HOOFDSTUK XXIX.

De Zotheid maakt aanspraak op den lof van verstand.

Nu ik mij alzoo den lof van dapperheid en ijver heb toegeëigend, durf

ik ook aanspraak maken op dien van verstand. Maar, zal iemand zeggen,

dan kunt ge ook in ééne moeite vuur bij water voegen. Ik geloof echter

ook in het bewijs hiervan bij U te zullen slagen, als ge slechts,

zooals ge tot nog toe gedaan hebt, aandachtig en welwillend naar mij

luistert. Vooreerst dan, als het verstand bestaat in levenservaring,

wie zal dan met meer recht op dien eervollen naam aanspraak maken, de

wijze, die deels uit schaamachtigheid, deels uit beschroomdheid niets

durft op het touw zetten, of de dwaas, dien noch de schaamachtigheid,

die hij niet kent, noch het gevaar, dat hij niet bevroedt, van eenige

onderneming afschrikt? De wijze neemt zijn toevlucht tot de boeken

der oudheid en haalt daaruit tot zijn leering enkele spitsvondige

uitdrukkingen. De dwaas weet zich, zoo ik mij niet vergis, het ware

verstand van zaken eigen te maken door op alles los te gaan en zijn

persoon aan alles te wagen. Dit schijnt Homerus reeds gezien te hebben,

al was hij blind, wanneer hij zegt: De dwaas komt eerst na de daad

tot inzicht. (De dwaas wordt eerst door schade wijs). Want er zijn

twee hoofdbezwaren tegen het verwerven van kennis, de schaamte,

die den geest in een nevel hult, en de vrees, die door op gevaar

te wijzen afraadt de hand aan het werk te slaan. Maar de Zotheid

weet ons prachtig hiervan te bevrijden. Weinig menschen begrijpen,

hoeveel andere voordeelen het nog oplevert, nooit eenig schaamtegevoel

te kennen en alles aan te durven.

Indien men de wijsheid liever in dien zin opvat, dat zij bestaat in

een goed oordeel, hoort dan, bid ik u, hoe ver zij daarvan af zijn,

die op haar bezit zich verheffen. Vooreerst is het aan geen twijfel

onderhevig, dat alle menschelijke zaken altijd, evenals de Silenussen

van Alcibiades [130], twee maar al te verschillende aangezichten

bezitten. Wat uitwendig de dood schijnt, is, als ge 't meer van binnen

bekijkt, het leven: daarentegen wat het leven, de dood: het schoone

is leelijk: het rijke straatarm: het beruchte roemvol: het geleerde

ongeleerd: het sterke zwak: het edele gemeen: het vroolijke droevig:

voorspoed tegenspoed: vriendschap vijandschap: het heilzame schadelijk:

in 't kort ge zult alles eensklaps omgekeerd vinden, als ge een Silenus

opent. Mocht dit soms iemand al te wijsgeerig uitgedrukt schijnen,

dan wil ik wat plomper zeggen, wat ik bedoel. Wie erkent niet, dat

een koning in 't bezit is van schatten en van heerschappij? En toch,

bezit hij geen geestesgoederen, heeft hij nooit genoeg, natuurlijk is

hij dan doodarm. Verder, is hij met veel gebreken behept, dan leeft

hij in een schandelijke slavernij. Op dezelfde wijze zou men dit ook

van alle overigen wijsgeerig kunnen betoogen; ik meen echter met dit

enkele voorbeeld te kunnen volstaan. Maar waartoe dit alles? zal iemand

zeggen. Hoort, waar wij heen willen. Als iemand den acteurs, als zij

op het tooneel bezig zijn te spelen, de maskers trachtte af te rukken

en den toeschouwers hun ware en natuurlijke gezichten te laten zien,

zou hij niet het geheele stuk bederven en verdienen, dat allen hem,

als waanzinnig, met steenen uit den schouwburg verdreven? Plotseling

zou zich immers alles geheel anders voordoen: de vrouw van zoo

aanstonds b.v. zou een man worden: de jongeling een grijsaard:

iemand nog pas te voren een koning eensklaps een gemeene kerel: de

God van zooeven zou in een oogenblik als een gewoon menschenkind op

het tooneel verschijnen. Maar door die dwaling weg te nemen bederft

men het geheele stuk. Juist die vermomming en die opsiering is het,

wat de oogen der toeschouwers boeit. Wat is het geheele menschelijke

leven toch anders dan een tooneelstuk, waarin allerlei menschen,

het gelaat met allerlei maskers bedekt, op de planken komen en ieder

zijn rol speelt, totdat de leider hen van het tooneel wegvoert? Deze

eischt echter dikwijls, dat dezelfde persoon verschillend uitgedost

optreedt, zoodat hij, die in purperen gewaad pas voor een koning

gespeeld had, nu als een bedelaar in lompen optreedt. Wel bestaat het

geheel slechts uit schaduwbeelden, maar het stuk is nu eenmaal niet

anders te spelen. Als me daar nu eens plotseling een wijze uit den

hemel kwam vallen en riep, dat hij, tegen wien allen als een God en

Heer opzien, zelfs geen mensch is, omdat hij als het vee zich door

zijn hartstochten laat medesleepen, maar veeleer een gemeene slaaf,

omdat hij uit vrijen wil zich aan zoo'n tal van zulke afschuwelijke

meesters onderwerpt: en hij daarentegen een ander, die treurt over

den dood zijns vaders, raadt liever te lachen, omdat deze nu eerst

begonnen is te leven, daar toch dit leven verder niets anders is dan

een soort van dood: hij voorts een derden, die op zijn stamboom stoft,

een gemeenen bastaard noemt, omdat er een wijde klove gaapt tusschen

hem en de deugd, de eenige bron van adel, en hij op dezelfde wijze

maar al doorging--eilieve, zou hij 't wel verder brengen dan algemeen

voor waanzinnig en razend door te gaan?

Gelijk er niets dwazer is dan een averechtsche wijsheid, zoo is er

niets onverstandiger dan verkeerd toegepast verstand. Immers hij

handelt verkeerd, die zich niet schikt naar de omstandigheden, waarin

hij verkeert, «n met zijn tijd niet wil medegaan en niet althans zich

die bekende tafelwet herinnert: Drink of ga heen, maar verlangt, dat

het tooneelstuk geen tooneelstuk meer zal zijn. Integendeel ligt het

op den weg van een waarlijk verstandig man, als menschenkind niet al te

wijs te willen zijn en met de geheele menschenwereld of gaarne een oog

toe te drukken of uit beleefdheid den verkeerden weg te gaan. Maar,

werpt men mij tegen, dat is juist als een dwaas gehandeld. Dat zal

ik allerminst ontkennen, mits men op zijn beurt maar toegeve, dat

hierin de opvoering van 's levens tooneelstuk bestaat.

De Lof der Zotheid · 第 36 / 79 题