HOOFDSTUK XXX.

De Zotheid leidt tot wijsheid.

Nu nog iets. Onsterfelijke Goden moet ik spreken of zwijgen? Maar

waarom zou ik zwijgen, daar er geen waarachtiger waarheid bestaat? Het

is echter misschien beter, bij een zaak van zooveel gewicht de Muzen

van den Helicon [131] te laten komen, die de dichters meermalen om

louter beuzelingen plegen aan te roepen. Staat mij daarom een poosje

ter zijde, Dochters van Jupiter, bij het leveren van het bewijs,

dat ook tot die uitnemende wijsheid en den door hen zelf [132]

zoo genoemden burg van geluk voor niemand de toegang openstaat dan

onder geleide van de Zotheid. Om al aanstonds iets te noemen, is

men 't hierover eens, dat alle hartstochten een deel uitmaken van

de Zotheid. Dit is immers het kenmerkend onderscheid tusschen een

wijze en een zot, dat den laatsten de hartstocht, den eersten de rede

beheerscht, en daarom houden de Stoïcijnen alle zielsberoeringen,

alsof het ziekten waren, ver van den wijze. Maar die hartstochten

spelen niet alleen de rol van deskundige leidslieden van hen,

die zich haasten naar de haven der wijsheid, maar zij plegen ook

overal, waar de deugd handelend optreedt, als een soort van sporen

en prikkels tegenwoordig te zijn, alsof zij geroepen waren om tot

deugdzaam handelen aan te sporen. Wel verzet zich hiertegen met alle

macht de aartsstoïcijn Seneca [133], die den wijze allen hartstocht

ontzegt, maar door dit te doen laat hij zelfs geen mensch meer over

en schept veeleer een nieuwen God, die evenmin ergens ooit bestaan

heeft als bestaan zal, of neen, laat ik het duidelijker zoo zeggen,

hij maakt van een mensch een marmeren beeld, bot en volkomen vreemd

aan alle menschelijk gevoel. Zij [134] mogen daarom, zoo 't hun

lust, zelf hun wijze genieten en voor hem een liefde koesteren,

die niemand hun misgunt, en met hem of in Plato's Staat of, zoo zij

't liever willen, in het rijk der ideeën [135] of in Tantalus' gaarde

[136] wonen. Want wie zou zulk een man niet als een monster of een

spook ontvluchten en verafschuwen, die doof is voor alle natuurlijke

aandoeningen, die geen hartstochten kent en zich noch door liefde,

noch door medelijden meer laat roeren:

Dan de harde rots of 't starre Parisch marmer [137], wien niets

ontgaat, die nooit dwaalt, maar als een tweede Lynceus [138] alles

zonder onderscheid doorziet, elke zaak op een goudschaal weegt en

niets vergeeft, die alleen met zichzelf tevreden, alleen rijk,

alleen gezond, alleen koning, alleen vrij, kortom alles alleen

is [139], maar enkel volgens zijn eigen oordeel, die zich om geen

vriend bekommert en zelf niemands vriend is, die nooit aarzelt de

goden zelf te verwenschen en, wat er ook in 't leven gebeurt, als

onzinnig veroordeelt en belacht. Toch is die volmaakte wijze zulk

een schepsel. Eilieve, als de zaak eens bij stemming moest uitgemaakt

worden, welke burgerij zou een dergelijk man aan haar hoofd willen

hebben of welk leger zou zulk een aanvoerder kiezen? Of om het nog

sterker uit te drukken, welke vrouw zou zulk een soort van man, welk

gastheer zulk een gast, welke slaaf zou een heer van zulk een karakter

óf wenschen óf dulden? Wie zou niet de voorkeur geven zelfs aan den

eersten den besten midden uit den grooten hoop der grootste zotten,

die als zot over zotten kan heerschen of hun gehoorzamen, die aan zijns

gelijken, mits zij maar zooveel mogelijk in aantal zijn, bevalt, die

zich vriendelijk gedraagt jegens zijn vrouw, zich aangenaam weet te

maken bij zijn vrienden, een prettige gast aan tafel, ten slotte

iemand, die meent, dat al wat menschelijk is, ook hem aangaat? Maar

ik voor mij heb reeds lang genoeg van zulk een wijze en om die reden

is het beter de overige voordeelen te bespreken.

De Lof der Zotheid · 第 37 / 79 题