde,

wat zij natuurlijk aan mijn goedheid te danken hebben. Verder zou ik

gaarne zien, dat zij, wien dit belachelijk voorkomt, dit bij zichzelf

overwogen, of zij het beter vinden door een dergelijke dwaasheid hun

leven in alle geneugten te slijten of, volgens een bekend gezegde, naar

een balk om te zien, waaraan zij zich kunnen ophangen. Wel staat zulk

een leefwijze gemeenlijk in een slechten reuk, maar hiermede hebben

mijn zotten volstrekt niets te maken, die dit kwaad of niet bemerken

of, als zij dit soms doen, zich er licht overheen zetten. Als iemand

een steen op het hoofd valt, dan is dit zeker inderdaad een kwaad. Maar

schande, oneer, verwijten en scheldwoorden kwetsen slechts in zooverre,

als men er gevoel voor heeft. Ontbreekt dit, dan is het zelfs geen

leed. Wat deert het u, als het geheele volk u uitjouwt, als gij u

zelf maar toejuicht? En het verlof hiertoe verleent de Zotheid alleen.

De Lof der Zotheid · 第 38 / 79 题