De Zotheid leidt tot wijsheid.
Nu nog iets. Onsterfelijke Goden moet ik spreken of zwijgen? Maar
waarom zou ik zwijgen, daar er geen waarachtiger waarheid bestaat? Het
is echter misschien beter, bij een zaak van zooveel gewicht de Muzen
van den Helicon [131] te laten komen, die de dichters meermalen om
louter beuzelingen plegen aan te roepen. Staat mij daarom een poosje
ter zijde, Dochters van Jupiter, bij het leveren van het bewijs,
dat ook tot die uitnemende wijsheid en den door hen zelf [132]
zoo genoemden burg van geluk voor niemand de toegang openstaat dan
onder geleide van de Zotheid. Om al aanstonds iets te noemen, is
men 't hierover eens, dat alle hartstochten een deel uitmaken van
de Zotheid. Dit is immers het kenmerkend onderscheid tusschen een
wijze en een zot, dat den laatsten de hartstocht, den eersten de rede
beheerscht, en daarom houden de Stoïcijnen alle zielsberoeringen,
alsof het ziekten waren, ver van den wijze. Maar die hartstochten
spelen niet alleen de rol van deskundige leidslieden van hen,
die zich haasten naar de haven der wijsheid, maar zij plegen ook
overal, waar de deugd handelend optreedt, als een soort van sporen
en prikkels tegenwoordig te zijn, alsof zij geroepen waren om tot
deugdzaam handelen aan te sporen. Wel verzet zich hiertegen met alle
macht de aartsstoïcijn Seneca [133], die den wijze allen hartstocht
ontzegt, maar door dit te doen laat hij zelfs geen mensch meer over
en schept veeleer een nieuwen God, die evenmin ergens ooit bestaan
heeft als bestaan zal, of neen, laat ik het duidelijker zoo zeggen,
hij maakt van een mensch een marmeren beeld, bot en volkomen vreemd
aan alle menschelijk gevoel. Zij [134] mogen daarom, zoo 't hun
lust, zelf hun wijze genieten en voor hem een liefde koesteren,
die niemand hun misgunt, en met hem of in Plato's Staat of, zoo zij
't liever willen, in het rijk der ideeën [135] of in Tantalus' gaarde
[136] wonen. Want wie zou zulk een man niet als een monster of een
spook ontvluchten en verafschuwen, die doof is voor alle natuurlijke
aandoeningen, die geen hartstochten kent en zich noch door liefde,
noch door medelijden meer laat roeren:
Dan de harde rots of 't starre Parisch marmer [137], wien niets
ontgaat, die nooit dwaalt, maar als een tweede Lynceus [138] alles
zonder onderscheid doorziet, elke zaak op een goudschaal weegt en
niets vergeeft, die alleen met zichzelf tevreden, alleen rijk,
alleen gezond, alleen koning, alleen vrij, kortom alles alleen
is [139], maar enkel volgens zijn eigen oordeel, die zich om geen
vriend bekommert en zelf niemands vriend is, die nooit aarzelt de
goden zelf te verwenschen en, wat er ook in 't leven gebeurt, als
onzinnig veroordeelt en belacht. Toch is die volmaakte wijze zulk
een schepsel. Eilieve, als de zaak eens bij stemming moest uitgemaakt
worden, welke burgerij zou een dergelijk man aan haar hoofd willen
hebben of welk leger zou zulk een aanvoerder kiezen? Of om het nog
sterker uit te drukken, welke vrouw zou zulk een soort van man, welk
gastheer zulk een gast, welke slaaf zou een heer van zulk een karakter
óf wenschen óf dulden? Wie zou niet de voorkeur geven zelfs aan den
eersten den besten midden uit den grooten hoop der grootste zotten,
die als zot over zotten kan heerschen of hun gehoorzamen, die aan zijns
gelijken, mits zij maar zooveel mogelijk in aantal zijn, bevalt, die
zich vriendelijk gedraagt jegens zijn vrouw, zich aangenaam weet te
maken bij zijn vrienden, een prettige gast aan tafel, ten slotte
iemand, die meent, dat al wat menschelijk is, ook hem aangaat? Maar
ik voor mij heb reeds lang genoeg van zulk een wijze en om die reden
is het beter de overige voordeelen te bespreken.